DE TUINBOUW

 

 

 

 

 

 

 



De veilingmeester van de groentenveiling van Loosduinen
bij de prachtig versierde veilingklok.
Vroeger riep de koper 'Mijn!' als de prijs naar zijn zin was.
Met de komst van het mijntoestel
hoefde hij alleen nog maar een knop in te drukken
om de wijzer tot staan te brengen.

 

 

 

 

 

 

Iedereen in touw voor de kersenpluk in de Betuwe.
In 1910 groeiden kersen nog in hoge bomen,
en werden de spreeuwen dus ook vanuit hoge bouwsels verjaagd
—per man werd elf pond kruit per dag verschoten.

 

 

 

 


Komkommers en andere fijne groenten
werden pas sinds het begin van de eeuw in Nederland geteeld.
Alleen in deze warenhuizen — onder staand glas —
konden de temperatuur en de luchtvochtigheid
kunstmatig hooggehouden worden.
Als de zon niet genoeg hitte gaf werden broeivuren
van nat stro of compost aangelegd.

 

Bouwen aan de tuin
van Europa

 

Steeds minder Nederlanders waren aan het einde van de 19e eeuw nog in de gelegenheid hun eigen groente te verbouwen.
Mede daardoor groeiden de kansen voor een moderne tuinbouw.

In 1887werd in Broek op Langedijk voor het eerst een partij bloemkool in het openbaar en bij opbod verkocht.
Het was het begin van het veilingwezen: een nieuw verkoop-
systeem dat de Nederlandse tuinbouw volledig zou gaan beheersen.

De Nederlandse tuinbouw beschikte aan het einde van de 19e eeuw over uitstekende groeikansen. Door de bevolkingsgroei en de toe-nemende welvaart steeg de vraag naar groenten, fruit en andere tuinbouwprodukten; door de voortschrijdende verstedelijking daalde tegelijkertijd het aantal mensen dat zelf zijn groente verbouwde.

Weliswaar ontstond in deze periode ook het verschijnsel van
de volkstuin, juist in de steden, maar de opbrengsten daarvan legden aanvankelijk nog weinig gewicht in de schaal.
Betere verbindingen en de modernisering van het transport zorgden bovendien voor uitbreiding van de markt, vooral in
het buitenland.
Omstreeks 1900 bijvoorbeeld was al een derde van de Nederland-se tuinbouwproduktie bestemd voor de export.
De tuinbouwers grepen die kansen, met het gevolg dat de tuinbouw zich gaandeweg ontwikkelde tot de meest dynamische sector van agrarische bedrijvigheid.


EERSTE STEEN VOOR DE GLAZEN STAD

Tussen 1890 en 1914 stegen de prijzen van groente, fruit, bloemen en andere tuinbouwprodukten aanzienlijk sneller dan die van veeteelt- en akkerbouwprodukten. Dat trok uiteraard onder-
nemers en arbeiders aan, zodat in 1914 al meer dan tien procent van de agrarische beroepsbevolking in de tuinbouw werkzaam was.

Bovendien was in het voorafgaande decennium het tuinbouwareaal met zo'n veertig procent uitgebreid. Alleen al in de groenteteelt, verreweg de grootste sector binnen de tuinbouw, nam het bebouw-de oppervlak toe van 16.000 tot 22.000 ha.

Toch was in de tuinbouw de hoeveelheid grond niet van doorslag-gevende betekenis.
Veel belangrijker was de wijze waarop de tuinders arbeid en
kapitaal gebruikten om die grond zo optimaal mogelijk te benutten. Dat maakte hen bijzonder gespitst op vernieuwingen die de op-
brengst vergrootten en de kwaliteit verbeterden.
Op dit punt stak de overheid hun de helpende hand toe.

In 1896 kreeg de Rijkslandbouwschool te Wageningen een aparte tuinbouwafdeling.
In hetzelfde jaar ging in Naaldwijk de eerste tuinbouwwinterschool van start en werd ook de eerste tuinbouwconsulent aangesteld.
De school voor bloembollenkwekers te Lisse opende haar deuren
in 1911.
Bovendien konden de kwekers al sinds het begin van de eeuw
een beroep doen op de Plantenziektenkundige Dienst, het Rijks-proefstation voor Zaadcontrole en op honderden proeftuinen
overal in het land.

Inmiddels was ook het tijdperk van de glascultuur aangebroken.
Het oppervlak aan glastuinbouw nam tussen 1895 en 1912 toe
van 81 tot 585 ha - overigens nog altijd maar een fractie van
het gehele tuinbouwareaal.
Het grootste gedeelte ervan bestond aanvankelijk nog uit platglas: allerlei soorten bakken met liggende broeiramen die geleidelijk in
de plaats waren gekomen van de zgn. lessenaars (schuin tegen
de muur geplaatste ramen).
Weliswaar was in 1903 te Loosduinen de eerste staande kas in gebruik genomen, maar dit type, het 'warenhuis', leverde pas echt profijt op als het werd verwarmd.
En kasverwarming werd in deze periode nog niet op grote schaal toegepast. Zelfs het Westland, dat in de modernisering vooropliep, was aan het begin van deze eeuw bij lange na nog niet de 'glazen stad' die het later zou worden.
In alle tuinbouwgebieden bleef overigens de teelt van vollegrond-produkten als sla, bloemkool, andijvie, spinazie en radijs van groot belang.

NIEUWE VERKOOPSYSTEMEN

Onder invloed van de steeds intensievere teelt vond ook
een verschuiving plaats in produkten en produktgebieden.
Aalsmeer bijvoorbeeld ging zich concentreren op de bloementeelt en liet de boomkwekerij daarmee vooral in handen van Boskoop. Dit boomteeltcentrum versterkte weer zijn positie door van
de teelt van loofbomen over te schakelen op die van rozen en sierheesters.
In de bloembollenteelt verdrong de populaire tulp de hyacint als belangrijkste exportgewas.
En doordat de consument in toenemen-de mate vroeg om fijnere groentesoorten nam de verbouw van tomaten, bloemkool en komkommers sterk toe terwijl die van grovere groenten - wortelen, uien, sluitkool - achterbleef.

De verschuiving van produktiepatronen ging gepaard met een toenemende geografische specialisering.
Ter Aar, Roelofarendsveen en Venlo bijvoorbeeld concentreerden zich op de teelt van augurken, terwijl De Streek tussen Hoorn en Enkhuizen zich ging toeleggen op bloemkool en vroege aardappels.

Opmerkelijk was ook de stijgende concurrentiekracht van
de tuinbouw in het toch verstedelijkte Holland. Deze was vooral
te danken aan de uitstekende verbindingen met het buitenland.

Het ontbreken van zulke verbindingen deed aan de andere kant het weinig gespecialiseerde gardeniersbedrijf in het landelijke Friesland in feite de das om.
Door dit alles veranderde ook de marktorganisatie van tuinbouw-produkten.
West-Friesland, betrekkelijk ver verwijderd van de stedelijke afzetmarkten beneden het IJ, nam in dit opzicht het voortouw.
De tussenhandel, de schakel tussen producent en consument, moest als eerste in dit gebied terrein prijsgeven aan verzend-verenigingen en coöperatieve veilingen die door de tuinders zelfwaren opgezet.

Op 29 juli 1887 werd in Broek op Langedijk voor het eerst een partij bloemkool geveild, dat wil zeggen: in het openbaar verkocht aan de hoogste bieder.
Hoewel ook hierna het oude verkoopsysteem (rechtstreekse
handel tussen tuinder en opkoper of het inschakelen van agenten en commissionairs) in zwang bleef, moest het gaandeweg toch plaatsmaken voor het veilingsysteem, vooral in het westen van
het land.
Na de invoering van het elektrische mijntoestel in 1903 steeg
de veilingomzet tussen 1904 en 1914 zelfs van zes tot twintig miljoen gulden.


DE EERSTE TUINBOUWINDUSTRIE

Ook de fruitteelt ontwikkelde zich tot een bijzonder winstgevend onderdeel van de tuinbouw, vooral na de eeuwwisseling.
Toch ging het hier veelal nog om een nevenbedrijf waardoor
de groeikansen niet optimaal werden benut en vernieuwingen
vaak achterwege bleven.

De moderne en snel opkomende druiventeelt in het Westland vormde hierop een uitzondering.
Maar in de fruitteeltgebieden van Limburg, Utrecht en Gelderland was van vernieuwingen nauwelijks sprake.
Zelfs in 1912 nog gold bijvoorbeeld de fruitteelt in de Betuwe als uitgesproken ouderwets.
Zaken als verzorging en snoei van de bomen, bestrijding van ziekten en ongedierte, teeltspecialisatie en organisatie van
de verkoop lieten nog veel te wensen over.
Toch was ook in de fruitteelt wel degelijk sprake van groei.
Mede door de komst van moderne conserveringstechnieken bijvoorbeeld ontstond in de Betuwe en in Zuid-Limburg zelfs
een bescheiden maar voor die tijd moderne tuinbouwindustrie
in de vorm van jam- en stroopfabrieken.

naar inhoud 1900 naar index