DE TEXTIELINDUSTRIE

 

 

 


Een Twentse textielweverij in 1895,
met weefgetouwen die door stoom werden aangedreven.
Dat gebeurde via een centrale as langs het plafond
waarmee de afzonderlijke machines door aandrijfriemen waren verbonden.

 

 

Houten blok waarmee tot de komst van mechanische persen
katoenen stoffen in kleur werden bedrukt,
onder andere voor de export naar de tropen.

 

 

Aquarel van het fabriekscomplex van de firma H. Eras & Zonen in Tilburg,
in 1910 geschilderd bij gelegenheid van het vijftigjarige bestaan van het bedrijf.
Uit de hallen met meerdere verdiepingen
was het ingeval van brand moeilijk te ontsnappen.

 

 

Een Brabantse thuiswever.
De foto werd in 1909 gemaakt in het dorp Gemert,
in de buurt van het textielstadje Helmond.
Het vak van thuiswever was toen
echter al op zijn retour.

 

Katoentjes voor Indië

 

 

De textielindustrie was aan het begin van de eeuw een van
de belangrijkste bedrijfstakken van het land. Vooral de export naar verre landen was er een van de pijlers van.

De eerste stoomweefgetouwen werden geplaatst in Twente maar niet iedere fabrikant zag er heil in.
Ze waren duur en in tijden van malaise konden ze niet, zoals thuis-werkers, aan de kant worden gezet. Toch begonnen ook hier
de schoorstenen te roken.

 

Tot het einde van de vorige eeuw bleven landbouw en handel in Nederland even belangrijk als de industrie.
Dit in tegenstelling tot Engeland waar vooral de modernisering
van de textielnijverheid in de 18e eeuw op zeer spectaculaire wijze verliep en de motor was achter de industriële revolutie.

Ook ons land had in de vorige eeuw een textielnijverheid van betekenis, onder andere geconcentreerd in Twente, Tilburg en Haarlem.
Maar anders dan in Engeland werkte die omstreeks de eeuwwis-seling nog veel met thuiswerkers die hun arbeid handmatig verrichtten.
Alleen in Twente waren halverwege de 19e eeuw de eerste stoomweefgetouwen gaan draaien. Ze waren hoofdzakelijk bestemd voor het vervaardigen van zware katoenen stoffen en niet iedereen had er vertrouwen in.
C.T. Stork, een van de textielbaronnen uit de late 19e eeuw, maakte daar later melding van.
'Ik herinner me nog levendig,' schreef hij, 'hoe door vele fabrikanten in Twente weinig goeds werd voorspeld van die eerste stoomweverij; men meende dat die met de handweverij bezwaarlijk zou kunnen concurreren.'


Feit is inderdaad dat de oude produktiemethoden lange tijd even voordelig en zelfs een fractie goedkoper waren dan de nieuwe,
met stoommachines en alles wat daarbij hoorde.
Aan moderne fabrieken waren hoge vaste lasten verbonden
en die bleven drukken, ook als de tijden slecht waren.
Dat was anders met thuiswerkers: als er geen werk was dankte men die af.
Dat nam niet weg dat Twente omstreeks 1870 was veranderd in een modern industriegebied. En het duurde niet lang of de andere textielcentra zouden volgen.

 

 

DE KATOENDRUK GEMECHANISEERD

Het zat de Nederlandse textielfabrikanten mee. In eigen land profiteerden ze van de bevolkingsgroei, de stijging van de levensduur en het toenemen van de welvaart.
Over de grens vonden hun produkten aftrek in Noord-Amerika, op de Indische markt en elders in Azië. Vooral de produktie van bedrukte imitatiebatiks voor sarongs en slendangs was aanvankelijk een winstgevende zaak.
Ze gingen naar Java en Sumatra en naar de Afrikaanse Goudkust. Op Zanzibar was een gretige markt voor zgn. kanga's:
bedrukte doeken met grote dessins en een spreuk.

Toepassing van een nieuwe techniek voor het bedrukken van
dit soort katoenen stoffen is één voorbeeld van de overgang van handwerk naar mechanisering.
Bekend was het oude ambacht van het drukken met houten blokken waarop in reliëf een motief was uitgestoken.

Op dit reliëf werd een kleurstof aangebracht waarna het doek werd bedrukt. Dat laatste was een precies werkje, zeker als er meer blokken nodig waren of er met verschillende kleuren werd gewerkt. De blokken moesten precies aansluiten, het drogen van de verf kostte veel tijd en morsen met de kleurstof was het schrikbeeld van iedere handdrukker.

Daarom zocht men naar machines die aan deze ongemakken
een einde zouden maken. De Engelsen construeerden ze.
Ze waren voorzien van houten (later koperen) rollen waarop
de dessins waren uitgeëtst en waar de stof doorheen werd gevoerd.
De eerste katoendrukmachines werden nog met de hand bediend maar al spoedig zorgden stoommachines voor de aandrijving.

Toch waren voor de bediening van deze apparaten aanvankelijk meer arbeiders nodig dan bij het oude systeem. Niet alleen voor het technisch onderhoud maar ook voor het verwisselen en bijstellen van de rollen, het bijvullen van de bakken met kleurstof en het controleren en corrigeren van het drukresultaat.
Pas in de loop van de jaren werden de machines zo sterk verbeterd dat de oude vaklieden overbodig raakten.

 

 

 

WOL IN TILBURG

Anders dan in Twente, waar katoen de boventoon voerde, ging
het in Tilburg om de fabricage van wollen stoffen.
Na een moeilijke periode was het sinds 1893 aanzienlijk beter gegaan met deze tak van de textielindustrie.
Behalve naar het leger, altijd al een goede klant, ging de produktie in toenemende mate naar Frankrijk en Duitsland en vooral naar
de Verenigde Staten.

In vergelijking met elders in het land waren de arbeidsomstandig-heden in de Tilburgse textielindustrie niet uitgesproken slecht.
In elk geval was er meestal wel gezorgd voor voldoende licht, ventilatie en verwarming.
Met de brandveiligheid was het minder goed gesteld. De meeste fabrieken hadden drie verdiepingen die van binnenuit via houten trappen met elkaar waren verbonden. Brandladders aan de buitenzijde waren er niet, zodat de arbeiders bij calamiteiten naar beneden moesten springen.
Ook de werktijden waren, zelfs voor die dagen, erg lang: ruim twaalf uur per dag.
Op drukke dagen ging men pas om 10 uur 's avonds de fabrieks-poort uit om de volgende ochtend om 5 uur weer te beginnen.

Gehuwde vrouwen werkten er in de Tilburgse textiel vrijwel niet, hetgeen door buitenstaanders als een pluspunt werd gezien.
Jonge meisjes van vijftien, zestien jaar daarentegen vonden er ruimschoots emplooi voor allerlei eenvoudige werkzaamheden als noppen, pluizen en stoppen.
Dat de overgang tussen oud en nieuw in de Nederlandse textiel-industrie, anders dan in Engeland, zoveel geleidelijker verliep valt misschien te verklaren uit de voorzichtigheid van de Nederlandse ondernemer.
Voordeel was in elk geval dat de sociale gevolgen minder rampzalig waren dan aan de overzijde van Het Kanaal.

 

naar inhoud 1900 naar index