DE TABAKSINDUSTRIE

 


Jarenlang had ook Amsterdam een eigen sigarenindustrie.
Ze was een overblijfsel van de tabakshandel die in de hoofdstad
(en ook in Rotterdam)
zo'n belangrijke rol had gespeeld in de 17e en 18e eeuw.
Een van de bekendste Amsterdamse sigarenfabrieken
was die van A.I. Cardozo.

 

 

 

 

 

Pijproken raakte aan het begin van deze eeuw
weliswaar niet in onbruik, zeker niet op liet platteland,
maar nam als rookgewoonte toch sterk in betekenis af.
Pas in de jaren twintig probeerde de tabaksindustrie
ook de stedeling weer aan de pijp te krijgen.

 

 

 

 

 

 

Sigaren maken was jarenlang een belangrijke huisnijverheid,
met name in het oosten en zuiden van het land.
Veel thuiswerkers kochten hun grondstoffen in bij een industrieel sigarenfabrikant
en verkochten de sigaren een week later aan het bedrijf terug.

 

De triomf van de sigaar

Nooit zijn er meer sigaren gerookt dan omstreeks het begin van
de 20e eeuw.
Pas na de Eerste Wereldoorlog, in de jaren twintig, moest de sigaar
het definitief afleggen tegen de sigaret, het symbool van een nieuwe, haastig-nerveuze tijd.

De sigaar was het symbool van de jaren rond de eeuwwisseling.
Ze kostte iets meer dan een cent en werd gemaakt door werkvolk dat leed en armoe met veel drank probeerde weg te spoelen.

De sigaret was aan het begin van deze eeuw iets voor verwijfde dandy's en dames van lichte zeden; onder fatsoenlijke lieden begon ze pas na de Eerste Wereldoorlog furore te maken.
Snuiftabak was inmiddels nog slechts een herinnering aan
de pruikentijd, de vochtige tabakspruim was een wel zeer proletarisch genotsmiddel geworden.
En pijproken had zich ontwikkeld tot een overwegend rustiek genoegen. Boeren en buitenlui gaven er zich nog onverstoord aan over maar de stedeling had er om onduidelijke redenen steeds minder trek in.
Stad en platteland vonden elkaar echter in een duidelijke voorkeur voor de sigaar - zo sterk zelfs dat dit tabaksprodukt symbool werd voor de jaren omstreeks de eeuwwisseling.

SIGARENMAKERS: EEN APART SLAG

De zegetocht van de sigaar was begonnen in de jaren zestig
van de 19e eeuw, met de opkomst en ontwikkeling van de koloniale tabakscultuur in Nederlands-Indië.
Deze leidden tot een nieuwe en ongekende bloei van de oude tabaksmarkten van Amsterdam en Rotterdam.

Juist die Indische tabak leende zich uitstekend voor het maken van sigaren. Het aantal sigarenmakers steeg van nog geen tweeduizend in 1850 tot 15.000 in 1890 en zelfs 25.000 in 1910.
Hun leger bleef ook tijdens de Eerste Wereldoorlog groeien, om pas daarna langzaam in omvang af te nemen. De dagen van de sigaren-roker waren toen voorbij.

De explosieve groei van de sigarenmakerij was in de tweede helft van de 19e eeuw gedragen door een apart en ook wel berucht slag lieden.
Het was ongeregeld werkvolk dat vaak een zwervend bestaan leidde.
Drankmisbruik was regel, ook in de werkplaatsen.

Terwijl jonge kinderen en vrouwen de tabak stripten hielp de wat oudere jeugd als bosjesmaker. Het waren vooral deze opgeschoten jongens en meisjes die clandestien op pad werden gestuurd om drank en etenswaar binnen te smokkelen.
'Onder werktijd moest ik stukken drop en kaas gaan kopen op
de markt,' biechtte een van hen later op. 'Die stukken kaas moest ik in partjes verdelen voor de sigarenmakers. Dat deed ik onderweg. Allemaal gelijke stukken. De losse stukjes at ik op.
De sigarenmakers vonden mij een uitstekende inkoper. Dat heel wat kaas in mijn maag verdween hadden ze niet door...'

De man in kwestie was in 1892 begonnen als aankomend knechtje, tegen een kwartje per week en met alleen de zondag vrij. Volwassenen werkten tien tot twaalf uur per dag en konden daarvoor aan het einde van de week een loontje van twee gulden opstrijken.
Geen wonder dat het zogenaamde 'maandag houden', werkonderbrekingen, arbeidsconflicten en verbeten stakingen het klimaat in de sigarenmakerij verpestten.
Pas in 1913 slaagden de strijdbare vakbonden van sigarenmakers erin hun erkenning door de werkgevers af te dwingen.

Vóór die tijd hielden veel sigarenmakers het bij een baas meestal maar een paar weken uit. Daarna waren ze weer vertrokken, om elders hun geluk te proberen. Moeilijk was dat niet, want
de sigarenbedrijfjes schoten overal in het land als paddestoelen uit de grond - om vaak even snel weer te verdwijnen.
Iedereen kon proberen in deze bedrijfstak de kost te verdienen. Vakkennis was niet vereist, kapitaal evenmin.
De tabak kon naar behoefte worden gekocht, machines werden niet of nauwelijks gebruikt en zelfs een bedrijfsgebouw was niet nodig.
De sigarenmakerij, kortom, was een hectisch bedrijf waarin van
alles en nog wat mogelijk bleek.
Huisnijverheid, kleinbedrijf, middenbedrijf en grootbedrijf -
het bestond allemaal naast en door elkaar en in omvang gaven ze elkaar weinig of niets toe.

DE SIGARENMAKERSCENTRA

Toch werd het vestigingspatroon van de Nederlandse sigaren-industrie gekenmerkt door een aantal ontwikkelingslijnen. Betrekkelijk nieuw, en waarschijnlijk bij toeval ontstaan, was
de sigarenmakerij in Kampen.
Elders speelde het toeval een geringere rol.

Zo bloeide de sigarenmakerij in Amsterdam en Rotterdam, twee steden waarin de tabakshandel al in de 17e en 18e eeuw belangrijk was geweest.
De tabakskerverij verschafte er toen reeds aan vele handen werk
en de sigarenmakerij vormde nu als het ware een nieuwe loot op
een oude stam.

Ook de Brabantse sigarenmakers in Eindhoven en Boxtel bouwden voort op een traditie: de fabricage van snuiftabak. Deze hing samen met de oude handelsverbindingen met Luik.
Iets dergelijks gold ook voor de sigarenmakerij in Culemborg, Elst, Veenendaal en Amersfoort.
Het waren alle marktstadjes in de buurt van de inheemse tabaks-teelt op zand en de minderwaardige komgronden van de Betuwe. Deze was ontstaan in de 17e eeuw.

De schapenteelt had voor de nodige mest gezorgd zodat de tabaksbouw op een gegeven ogenblik zelfs een redelijke vlucht had genomen.
Aan het einde van de vorige eeuw stond de tabaksteelt op eigen bodem evenwel op het punt te verdwijnen en met haar de sigarenmakerij.

Toen Veenendaal in 1886 echter aansluiting kreeg op het spoorweg-net kregen de plaatselijke sigarenfabrikanten een voorsprong op
de concurrentie in de buurt.

De piepjonge Jochem van Schutten, voor wie als vijfde zoon geen plaats was in de manufacturenwinkel van zijn vader, wilde als tabaksplanter naar Indië en had ter voorbereiding alvast stage gelopen op een 'plantage' in de Betuwe.
Omdat hij verliefd werd liet hij in 1887 zijn koloniale toekomst-plannen schieten en begon in een kleine smederij te Veenendaal
een tabaksfabriekje.
Typerend voor Van Schutten was dat hij niet alleen vast personeel
in dienst had, maar ook losse thuiswerkers.
Deze kwamen 's zaterdags bij de fabriek dekblad, omblad en gemêleerd binnengoed 'kopen' om dit een week later als sigaren terug te 'verkopen' aan het bedrijf.

Dat werd de 'Kampense' manier van werken genoemd. Die werk-wijze ging gepaard met wel zeer beroerde omstandigheden.
Dat bleek bijvoorbeeld uit een rapport van de Arbeidsinspectie uit 1911: '
Van de 457 werkruimten waren er 135 ook als woon-, slaap- en kookvertrek ingericht.

Een gezin, dat bestond uit man, vrouw en vier kinderen genoot slechts een inkomen van ƒ 3,50 per week. Dit met een arbeidsduur van de man en de vrouw van 13 uren per dag, terwijl de oudste twee kinderen nog 5 uur per dag meehielpen.'

Van Schutten produceerde wekelijks zo'n 150.000 sigaren.
Ze waren te koop voor een dubbeltje de acht...

naar inhoud 1900 naar index