Sociale woningbouw


 

 


Achterzijde van een woningcomplex in
-waarschijnlijk- Amsterdam, gebouwd omstreeks 1898.

Vooral in zulke woonkazernes
met hun primitieve voorzieningen
heersten vaak onbeschrijflijke toestanden
die steeds meer een gevaar bleken voor de volksgezondheid





 

 



plattegrond van een moderne volkswoning van twee verdiepingen
van kort voor de eerste wereldoorlog.
de aangegeven maten laten zien
hoe krap er in die sector werd gebouwd

  Naar een betere huisvesting

 

Sociale motieven leidden tot de Woningwet van 1901 en tot verbetering van de volkshuisvesting.
Maar echt van harte ging het niet en waar het even kon werd op alles beknibbeld.

De volkshuisvesting was een probleem, niet alleen in Nederland maar ook elders in West-Europa en vooral in gebieden waar, als gevolg van de industrialisering, de steden het snelste groeiden.
De slechte woontoestanden, met name van de werkende klasse, werden steeds vaker aan de kaak gesteld; niet alleen uit sociale bewogenheid maar ook wegens het gevaar voor de volksgezond-heid.
Het was ook niet gemakkelijk op korte termijn een oplossing te vinden voor een zo omvangrijk probleem: er was geen geld en
ook de organisatievorm ontbrak.
Of beter: geld was er wel, maar dat werd liever in de industrie gestoken dan in de woningbouw.

Vooruitstrevende ondernemers als J.C. van Marken van de Gist- en Spiritusfabrieken in Delft, C.T.Stork in Hengelo en Anton Philips in Eindhoven begonnen ten dele uit welbegrepen bedrijfsbelang met het verbeteren van de woningbouw en woonomstandigheden van hun arbeiders.

Veel gemeenten probeerden door het vaststellen van bouwveror-deningen de woningvoorziening te verbeteren. Maar dat had niet werkelijk geholpen.
In 1900 woonde nog altijd bijna een kwart van de bevolking in vochtige en duistere éénkamerwoningen.
Vooral in de noordelijke provincies was het slecht gesteld.
In Drenthe bewoonde liefst 62% van de bevolking zo'n éénkamerhok.
Pas de Woningwet in 1901 bracht de doorbraak.

De woningwet van 1901

In de loop van de jaren negentig ontstond geleidelijk een klimaat waarin ook op het terrein van de woningbouw wetgeving en overheidsingrijpen mogelijk werden.
Bij alle politieke partijen bestond daartoe de bereidheid.
Als gevolg daarvan kostte het in 1901 weinig moeite de eerste Woningwet door de Tweede Kamer te krijgen.

De nieuwe Woningwet regelde de zorg van de overheid voor
de woningbouw en gaf aan wat rijk, provincies en gemeenten moesten doen. Zo konden ze voorschriften uitvaardigen ten aanzien van de eisen waaraan een woning moest voldoen, mochten ze slechte woningen ontruimen en onbewoonbaar verklaren en werd het hen zelfs mogelijk gemaakt tot onteigening over te gaan
- een revolutionaire maatregel in een tijd waarin het eigendom
nog heilig was.
Belangrijk was ook dat de wet het de gemeenten mogelijk maakte financiële steun te geven aan de bouw van goedkope huur-woningen.
In de prakrijk betekende dit dat bouwverenigingen bij de overheid konden aankloppen als ze goede woningen wilden bouwen om die tegen redelijke prijzen te verhuren.

De maat van het minimum

Na een paar jaar waren de grotere steden al zover dat ze op grond van de Woningwet van 1901 minimumeisen hadden opgesteld waaraan de sociale woningbouw moest voldoen.
Aanvankelijk waren zulke woningen wat ruimer van opzet, maar uiteindelijk werd er op de maten weer beknibbeld, om financiële redenen uiteraard.

De minimumoppervlakte van de woning zelf was 33 m2,
de hoogte van de woonkamer diende 2,75 m te zijn.

Elk vertrek moest een raam hebben en tussen de achterzijde
van het huis en het volgende perceel diende tenminste een afstand van 3 m te liggen.
Verder moest de woning voorzien zijn van twee stookplaatsen,
een wc ('privaat' zoals het toen steevast heette), een watervoor-ziening en een afvoer.

Alkoven en bedsteden waren voortaan verboden, in kelders en souterrains mocht niet meer worden geslapen en op zolders alleen als die behoorlijk waren afgeschermd tegen hitte en kou.
Per slaapplaats moest een redelijk oppervlak beschikbaar zijn; jongens en meisjes vanaf 12jaar dienden aparte slaapkamers te hebben.

Tilburgse zuinigheid

Niet in iedere stad was men even enthousiast over de nieuwe Woningwet.
Tilburg bijvoorbeeld was zo'n stad.
De Kamer van Koophandel vond dat de eisen veel te hoog waren; de plaatselijke hypotheekbanken waren bepaald niet scheutig met het verstrekken van bouwkredieten voor sociale woningbouw.
En toen in de gemeenteraad een bouwverordening moest worden vastgesteld, wist een van de raadsleden te melden dat in Santpoort een modelwoning stond met een plafondhoogte van slechts 2,35 m.
In Tilburg hoefde het dus zeker geen 3 m te zijn, zoals werd voor-gesteld.
De conservatief-liberale fractie mopperde dat er te veel regeltjes werden gemaakt, en bovenal: kon het allemaal niet wat goed-koper?

Uiteindelijk resultaat van al dat beknibbel:
een woonkamer van 4 x 4 m., een keukentje, een grote en twee kinderslaapkamers op de eerste verdieping en een zolder.
Een van de raadsleden stond er op dat op de begane grond slechts één vertrek zou komen.
Een tweede, 'mooie' kamer was overbodig en zou maar tot verspil-ling leiden; de arbeiders zouden voor zo'n vertrek meubels gaan kopen die ze zich eigenlijk niet konden permitteren.

Later onderzoek heeft aangetoond dat vooral sociale motieven
de stoot hebben gegeven tot maatregelen op het terrein van
de volkshuisvesting.
Natuurlijk speelde ook ondernemersbelang een rol, maar sociale bewogenheid en zorg voor de volksgezondheid gaven uiteindelijk de doorslag.

Overigens viel de hausse in de gesubsidieerde woningbouw pas na de Eerste Wereldoorlog.
En wie er het meeste van profiteerden waren de arbeiders met een beter inkomen.
Voor wie het minder had - en dat waren er velen - was het ook daarna nog lange tijd behelpen geblazen.

naar inhoud 1900 naar index