DE SUIKERINDUSTRIE

 

 

 



Prof. drJ.H. van 't Hoff, in 1901 Nobelprijswinnaar (scheikunde)
maar in de jaren zeventig van de vorige eeuw
de student die de basis legde voor het wetenschappelijke laboratorium
van zijn oom, de suikerfabrikant
S. Heerma van Voss.

 

 

 

 

 


De Wester Suikerraffinaderij te Halfweg in 1910.
De suikerindustrie concentreerde zich aanvankelijk
in of in de buurt van havensteden als Amsterdam
waar de ruwe tropische rietsuiker werd aangevoerd.
Pas na de opkomst van de bietsuiker
verhuisde ze geleidelijk naar West-Brabant,
het centrum van de suikerbietenteelt.

 

 

 

 

 

 


Het verpakken van zgn. suikerbroden in de Wester Suikerraffinaderij.
Dit halffabrikaat ging vaak naar elders om daar verder te worden verwerkt.

 

DE ZOETE REVOLUTIE

 

Twee suikersoorten streden aan het einde van de 19e eeuw om
de markt: de tropische rietsuiker en de bietsuiker van eigen bodem. Het slagveld lag in Zeeland en West-Brabant.

Suiker veranderde omstreeks de eeuwwisseling van een luxe-produkt in een artikel voor massaconsumptie. Dat gaf de Neder-landse suikerfabricage de kans nog voor de Eerste Wereldoorlog
uit te groeien tot een van de modernste industrieën van Europa.

Toen S.C.J. Heerma van Voss beginjaren zeventig meedeelde dat hij in zijn fabriek in het Brabantse Leur een wetenschappelijk laboratorium had geïnstalleerd, konden zijn collega-suikerfabri-kanten hun pret niet op. 'De alchimist' was weer bezig geweest!
Geloofde de man nu werkelijk dat hij met die poespas zijn bedrijfsresultaten kon verbeteren?
Maar een paar jaar later legden elf van hen botje bij botje om
Van Voss drieduizend gulden te betalen voor diens nieuwe methode van sapzuivering die een hoger suikergehalte opleverde dan de traditionele...

Bij het inrichten van het eerste laboratorium in een Nederlandse suikerfabriek had Van Voss de hulp ingeroepen van zijn neefje,
J.H. van 't Hoff. Die stond op het punt in Delft af te studeren als technoloog en had dus best wat aan de praktijkervaring die hij in
de fabriek van zijn oom kon opdoen. Dat bleek ook later.
Als hoogleraar richtte hij in 1893 de School voor de Suikerindustrie op en in 1901 kreeg Jacobus van 't Hoff als eerste de Nobelprijs voor scheikunde.

Zijn oom had zich inmiddels ontpopt tot een van de stuwende krachten achter de ontplooiing van de Nederlandse suikerindustrie na 1890.
De liefde voor techniek en vernieuwing zou de alchimist uit Leur overigens tot het einde van zijn levensdagen behouden.
In 1909, bij het 40-jarig bestaan van zijn onderneming, liet hij
uit het buitenland zelfs een vliegmachien naar Etten-Leur komen voor een veelbesproken luchtshow.

De oorsprong van de Nederlandse suikerindustrie gaat terug tot
de Gouden Eeuw: een veredelingsindustrie die de van verre aangevoerde, ruwe rietsuiker verwerkte tot geraffineerde eindprodukten.
Toen de aanvoer van tropische rietsuiker in de Franse tijd stokte kwam in ons land naast deze raffinage-industrie een eigen suikerproduktie op gang. Die was gebaseerd op de verwerking
van beetwortels. Aanvankelijk kwam er niet zoveel van terecht.

Pas in 1857 maakten de vooruitstrevende gebroeders
C. en G. de Bruyn een nieuw begin door in Zevenbergen een gloednieuwe bietsuikerfabriek te bouwen. Eerder hadden ze al naam gemaakt door hun Amsterdamse raffinaderij met behulp van stoomkracht en gasverlichting om te bouwen tot een continubedrijf, iets nieuws in die dagen.
Dat ze hun nieuwe bedrijf vestigden in West-Brabant, het toe-komstige centrum van de bietenteelt, getuigde van hun vooruit-
ziende blik.

Toch verliep de ontwikkeling van de bietsuikerindustrie aan-vankelijk zo traag als stroop. Onder aanvoering van de machtige Nederlandsche Handel Maatschappij verzette de Indische suikerlobby zich met hand en tand tegen de suikerbietenteelt, onder andere door het gerucht te verspreiden dat de grond er onvruchtbaar door werd.
De concurrentie van buitenlandse ondernemingen, vaak door tariefmuren beschermd, deed de rest.
Omstreeks 1890 leidde een dertigtal tamelijk povere Nederlandse bietsuikerfabriekjes een moeizaam en wisselvallig bestaan.
Met z'n allen waren ze niet eens in staat de Nederlandse biet-suikeroogst te verwerken ('veel ervan ging naar België), laat staan dat ze konden voorzien in de binnenlandse suikerbehoefte.

SUIKER VOOR DE MASSA

Maar nog voor het einde van de 19e eeuw veranderde het getij
en brak een periode van stormachtige groei aan. Als gevolg van nieuwe fiscale regelingen verplaatste de afzet van Indische rietsuiker zich naar Engeland, waardoor de bietsuikerfabrikanten in ons land eindelijk wat lucht kregen.
In de internationale handel won de vrijhandel het van het protec-
tionisme waardoor de suikerprijzen scherp daalden.

Suiker veranderde van een dure tongstrelende zoetstof voor
de elite in een goedkoop consumptiemiddel voor de massa.
De rietsuiker verloor daardoor snel terrein en vooral na 1890 groeide de bietsuikerproduktie veel sneller dan die van haar (sub)tropische concurrent.
Mede door de aanhoudende daling van de graanprijzen nam
tussen 1890 en 1900 het met bieten bebouwde areaal in
Nederland even sterk toe als in de dertig voorafgaande jaren.

Dit alles gaf de bietsuikerfabrikanten de kans te laten zien wat ze als ondernemer waard waren. En dat was niet weinig.
Hoewel het aantal fabrieken na 1890 verminderde steeg
de produktie van de resterende nog voor de eeuwwisseling met 300 procent. Hun kapitaalkracht verviervoudigde en ondanks
de voortschrijdende mechanisering breidde de werkgelegenheid
in de suikerindustrie zich uit met 70 procent.

Hoe sterk de bietsuikerfabrikanten in korte tijd waren geworden bleek in 1902, toen de rietsuikerproducenten door een internatio-nale conventie weer in het voordeel kwamen.
Het deerde de bietsuikerindustrie nauwelijks meer. Het aantal ondernemingen mocht dan dalen maar de bedrijfsgrootte en
de doelmatigheid bleven toenemen.
Bovendien groeide in de bietsuikerindustrie de samenwerking. Nadat eerder al diverse andere vormen van samenwerking hun intrede hadden gedaan, kwam in 1908 de Algemene Suikermaat-schappij tot stand, een samenwerkingsverband van vier
particuliere fabrikanten. Iets eerder al had een aantal bietentelers besloten op coöperatieve basis zelf de suikerfabricage ter hand te nemen.

In 1899 was in Sas van Gent de Eerste Nederlandse Coöperatieve Beetwortelsuikerfabriek opgericht. Die werd geen succes.
Wel succesvol waren echter de coöperatieve suikerfabrieken in Dinteloord (1908), Puttershoek en Zevenbergen (beide 1912).

De prestatie van de bietsuikerfabrikanten krijgt des te meer reliëf in het licht van de problemen die ze moesten overwinnen:
de internationale concurrentie, het onderlinge gevecht om afzet-
markten en de belangentegenstellingen met enerzijds de bieten-
telers en anderzijds de suikerraffinadeurs — die in feite de belang-
rijkste afnemers van ruwe bietsuiker bleven. Wie bedenkt dat de meeste fabrieken omstreeks 1910 tijdens de 'najaars-campagne' (de tijd van de oogst) meer dan een miljoen kilogram bieten
per dag versneden, kan alleen maar onder de indruk komen
van het technische vernuft en het organisatorische vermogen
van deze bedrijfstak.

Alleen al het regelen van het massale vervoer per schip of per spoor en tram, in een korte oogstperiode en in tot dan toe nauwelijks ontsloten delen van Noord-Brabant en Zeeland, was
een prestatie op zich. Het was allemaal het werk van energieke vernieuwers als Heerma van Voss.
Dankzij hen behoorde de Nederlandse suikerfabricage aan
de vooravond van de Eerste Wereld-oorlog tot de modernste industrieën van Europa.

naar inhoud 1900 naar index