DE STEENBAKKERIJ

 

 

 

 

 

 

 

 

Beeld van werkzaamheden
op de steenfabriek 'IJsselzicht' te Wijnbergen,
een van de vele, kleine steenfabriekjes
die tot in het begin van de 20e eeuw actief waren
in het stroomgebied van de Oude IJssel.
'IJsselzicht' was het eigendom van de rijke
Doetinchemse koopmansfamilie Coops.

 

 

 

 

 

 

 

Bedrijvigheid rondom de steenpers
zoals afgebeeld op een schoolplaat uit het begin van de 20e eeuw.
Onder andere te zien:
kinderen die met de leuter
de klei in de vormbakken gladstrijken.

 

 

 

 

 

 

 

 

Trekarbeiders in de steenbakkerij,
gefotografeerd in 1906
aan het einde van het steenmaakseizoen.
De 'campagne' liep van april tot eind september.
Gewoonlijk werd er dan muziek gemaakt
en een borrel geschonken.

 

 

 

Versteende traditie

 

Aan de vooravond van de 20e eeuw vertoonde het steen-
bakkersbedrijf in Nederland nog tal van middeleeuwse trekjes. Toch waren er ook in deze sector ingrijpende veranderingen op til.


Stenen bakken was een seizoenbedrijf voor deeltijdonder-
nemers: hereboeren en landedelen die al generaties lang
de ovens ontstaken als er werk was en hun 'Lipskers' en 'schabullen' op straat zetten als de vraag naar baksteen
even inzakte.

Drie aannemers uit respectievelijk Weesp, Tilburg en Arnhem lieten op 20 mei 1902 te Utrecht notarieel vastleggen dat ze een paar jaar eerder bij het Gelderse Westervoort de nieuwe spoorbrug over de IJssel hadden gebouwd en voor die gelegenheid ter plaatse grond hadden gekocht voor de bouw van een steenoven, 'De Jager' geheten. Ze hadden deze na voltooiing van de brug meteen weer van de hand gedaan.
Wat uit deze aanpak blijkt is dat er in de steenbakkerij in ons land eigenlijk niet zoveel was veranderd sinds in
de 12e eeuw de eerste bakstenen gebouwen verrezen: kerken, kloosters en kastelen.
Waar mogelijk installeerde men in de buurt van de bouw-
plaats een veldoven om zo goedkoop mogelijk te voorzien in de behoefte aan baksteen - en als het karwei was g eklaard werd de oven verkocht of aan zijn lot overgelaten.

Tussen het middeleeuwse klooster en de 19e-eeuwse brug gaapte een kloof van eeuwen - maar het leek alsof er in
de baksteenfabricage al die tijd niets was veranderd.
Of zoals het vakblad 'Klei' nog in 1910 moest erkennen:
'In weinig bedrijven zijn de fabrikanten zoo conservatief
als in het steenbakkersbedrijf...'.
Helemaal gelijk had de redactie van 'Klei' niet. Want juist omstreeks de eeuwwisseling had de Nederlandse steenbak-
kerij een begin gemaakt met een aantal vernieuwingen die deze bedrijfstak uiteindelijk volledig van aanzien zou doen veranderen.

KINDEREN AAN DE LEUTER

Al sinds het midden van de 19e eeuw had de baksteen-
industrie een sterke uitbreiding ondergaan.
Als gevolg van de bevolkingsgroei en de verstedelijking was het aantal steenfabrieken in Nederland tussen 1850 en 1880 gegroeid van 469 tot 881. Het ging doorgaans om kleine bedrijfjes die verspreid lagen in het land.
Steenbakken was aanvankelijk een seizoenbedrijf.
In de bouwtijd, de zomer met name, was er doorgaans aardig wat bedrijvigheid, tenzij het werk vanwege de weers-
omstandigheden stil kwam te liggen. Ook als de bedrijfs-
resultaten tegenvielen werden de vuren al snel gedoofd.

De eenvoudige steenovens, met slechts een paar vuur-
kanalen, brandden eigenlijk alleen als er vraag was en
het weer er een beetje naar stond. Veel kapitaal was er niet voor nodig en het arbeidsbestand was vlottend: was er geen werk dan ging de zaak dicht en stonden de steenbakkers op straat.
Onder zulke omstandigheden kon van ondernemers noch arbeiders veel betrokkenheid worden verwacht.
Veel steenbakkerijen waren al generaties lang in handen van gezeten en vaak met elkaar verwante families van here-
boeren, landedellieden of stadsnotabelen; het steenbakkers-
bedrijf deden ze er maar zo'n beetje bij.
Het ongeschoolde werkvolk leidde een zwaar en onzeker bestaan. Veel werknemers in de steenbakkerij waren trek-
arbeiders die in het seizoen naar de streken kwamen waar steen werd gebakken. Veel Duitse 'Lipskers' bijvoorbeeld trokken in het voorjaar uit hun woonplaatsen in Lippe-Detmold, vlakbij de Nederlands-Duitse grens naar Friesland en kwamen daar onder andere terecht in het beruchte tichelwerk van Franeker waar gewerkt werd van 's ochtends 2 tot 's avonds 10 uur.
Ook vrouwen- en kinderarbeid waren in de steenbakkerij heel gewoon. Kinderen werkten vaak als schabul, dat wil zeggen dat ze met een soort schuifplank, de leuter, de vorm-
bakken gladstreken waarin de ongebakken stenen buiten in de zon te drogen werden gezet.
Er waren echter veranderingen op til. Van belang daarbij was de toenemende concentratie van de steenbakkerij langs de grote rivieren, met name in het Gelderse.
Nog aan het begin van de 19e eeuw was de Nederlandse baksteen van een bonte verscheidenheid geweest: helderrode stenen uit Groningen, paarsrode uit Limburg, geelbakkende uit Holland, Utrecht en Friesland en de mooie, vlekkerige bakstenen uit Brabant die naar het geelrood zweemden.
Omstreeks 1890 overheerste in de baksteenproduktie reeds het bleke rood uit het gebied van Waal, Maas, Rijn en Lek. Daar was altijd al de beste grondstof te vinden geweest.

Dat die nu ook optimaal kon worden benut was een gevolg van het reguleren van de rivieren die daardoor aanzienlijk beter geschikt werden voor het vervoer van brandstof (vooral turf), stenen en dakpannen.
Deze concentratie leidde uiteindelijk ook tot enige moderni-
sering. De Gelderse baksteenindustrie nam daartoe omstreeks 1870 het voortouw door stoomlocomotiefjes in te zetten bij het delven van de klei. Tien jaar later kwam ook de mechanisering van het vormen op gang door invoering van de eerste steenpersmachines.
Toch bleef het vormen van de stenen met de hand nog jarenlang alom in gebruik. In feite kwam de modernisering van de steenbakkerij te laat en ging ze te langzaam om
de technische achterstand tijdig weg te werken.
Door de voortschrijdende industrialisering in binnen- en buitenland werd de afzet van baksteen en ander bouw-
materiaal namelijk steeds gevoeliger voor conjuncturele schommelingen - en daar was deze zwakke en verouderde bedrijfstak niet tegen opgewassen.
In de jaren tachtig legde niet minder dan een op de zeven ondernemingen het loodje.
Er was slechts één uitweg: investeren in technische vernieuwing. Maar dat was lang niet overal mogelijk.
Het was alweer de Gelderse steenbakkerij die dankzij haar natuurlijke voordelen in de beste uitgangspositie verkeerde. Het gemechaniseerde grootbedrijf kwam dan ook in dit deel van het rivierengebied tot ontplooiing — zij het niet op initiatief van de traditionele deeltijdondememers die anno 1880 ook hier nog in de meerderheid waren.
De doorbraak van de moderne machinale steenbakkerij omstreeks 1900 was voornamelijk het werk van een nieuw slag ondernemers dat zijn werk als volledig beroep uitoefende.

Het continubedrijf in de steenbakkerij deed zijn intrede met de komst van de ring- en zigzagovens die voortdurend brandden, een vernieuwing die in het buitenland al sinds 1858 was doorgevoerd. De ontwikkeling van deze nieuwe, kapitaalintensieve en fabrieksmatige produktie ging echter met een slakkegang. In 1903 waren er nog maar negen van zulke ovens in bedrijf; tien jaar later waren het er 56.
En pas in 1914 werd de eerste vlamoven in gebruik geno-
men voor de produktie van straatklinkers: een nieuw produkt waar grote vraag naar was in verband met het toenemende wegverkeer en de verharding van het wegennet die daarvan een gevolg was.
Van de nieuwe toekomstmogelijkheden in de steenfabricage profiteerden de Nederlandse steenbakkers aanvankelijk slechts in bescheiden mate. De vernieuwingen, vooral in het buitenland, hadden namelijk geleid tot overproduktie.
De scherpe onderlinge concurrentie legde een zware druk op de prijzen en betekende voor veel ondernemingen een bedreiging. Het gevaar viel eigenlijk alleen te keren door onderlinge prijsafspraken en produktieregelingen.
Maar de Vereniging van Steenfabrikanten, opgericht in 1884, slaagde er niet in haar leden wat dat betreft op één lijn te krijgen; daarvoor waren de belangen van de moderne grootfabrikant en de traditionele steenbakker te tegen-
strijdig.
In 1907 lukte het zelfs niet een centraal verkoopkantoor op te richten. De Nederlandse steenbakkerij mocht dan de weg van de modernisering zijn ingeslagen, het was duidelijk dat ze nog veel te leren had.

naar inhoud 1900 naar index