|
DE
SPOORWEGSTAKING VAN 1903

Hoewel
de stakende haven- en spoorwegarbeiders
zich ook op het hoogtepunt van hun actie
doorgaans zeer gedisciplineerd gedroegen,
werden in de grote steden maatregelen genomen
om de orde te handhaven.
In Amsterdam leidde dat bijvoorheeld tot gewapende begeleiding
door politie en soldaten van sommige transporten.

Merkwaardige
dubbele spotprent
van (waarschijnlijk) extreem-linkse signatuur.
Ontslagen deelnemers aan de tweede spoorwegstaking, van april 1903,
verwijten Troelstra dat van de door hem en Oudegeest toegezegde
steun (links) niets terechtgekomen is.

Jan
Oudegeest, een van de leiders
van de vakbond voor spoor- en tramwegpersoneel.
Hij was tegen de staking, werd er door overvallen
en
moest vervolgens inderhaast proberen de zaak in de hand te houden.
|
|
DE
REIKWIJDTE
VAN EEN ARM
Even leek het erop
alsof de macht van de arbeiders
de gevestigde orde onderuit zou kunnen halen.
Maar Troelstra juichte in 'Het Volk' te vroeg.
De regering stelde snel orde op zaken.
Na het uitbreken van de spoorwegstaking dreigde in het gehele land de
chaos.
Enige tientallen gegoede Nederlanders begrepen hun plicht en stelden hun
automobiel beschikbaar om in ieder geval
het postverkeer zo goed mogelijk op gang te houden.
'Heel het raderwerk
staat stil
Als Uw machtige arm het wil.'
Deze tekst schreef
Pieter Jelles Troelstra in het socialis-
tische dagblad 'Het Volk' van zaterdag 31 januari 1903.
Het was de dag waarop
de spoorwegstaking haar hoogte-
punt bereikte. De SDAP-leider was diep onder de indruk van de macht die
de arbeiders blijkbaar toch konden ontwikkelen. 'Als ze het willen, hebben
we binnen enkele jaren het algemeen kiesrecht' schreef hij in hetzelfde
artikel. Maar al spoedig zou blijken dat de machtige arm toch niet ver
genoeg reikte. Weliswaar gaven de spoorwegdirecties nog diezelfde avond
op belangrijke punten toe aan de eisen van de arbeiders en kon de staking
worden beëindigd.
Maar de werkgevers en vooral de regering lieten het er niet bij zitten,
zoals later zou blijken.
AUTOMOBIEL ALS
STAKINGSBREKER
De staking was een
paar dagen tevoren begonnen.
Niet omdat de spoorwegarbeiders zelf met eisen kwamen al zouden
ze daar alle reden toe hebben gehad - maar uit solidariteit met de stakende
Amsterdamse havenarbeiders. Jan Oudegeest, die als vakbondsman veel werk
had verzet om de spoorwegarbeiders te organiseren in de Nederland-
sche Vereeniging van Spoor- en Tramweg-personeel (1898), had nog geprobeerd
de solidariteitsstaking te voorkomen: weiger geen werk als er een staking
van kan komen die je niet voorbereid hebt! Maar de Amsterdamse spoorweg-
werkers besloten desondanks in grote meerderheid hun makkers in de haven
te steunen en geen werk van hen over te nemen. In de stad heerste een
grimmige stemming. Onderkruipers uit Durgerdam die wel van plan waren
aan het werk te gaan werden in de buurt van hun dorp door woedende arbeiders
aangevallen met messen en knuppels.
Intussen was er inderdaad
niets voorbereid. De spoorweg-
staking begon volstrekt spontaan.
Toen een rangeerder op het emplacement in de Amster-
damse Rietlanden geschorst werd omdat hij een opdracht weigerde was dat
voor zijn collega's het sein het werk neer te leggen.
Spoorwegwerkers elders hoorden van de Amsterdamse actie en gooiden er
op hun beurt het bijltje bij neer.
De staking breidde zich als een olievlek uit - en er werden tegenmaatregelen
genomen. Politie en militairen kregen opdracht de terreinen en stations
te bewaken; de posterijen namen maatregelen om hun vervoer op andere wijze
te regelen. Hoewel de auto nog een zeldzame verschijning was kreeg de
Nederlandsche Automobielen Club er niet minder dan 26 bijeen om de PTT
te hulp te schieten. Want degenen die zich zo'n vervoermiddel konden veroorloven
waren danig geschrokken. Niet alleen omdat de spoorwegstaking het gehele
land dreigde lam te leggen, maar vooral ook omdat het succesvolle arbeidersverzet
een regelrechte bedreiging vormde voor de gevestigde orde.
PANIEK BIJ DE
LEIDING
Omstreeks 1900 waren
er in Nederland twee grote spoor-
netten: dat van de Hollandsche IJzeren Spoorwegmaat-
schappij en het net van de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen.
Beide bedrijven zaten in problemen door de snelle groei van het railverkeer.
Bij hun oprichting waren het kleine organi-
saties geweest waarin iedereen, van hoog tot laag, elkaar wel zo'n beetje
kende. Maar naarmate het spoorwegnet groeide werd de afstand tussen de
leiding en het personeel in beide organisaties groter. De directies begonnen
meer waarde te hechten aan de reglementen dan aan goede personeelsverhoudingen,
het middenkader hield er op
de terreinen en emplacementen stevig de wind onder en van vakbonden moest
de top al helemaal niets weten.
Als lonen en werktijden nu maar een beetje naar de zin van de arbeiders
waren geweest, zou het met de solidariteits-
staking van 1903 waarschijnlijk niet zo'n vaart hebben gelopen. Maar dat
was niet het geval.
Geen wonder dus dat de vlam in de pan sloeg toen
de Amsterdamse havenarbeiders hun makkers van 'het spoor' om steun vroegen.
In het land leidde
de stakingsgolf tot grote verwarring.
De stakers gedroegen zich weliswaar rustig - maar wat zou er niet allemaal
kunnen gebeuren? Zelfs voor Oudegeest waren de snelle ontwikkelingen een
schrikbeeld.
Toen de spoorwegstaking eenmaal een feit was had hij
de leiding ervan op zich genomen om de zaak zoveel mogelijk in de hand
te houden. Maar wat moest hij doen als er grote aantallen werkweigeraars
ontslagen zouden worden? Hoe zouden hij en zijn vakbond in zo'n geval
greep op de situatie kunnen krijgen en de werkgevers kunnen dwingen de
ontslagen stakers weer in dienst te nemen? Over looneisen wilde Oudegeest
op dat moment al helemaal niet praten; hem ging het er nu om te redden
wat er nog te redden was.
Voor de stakers was het een geluk dat de spoorwegdirecties geen weet hadden
van de bezorgdheid bij de stakingsleiding. Door knap spel kreeg Oudegeest
niet alleen gedaan dat
de werkweigeraars in dienst konden blijven maar dat bovendien zijn Vereeniging
werd erkend als gespreks-
partner. Meer zat er niet in, maar het was voldoende.
Op l februari toog iedereen weer aan het werk.
De rekening werd
later gepresenteerd. De regering-Kuyper kwam op korte termijn met wetsvoorstellen
waarbij het ambtenaren en spoorwegpersoneel werd verboden in staking te
gaan. Weliswaar kwamen er ook wat toezeggingen over verbetering van arbeidsvoorwaarden
bij de spoor-
wegen maar dat was op dat moment hooguit een doekje voor het bloeden.
Toen de 'worgwetten' begin april 1903 naar de Tweede Kamer gingen werd
de sfeer onder de Amsterdamse spoorwegarbeiders dan ook opnieuw uiterst
geladen.
Oudegeest, die van een nieuwe staking alleen maar onheil verwachtte, waarschuwde
wederom en ook Troelstra maande tot voorzichtigheid.
Maar de spoorwerkers luisterden liever naar Ferdinand Domela Nieuwenhuis
die het met zijn Sociaal-Democratische Bond vooral zocht in strijd en
spontane volksacties.
Toen er een nieuwe staking uitbrak, op 6 april 1903, zat er voor de SDAP
niets anders op dan zich achter de actie te scharen de enige mogelijkheid
om de greep op
de arbeiders niet volledig te verliezen.
Wat Oudegeest en Troelstra hadden gevreesd gebeurde:
de tweede spoorwegstaking, die op het laatste moment nog werd omgezet
in een landelijke werkstaking, liep uit op een falikante mislukking. De
regering had zich grondig voor-
bereid door op alle knooppunten militairen in te zetten om iedere ordeverstoring
de kop te kunnen indrukken.
Buiten Amsterdam nam het merendeel van de arbeiders niet aan de staking
deel, vooral om de harde opstelling van de spoorwegdirecties. Een magere
uitzondering was het station Staatsspoor in Den Haag waar stakers het
water uit de stoomlocomotieven lieten weglopen.
Domela Nieuwenhuis deed nog een poging: 'Wij fluiten op al die wetten,
die gemaakt zijn om onze beweging te dooden, want zij is niet te dooden!'.
Maar kort daarop liep de tweede spoorwegstaking dood in bittere berusting.
De tijd van de 'wilde' stakingen was daarmee zo goed als voorbij.
|