DE SCHOENENINDUSTRIE

  Stikken op een naaimachien

 

 

 

 

 

klik voor een groyer fotmaat

De leerstikkerij van een schoenenfabriek in Waalwijk.
Het lichte, machinale stikwerk werd voornamelijk door vrouwen gedaan.
Het zwaardere werk was voor de mannen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een jeugdige schoenarbeider (op goedkope klompen!)
bij het afwerken van de schoenzool.
De machine werd via een drijfriem aangedreven
door de centrale as van een stoommachine elders in het fabriekscomplex.

 

 

De schoenenindustrie van de Langstraat bleef lange tijd hangen tussen oud en nieuw.
Omstreeks 1900 verschenen de eerste fabrieken, maar
de thuiswerkers hielden het nog jaren vol.

De leerlooiers hielden het tussen honde- en duivedrek alleen maar uit zolang de baas twee keer per dag met de jeneverftes rond kwam. En wie voor de vakbond koos kreeg al gauw de naam 'een rooie' te zijn.

Schoenen werden al in de vorige eeuw in groten getale gemaakt in plaatsen als Waalwijk, Baardwijk, Dongen en Besoyen: dorpen in het slecht ontsloten gebied tussen Maas en Biesbosch dat bekend staat als de Langstraat.
Echt goede schoenen waren het niet, eerlijk gezegd; die moesten in die tijd uit Duitsland komen. De honderden thuiswerkers in Waalwijk en omstreken maakten massaprodukten, geen maatwerk.

Uit de Langstraat kwamen schoenen voor de gewone man
en voor het Nederlandse leger. De notaris en de schoenen-fabrikant zelf haalden ze van elders.

De komst van de stikmachine had tot gevolg gehad dat
de vakman thuis, de echte schoenmaker, het loodje legde tegen ongeschoolde arbeiders die in een loods op tamelijk eenvoudige wijze een schoen in elkaar konden stikken.
De stikmachine, eigenlijk een soort zware trapnaaimachine, vergemakkelijkte niet alleen het aanbrengen van de schoen-zolen maar ook het stikken van de schoenschacht.
Natuurlijk kwam er protest van de traditionele schoen-makers.
Ze demonstreerden op zaterdagavond en joelden:

Wie heeft het ooit gehoord,
Wie heeft het ooit gezien:
Schoenen stikken
op een naaimachien?

Maar al had ook niemand het ooit gezien, het gebeurde wel. Van een echte mechanisering was overigens pas sprake vanaf 1896, toen in Waalwijk een stoomfabriek voor de schoen-fabricage in bedrijf werd genomen. De huisarbeid verdween weliswaar niet geheel, maar het zwaartepunt van de produk-tie werd omstreeks 1900 geleidelijk toch verlegd naar de fabrieken.

WINSTMARGE TE KLEIN

Aanvankelijk zat het de fabriekseigenaren niet echt mee. Omdat juist in deze periode de inkoop van leer behoorlijk duurder werd konden de prijzen van de fabrieksschoenen niet worden verlaagd. Integendeel, ze zouden eerder omhoog moeten.
De winkeliers vertikten het echter die hogere prijs te betalen. Liever deden ze zaken met de kleine ondernemers in
de Langstraat die tegen lagere prijzen konden leveren, omdat ze bij de produktie hun familieleden inschakelden en aan hen goedkope arbeidskrachten hadden.

Voor de bedrijfstak als geheel was dat zeker geen winstpunt. De kleine ondernemers legden uiteindelijk toch het loodje en de grotere fabrikanten konden geen kant op omdat hun winstmarge te klein bleef.
Pas toen ze de kwaliteit van hun produkt verbeterden en steeds verder mechaniseerden begon het ze weer een beetje voor de wind te gaan.
De modernste schoenfabrikant, Van Schijndel, slaagde er zelfs in voor de export te gaan werken omdat hij zijn gehele produktieproces gemechaniseerd had.

DE GEVAARLIJKE VAKBOND

Wie niets moest hebben van de gedisciplineerde arbeid in een fabriekshal, vol lawaaierige machines en een werkbaas die het tempo erin hield, werkte in die tijd thuis. En dat waren er in de Langstraat aanvankelijk heel wat.
Zelfs toen het voor thuiswerkers steeds moeilijker werd bleven ze aarzelen: toch maar naar de fabriek of misschien zelf een bedrijfje beginnen? Dat laatste was aanlokkelijk, maar dan moest je financieel wel tegen een stootje kunnen.

Wie eenmaal voor de fabriek had gekozen kreeg met een ander probleem te maken: zich aansluiten bij 'het tak',
de vakbond, of toch maar niet?
Wie het deed heette vooral in de kleinere dorpen al gauw 'rooie Piet' of werd zonder pardon op straat gezet, ook al was de vakvereniging rooms-katholiek en heette ze Sint Crispijn.

Zo werd een jochie dat op verzoek van mijnheer kapelaan
het vaandel van die R.K. Vakvereeniging droeg, de volgende maandagmorgen vroeg om zes uur bij de baas geroepen,
"t Ies hier oew leste week,' werd hem toegesnauwd.
De vader van het ventje had immers bezworen 'dagge geen lid van de fak waart'...

De fabrikanten en boeren van de Langstraat wilden niks weten van een vakbond, ook al hadden ze in de kerk horen preken over de sociale encycliek van paus Leo XIII. En al maakten sociale priesters hen duidelijk dat christelijke bonden absoluut geen rooie bonden waren.

EEN ZWAAR LEVEN

Het vuilste werk in de schoenenindustrie was vanouds de verwerking van de koeiehuiden. Weliswaar waren omstreeks 1900 nieuwe looitechnieken in gebruik gekomen - smerig werk bleef het. Ook bij het nieuwe systeem moesten de huiden worden ingesmeerd met honde- en duivedrek, en wie dat werk deed stonk 's avonds uren in de wind.
Troost bood alleen dejeneverfles; de baas kwam er twee keer per dag mee langs.

Maar ook in de fabriek, met zijn tientallen machines, was het niet prettig werken. Het lawaai was oorverdovend, de lucht onaangenaam, het tempo hoog.
De machine werd nooit moe en de man of vrouw erachter moest het, in een ongezonde houding, maar zien bij te benen, tien uur per dag.
En opletten bleef het, want een ongeluk zat in een klein hoekje. De scherpe messen en priemen veroorzaakten heel wat bedrijfsongelukken.

Thuis wachtte dan vervolgens vaak een groot gezin met kleine kinderen.
Eten ging nog wel en de kachel brandde meestal ook.
Maar waar moesten de centen vandaan komen voor een nieuwe pet, voor kleren en klompen?
En wat als er weer een kleine kwam? Wie betaalde de vroedvrouw?
En wie de dokter als een kind ziek werd of erger nog de gevreesde tering toesloeg?
Zo romantisch als sommige schilderstukjes uit die tijd ons willen doen geloven was het leven van de arbeider omstreeks 1900 niet.
Ook niet in die afgelegen Langstraatdorpjes tussen Noord- en Zuid-Nederland, met een nijverheid die lange tijd bleef aarzelen tussen ambacht en industrie.

naar inhoud 1900 naar index