Het straatbeeld van de stad




De impressionist George Breitner
heeft het Amsterdamse stadsbeeld van omstreeks de eeuwwisseling vastgelegd op tientallen schilderijen en een groot aantal foto's.
Deze laatste blijkt hij vaak te hebben gebruikt
als model voor zijn doeken.
Ze vormen nog steeds een belangrijke bron
voor visuele informatie over de hoofdstad in die jaren.


 

 

Romantiek onder
de gaslantaarn


Veel meer dan nu leefde de Nederlander van meer dan een eeuw geleden op straat.
Auto's reden er nauwelijks en de buren kenden elkaar, ook in
de stad.
En de leveranciers kwamen ook daar nog aan huis.

Hoe laat het was kon je zien op de kerkklok, en als je die niet meer kon zien wist je, althans in de stad, ook wel hoe laat het was omdat de lantaarnopsteker langs kwam om de 'vleer-
muizen'aan te steken.
Voor meisjes was het dan tijd om naar huis te gaan.

Aan de straat stond het huis waarin je woonde.
In de straat speelden de kinderen en liepen de opgroeiende meisjes gearmd heen en weer.
Knechten duwden er handkarren voort en werden opzij geschreeuwd door voerlieden op hun paardenwagens.
In de portieken zaten op lange zomeravonden vrouwen en mannen op rechte stoelen boontjes te vlezen en hun pijp te roken; ze bespraken de nieuwtjes van de buurt.
Oude foto's laten het zien. Buren waren nog geen vreemden
voor elkaar.
Of het nu in een buitenwijk was of in het centrum, de straat
had een grotere sociale betekenis dan nu.
Dat gold natuurlijk ook voor het dorp, maar in de stad was
het drukker en viel meer te beleven.

Veelvuldig bezongen zijn de binnenstad van Amsterdam,
de schilderachtige straten en grachten van Leiden en Delft,
het kalme straatbeeld van Kampen, de Bossche Markt,
Arnhem met zijn deftige heren op het Velperplein,
het voorname 's-Gravenhage en het rauwe, volkse Rotterdam waar de sloper het rosse leven van de Zandstraat nog niet had verjaagd.



 

 

 

 

 

 

 

Het 'Eendrachtsbeeld' van Louis Royer op de Dam,
ongeveer op de plaats waar nu het Nationaal Monument staat.

Het beeld, dat de herinnering moest levend houden
aan de Tiendaagse Veldtocht tegen de opstandige Belgen in 1830,
werd in 1856 onthuld.
In de weinig eerbiedige Amsterdamse volksmond
heette het al spoedig 'Naatje'.

In april 1914 werd 'Naatje' verwijderd
om het verleggen van de tramrails mogelijk te maken.

 

 

IN DAT OUD AMSTERDAM...

De straten waren vuiler en stoffiger dan nu.
Vuiler door de paardevijgen en de goten die voor meer dienden dan de afvoer van hemelwater alleen; stoffiger, met name in
de zomer, door de keibestrating en omdat trottoirs vaak ont-
braken.

De straat was nog in hoge mate het domein van de kinderen.
De kinderen speelden 'Schipper mag ik overvaren',
de kwajongens waren aan het bokspringen.
Er werd gehinkeld en gehoepeld, met bikkels en knikkers gespeeld.
Als het de tijd daarvoor was kwam ieder zijn kunsten vertonen met zweep- of priktol:
'Koperslager vuur en vlam, wie het langste tollen kan'.

George Breitner is de schilder van Amsterdam aan het fin de siècle.
Op tientallen doeken en in bijna tweeduizend foto's laat hij zien hoe druk, gezellig en melancholiek de hoofdstad omstreeks
de eeuwwisseling was:
de zwoegende trekpaarden op de bolle bruggen; het miezerige van de grachten in de regen.

Op de Dam stond nog het 'Monument van de Volkswil 1830', ofwel het 'Eendrachtsbeeld'.
Het was bedoeld geweest om na de 'muiterij' van de Belgen
het vaderlandse gevoel te strelen.
Maar de oneerbiedige Amster dammers kenden het alleen nog als 'Naatje van de Dam'.
Om het monument lag een klein plantsoentje waar schoen-poetsers hun klanten bedienden en naar het woord van Maurits Dekker 'de rondom het monument groeiende planten met
het sap hunner tabakspruimen luisvrij trachtten te houden'
.

Voorjaar 1914 werd 'Naatje' weggehaald en zongen
de Amsterdammers:

En Naatje van de Dam,
Die moet verdwijnen
voor de elektrieke tram...

De Kalverstraat was bekend om de vele cafés.
De 'Oude Karseboom' was een ontmoetingsplaats van letter-kundigen. Men kon er ook eten, goedkoop en goed; vaak stamppot en, als toetje, rijst met pruimen of gort en rozijnen.
Provincialen die in Amsterdam waren mochten er graag aanschuiven.
In hotel-restaurant 'De Oude Graaf' aten vooral buitenlanders en kooplui.
In de Kalverstraat, maar vooral in de bierhallen aan
de Warmoesstraat, waren vrijwel alle biersoorten te koop;
hier geuzenlambiek, daar het echte Pilsner bier.
Dat vooral de Duitse bieren en drinkgewoonten ingeburgerd raakten, was wel duidelijk.
Maar toch bleef er vraag naar een fladderakkie en een poesje; naar kummel of kirsch en naar de Spaanse, Portugese, Italiaanse en Hongaarse wijnen zoals die bijvoorbeeld geschonken werden in de 'Continental Bodega' bij de Munt.

 

 

 

Amsterdamse uitdragerij in 1904.
Een deel van het leven in de stad speelde zich,
meer dan tegenwoordig, op straat af,
zeker in volkswijken als de Jordaan
en de inmiddels verdwenen jodenbuurt.
In zulke wijken kenden de meeste bewoners elkaar
alsof ze op een dorp woonden.

 


AAPJES EN VLEERMUIZEN

Iedere grote stad had haar pleinen die vaak nog aantrekkelijker waren dan de straten.
Voor de Amsterdammers was hèt plein natuurlijk
het Rembrandtplein.
Daar flaneerde men langs 'Schiller', daar lag de 'Mille Colonnes', daar stond het Rembrandttheater met eronder een nachtcafé.

En niet te vergeten de 'Nieuwe Karseboom': een groot café waar twee orkesten de gezelligheid probeerden te verhogen.
'Aapjes' en 'Ataxen' wachtten er op de uitgaanders die naar huis gereden wilden worden.

's Avonds kwam de lantaarnopsteker en deed met zijn lange stok de gaslampen aanfloepen.
Wegens de brede en nogal opmerkelijke vorm heette zo'n lamp een 'vleermuis'.
Later kwam het gaskousje en nog later de elektrische straat-lamp die een veel helderder en gelijkmatiger licht uitstraalde.

Overal in de stad reden handkarren en voerlui met paard en wagen, een enkel rijtuig, en in sommige straten af en toe
een tram.
Bakker, slager, melkboer en groenteman kwamen dagelijks aan de deur 'horen'; vrijdags verscheen ook de visboer en bij tijd en wijle belden textielhandelaars en venters van huishoudelijke artikelen aan om hun waar te slijten.
Politieagenten deden te voet hun ronde en bestreden de overlast van dronkelappen, ruziemakers of baldadige straatjongens.
De kerkklok gaf aan hoe laat het was; schoolkinderen en wie op weg was naar zijn werk wisten dan in elk geval of ze zich moesten haasten. Want wie droeg er nu een horloge in die tijd?

naar inhoud 1900 naar index