|
DE
RUSSISCH-JAPANSE OORLOG

Voorjaar
1904
maakte de Russische Oostzeevloot
zich in Kronsjstadt aan de Finse Golf in alle haast gereed voor vertrek
naar het oorlogstoneel in het Verre Oosten.
Voor Nederland rees een probleem:
zouden de Russen in Nederlands-Indië willen bunkeren?

Manschappen
van het Tweede Japanse Legerkorps
gaan in de buurt van Port Arthur aan wal.
Rusland verloor de oorlog tegen de Japanners nagenoeg kansloos:
de eerste overwinning van een Aziatisch land op een westerse mogendheid.
Ook voor Batavia een verontrustend vooruitzicht.

Gouverneur-generaal
J.B. van Heutsz zat in 1904,
samen met de Nederlandse regering, met een probleem:
zou de Russische Oostzeevloot in Nederlands-Indië
willen bunkeren of niet?
De 'held van Atjeh' hoefde het niet op te lossen;
de schepen van de tsaar voeren zijn eilandenrijk voorbij.
|
|
BATAVIA
TUSSEN WAL EN SCHIP
De oorlog tussen
Rusland en Japan dreef Nederland heel even in het nauw: hoe door te zeilen
tussen de verlangens van de een en de eisen van de ander? Dat probleem
ging gelukkig voorbij.
De opkomst van Japan
als mogendheid stelde het gouvernement in Batavia voor bijna onoverkomelijke
problemen.
Tokio geven wat het wellicht terecht eiste, kon de deur openzetten voor
ontwikkelingen die Batavia per se wilde tegenhouden.
Op 10 februari 1904
brak in Azië een oorlog uit tussen Rusland en Japan. Nederland verklaarde
zich traditiegetrouw neutraal, maar dreigde toch in het conflict betrokken
te raken. De tsaar besloot namelijk zijn Oostzeevloot via de Noordzee
en de Middellandse Zee naar het Verre Oosten te sturen om de Japanners
af te straf-
fen. Het was een verre reis die nogal wat voorbereidingen vergde; de Russische
vloot moest onderweg bijvoorbeeld steenkool bunkeren.
Een voor de hand liggend bunkergebied was Nederlands-Indië. Onder
bepaalde voorwaarden wilde de Nederlandse regering
de vloot toestemming geven brandstof in te nemen in de overslag-
haven Sabang, bij een maatschappij op de noordwestpunt van Sumatra waarmee
de Russische regering een jaarcontract had.
Op grond van internationaal aanvaarde opvattingen zou dat
de Nederlandse neutraliteit niet in gevaar brengen. De Japanse regering
was echter een andere mening toegedaan.
Zij liet Den Haag weten dat een onbeperkte levering van steenkool aan
de Russen Nederlands-Indië voor haar tot een vijandelijke basis zou
maken.
Met die mededeling zaten de Nederlandse regering en de gouver-
neur-generaal van Nederlands-Indië, J.B. van Heutsz, in een moeilijk
parket.
Als Tokio het toelaten van de Russische oorlogsbodems in
de territoriale wateren van Nederlands-Indië zou opvatten als
een oorlogsdaad, zou Nederland betrokken kunnen raken in
de Russisch-Japanse oorlog. Die mogelijkheid leek toe te nemen toen Japan
eind 1904 twee kruisers richting Nederlands-Indië dirigeerde.
Toen dit nieuws bekend raakte, werd de Nederlandse vloot in Nederlands-Indië
in de hoogste staat van paraatheid gebracht;
de regering leek bereid de neutraliteit gewapenderhand te verde-
digen.
Op Eerste Kerstdag 1904 kwamen de Japanse schepen aan op
de rede van Tandjong Priok. Tot ieders opluchting vertrokken ze de volgende
dag echter weer naar hun thuisbasis. De Russische vloot bunkerde uiteindelijk
in de Franse koloniën en passeerde eind april/begin mei de Indische
zeestraten zonder dat ze door Nederlandse patrouillevaartuigen was opgemerkt.
Over de terug-
keer van de Oostzeevloot ontstond geen probleem:
ze werd op 30 mei 1904 volledig vernietigd bij Tsoesjima.
DE POSITIE VAN
DE JAPANNERS
Sinds de teruggave
van Nederlands-Indië door Engeland, in 1815, was de Nederlandse neutraliteit
en Nederlands positie als koloniale mogendheid in Oost-Azië nog nooit
zo in gevaar geweest als in die zenuwachtige dagen van 1904.
Toch was al in de
tweede helft van de 19e eeuw het bezit van Indië voor Nederland onzeker
geworden. Doordat de grote Europese mogendheden op zoek waren naar nieuwe
koloniën en markten, waren ook de machtsverhoudingen in Azië
sterk gewijzigd. Duitsland was zeer actief op zoek naar koloniaal gebied;
de Verenigde Staten hadden zich meester gemaakt van de Filip-
pijnen. En de zekerheid van vroeger, dat Engeland de Nederlandse bezittingen
in Azië in geval van nood wel zou verdedigen, was ondergraven door
het imperialistische Britse expansionisme.
De grootste bedreiging leek echter uit te gaan van Japan, dat sinds 1868
bezig was zich te ontwikkelen tot een moderne industriële mogendheid.
Tokio had niet alleen behoefte aan grondstoffen, afzetmarkten en emigratiegebieden,
maar wenste door de wester-
se grote mogendheden ook als gelijke te worden behandeld.
Japan wilde daarom in elk geval afschaffing van de bijzondere positie
die de westerse landen zich tussen 1850 en 1865 in geheel Azië hadden
verworven.
Engeland, Frankrijk
en de Verenigde Staten wilden die concessie wel doen, en in 1896 besloot
ook Nederland zonder problemen tot afschaffing van de ongelijkwaardige
verdragen met Tokio. Problemen rezen er wel over het verlenen van een
gelijkberechtig-
de positie aan de Japanners in Nederlands-Indië.
Het Indische gouvernement verzette zich daar met hand en tand tegen.
Binnen de Indische samenleving wilde het liever alles bij het oude laten,
met name in de verhouding tussen de drie bevolkings-
groepen: de inheemse, de Europese en de Aziatische.
Die verhouding garandeerde immers een overheersende positie van de Europeanen.
Batavia vond de eis van juridische gelijkstelling tussen Europeanen en
Japanners dan ook ongehoord. Zo'n maatregel was uitgesloten, want de Japanners
waren geen christenen.
Ook het raciale element speelde een rol. Het Indische gouverne-
ment zag de bui al hangen: nog even en China zou dezelfde eis stellen,
waarna andere niet-westerse bevolkingsgroepen niet zouden achterblijven.
Eén stap verder en ook de inheemse bevolking zou voor de deur staan.
Het probleem was vooral ingewikkeld omdat Batavia wél wilde dat
Den Haag met Japan een voor Indië gunstig handelsverdrag zou sluiten.
Maar Tokio was daartoe alleen bereid als de gelijkberechtiging werd aanvaard.
In het verdrag dat in 1896 tot stand kwam, was een compromis opgenomen
dat schijnbaar aan de eisen van Batavia tegemoetkwam. In de praktijk bleek
het echter zo broos dat al in 1899 - na Japanse druk in Den Haag - de
wettelijke gelijkstelling tussen Europeanen en Japanners in Nederlands-Indië
een feit werd. De Japanse bevolkingsgroep in de gehele archipel bedroeg
toen overigens slechts 463 Japanners.
BEGIN VAN HET
EINDE
Ondanks alle opwinding
over de 'Japannerwet' van 1899 richtte
de aandacht zich steeds meer op de militaire dreiging die van Tokio leek
uit te gaan. Vóór 1900 scheen Japan zich vooral te zullen
ontwikkelen tot een regionale mogendheid. Dat het land voor de westerse
mogendheden een militaire bedreiging zou kunnen vormen werd, bij verrassing,
pas duidelijk tijdens
de Russisch-Japanse oorlog die eindigde in een eclatante overwinning van
de Japanners: voor het eerst in de moderne geschiedenis was een westerse
staat verslagen door een Aziatische.
Voor Nederland was deze uitkomst extra bedreigend omdat Den Haag heel
goed wist dat het vlooteskader in het Verre Oosten Indië nooit zou
kunnen verdedigen tegen een serieuze aanval.
Tot overmaat van ramp had Engeland in 1902 met Japan een vriendschapsverdrag
gesloten - en juist de Britse bescherming had anderen moeten afschrikken
van gewapende acties.
Als gevolg van de
Russisch-Japanse oorlog ging Batavia voor het eerst aandacht besteden
aan de territoriale verdediging waarin ook het koloniale leger een taak
kreeg toebedeeld. Andere kant van de medaille was de stimulerende werking
van de Japanse overwinning op de inheemse bevolking. De Europeanen waren
niet onoverwinnelijk gebleken. Bood dat de Indonesiërs niet de mogelijkheid
het heft eindelijk weer in eigen hand te nemen?
De kiem voor de nationalistische beweging was daarmee gelegd.
|