ROOMS-KATHOLIEKE IDEEËN

 

 

 

 

 

Paus Leo XIII,
hier op een gedenkplaat uit 1893
afgebeeld temidden van de Nederlandse bisschoppen,
gaf met de encycliek 'Rerum Novaruin'
het signaal dat ook de Nederlandse katholieken wakker schudde
uit hun onverschilligheid ten aanzien van de sociale kwestie.
De vaagheid van de encycliek leidde wel tot onenigheid over de uitleg ervan.

 

Het eerste bestuur van het Bureau van de R. K. Vakorganisaties.
Tot na de Tweede Wereldoorlog
zou binnen de katholieke arbeidersbeweging
het verschil tussen vak- en standsorganisatie blijven bestaan.
De eerste behartigde de materiele belangen van haar leden,
de standsorganisatie zag toe op hun godsdienstig-zedeïijke heil
en had lange tijd de prioriteit van het episcopaat.

 

'Rerum Novarum',
hoe vaag ook, gold in katholieke kring jarenlang
als leidraad voor het handelen van patroons en arbeiders
en hun onderlinge verhouding.
Het verschijnen ervan werd op voorkomende momenten gevierd
met optochten en manifestaties.
Pas in de tweede helft van de 20e eeuw groeide ook in katholieke kring
het besef dat het pauselijke schrijven uit 1891
toch wel wat begon te vergelen, ook in figuurlijke zin.

 

PAARSE VINGER
IN DE PAP

 

Pas na het verschijnen van de encycliek 'Rerum Novarum' begonnen de Nederlandse katholieken na te denken over
de sociale kwestie. Lange tijd hadden ze die als onoplosbaar beschouwd.

Geestelijk adviseurs speelden een belangrijke rol in de katholieke organisatievorming.
Ze waren de ogen, oren en handen van de Nederlandse bisschop-
pen die via deze priesters een sterke greep hielden op wat er in
de katholieke bonden en verenigingen gebeurde.

Evenals protestanten en socialisten keerden ook de rooms-katholieken in Nederland zich tegen de maatschappijvisie van
de liberalen. Dezen zagen de samenleving als een verzameling individuen die in vrijheid hun onderlinge betrekkingen moesten regelen, op grond van eigen belangen en voorkeuren.
Voor de staat restte de taak de orde in de maatschappij te handhaven en de burgers in staat te stellen zich in vrijheid te ontplooien. Dit laatste kon overigens wél leiden tot een verregaand overheidsingrijpen. Indien geschiedenis, traditie of bestaande verbanden de vrijheid van het individu belemmerden, diende volgens de liberalen de staat onverwijld in actie te komen.

 

DOORBRAAK IN 1891

De Nederlandse katholieken aanvaardden aanvankelijk
de standenmaatschappij en geloofden in de rechtvaardigheid van een organische, gelede samenleving. De sociale kwestie was in
hun ogen onoplosbaar omdat ze een gevolg was van zonde en menselijke onvolkomenheid. Ze bestreden de armoe hooguit met liefdadigheid en armenzorg.
Dat gebeurde vooral in plaatselijk verband en door middel van parochiële organisaties. Nog in 1883, in het door Schaepman opgestelde, eerste katholieke beginselprogramma, werd naar aanleiding van de maatschappelijke vraagstukken slechts de wens uitgesproken naar een striktere handhaving van de zondagsrust en een grotere vrijheid voor de liefdadigheid.

De doorbraak kwam in 1891, niet uit Nederland maar vanuit Rome. In de encycliek Rerum Novarum erkende de leiding van
de rooms-katholieke kerk de sociale nood, maar wees ze tegelijkertijd het socialisme af. Het privé-eigendom mocht niet worden aangetast; de staat diende geen grote rol te spelen in
de samenleving; gezin, school en bedrijf hadden hun eigen orde
en autonomie. De verschillende sociale groepen moesten samenwerken als leden van één lichaam. Maar de encycliek beklemtoonde ook het nut en het recht van de arbeiders-
organisatie, al bleef de kerk daar nogal vaag over.
Zo gaf de encycliek geen antwoord op de vraag of ook de patroons lid moesten of mochten zijn van zulke organisaties, of deze op interconfessionele grondslag opgezet dienden te worden en wat intern de verhouding zou zijn tussen leken en geestelijkheid.
Over al deze vragen zouden binnen het Nederlandse katholicisme dan ook ferme ruzies ontstaan.


STANDS- EN VAKORGANISATIES

In 1889 richtte de priester Alfons Ariëns in Enschede
de R.K. Werkliedenvereeniging 'St. Joseph' op, de eerste katho-
lieke vereniging waarvan alleen arbeiders lid konden worden.
Aartsbisschop P.M. Snickers benoemde Ariëns tot geestelijk adviseur van 'St. Joseph': een nieuwe functie die van grote betekenis zou blijken voor de katholieke arbeidersbeweging.

Een jaar later bleek bij een staking dat 'St. Joseph' te zwak was
om een vuist te kunnen maken. Daarom werd in 1891 naast
de Werkliedenvereniging de Twentse R.K. Fabrieksarbeidersbond opgericht. Deze dubbele structuur binnen de katholieke arbeiders-
beweging zou tot na de Tweede Wereldoorlog blijven bestaan.

Standsorganisaties zoals 'St. Joseph' waren gericht op de algemene verheffing van de arbeidende stand en op de behartiging van diens godsdienstig-zedelijke belangen; vakorganisaties als de Twentse Fabrieksarbeidersbond hadden de materiële belangenbehartiging tot doel.
De dubbele structuur leidde tot problemen. Mede onder invloed van Ariëns, en naar het voorbeeld van de christelijke textiel-
arbeidersorganisaties in Duitsland, kwam daarom in 1896
de vakbond 'Unitas' tot stand, waarvan zowel katholieke als protestantse arbeiders lid konden worden.
Ook in het Limburgse mijngebied werd in 1907 zo'n interconfes-
sionele vakbond opgericht.

Bij interconfessionele bonden was uiteraard geen plaats voor een geestelijk adviseur (bij de Duitse christelijke vakbonden bestond die functie niet eens) en bovendien konden dergelijke bonden moeilijk alle leden verplichten tot het lidmaatschap van een standsorganisatie - ook al pleitten sommige rooms-katholieke geestelijken daar wel voor. Binnen die geestelijkheid gingen overigens ook wel stemmen op de ontwikkeling van interconfes-
sionele bonden te aanvaarden. In 1906, in hun eerste gemeen-
schappelijke verklaring sinds het herstel van de bisschoppelijke hiërarchie in Nederland, sprak het Nederlandse episcopaat zich echter zeer beslist tegen zulke bonden uit. Het was hun verlangen, zo lieten de bisschoppen weten, dat de katholieke arbeiders zich verenigden in katholieke organisaties. In 1912 grepen ze zelfs naar hun uiterste machtsmiddel en verboden zij de katholieken het lidmaatschap van 'Unitas' op straffe van uitsluiting van de sacra-
menten. Voor de Limburgse mijnen werd een uitzondering gemaakt.

 

COÖPERATIES OP HET PLATTELAND

Toen de vakorganisaties op deze wijze geheel katholiek waren gemaakt, werd. de verhouding tot de standsorganisaties opnieuw een probleem. Sommigen wilden de vakorganisaties tot basis van' het' katholieke leven verklaren en de standsorganisaties tot een onderdeel ervan.
In 1916 verwierpen de bisschoppen deze opvatting.
De standsorganisatie behartigt algemene rooms-katholieke belangen, zo meende het episcopaat, en dient daarom de belang-
rijkste katholieke organisatievorm te zijn. De vakvereniging daarentegen behartigt slechts de specifieke belangen van
de arbeiders in de verschillende bedrijven.
De bisschoppen dwongen de vakorganisaties vervolgens een aantal onderdelen van hun werk over te dragen aan de stands-
organisaties.

Ondanks alle mzies en spanningen werkte de katholieke organi-
satievorming uitstekend. De arbeiders onderwierpen zich aan het gezag van de bisschoppen en ook in andere sectoren ging het
de katholieke organisaties voor de wind. De Noordbrabantse Christelijke Boerenbond, opgericht in 1896, had in 1900 al zo'n 12.000 leden. De bond legde grote nadruk op de verdieping van het godsdienstige leven en de bescherming van agrarische huiselijkheid en zedelijkheid door het ontraden van contacten met de stad. Maar hij deed ook aan rechtstreekse belangenbehartiging.

Zo ontstonden onder zijn vleugels talloze coöperatieve dorps-
verenigingen voor commerciële zaken als fabrieksmatige boter-
bereiding, gemeenschappelijke inkoop, onderlinge kredietverlening en het verzekeren van vee.
Hoewel deze coöperaties tevens een middel waren waarmee
de boerenbonden strijd voerden tegen de middenstand - die
de boeren jarenlang had uitgebuit - verbood de geestelijke leiding hen eigen winkels te exploiteren.
Op grond van de door haar bepleite, organische maatschappij-
vorming was deze immers ook voor een sterke middenstand, mits die zich beperkte tot haar eigenlijke taak.

naar inhoud 1900 naar index