PROTESTANTS-CHRISTELIJKE IDEEËN

 

 

 

 

 

 

 

 

Vaandel van de Christelijke Werkliedenvereeniging
''Maarten Luther',
een van de organisaties van christelijke arbeiders
die aan het einde van de 19e eeuw werden opgericht.

 

 

 

 

 

 

Rechts op de foto ds. A.S.Talma
die in 1900 de sterke man werd
in het nieuwe bestuur van 'Patrimonium'.
In het beleid van deze organisatie
bracht hij een beslissende verandering tot stand.

 

 

 

 

 

 

 

van links naar rechts:

De Amsterdamse bierbrouwer W. Hovy,
medestander van Kuyper en werkgever van Klaas Kater
die in 1900 werd gewipt uit het bestuur van 'Patrimonium'.

Klaas Kater
verloor de strijd tegen Talma c.s.,
niet alleen in 'Patrimonium' maar ook in de ARP.
Zijn ideeën over een harmonieuze oplossing
van de sociale kwestie hielden weinig verband met de werkelijkheid.

De gereformeerde theoloog H. Bavinck
was Katers bondgenoot
in de strijd tegen Talma en diens ideeën.
Beiden meenden dat de bijbel aanspoorde tot gehoorzaamheid,
ook in de moderne arbeidsverhoudingen.

 

Harmonie of conclict?

 

 

In orthodox-protestantse kring werd aan het einde van de 19e eeuw gediscussieerd en geruzied over de wijze waarop arbeiders zich moesten organiseren.
Stonden ze naast of tegenover de werkgevers?


Patrinoniumvoorzitter Klaas Kater zag de onderneming als
een plek waar baas en knechten, als ze de bijbelse opdracht volgden, in harmonie met elkaar konden verkeren. Zijn grote tegenstander was nota bene een man Gods: de predikant
A. S. Talma.


In 1900 werd het bestuur van het Nederlandsch Werklieden-verbond 'Patrimonium' vervangen. Bij deze bestuurswisseling
trad de 67-jarige Amsterdamse metselaar Klaas Kater, ooit
de eerste vrijgestelde van deze vereniging van orthodox-protestantse werklieden, af als voorzitter.
De belangrijkste man in het nieuwe bestuur werd ds. A.S. Talma. De bestuurswisseling, waaraan nogal wat ruzies waren vooraf-
gegaan bracht een beslissende wijziging in het beleid met zich mee.

Kater was sinds de oprichting van 'Patrimonium' in 1876 bij
de vereniging betrokken geweest. Aanvankelijk had zij vooral werklieden op de Amsterdamse Kadijken en de oostelijke eilanden georganiseerd, buurten waarin Abraham Kuyper zijn grootste aanhang had. In 1886 was hier de Funenkerk gebouwd, het eerste gereformeerde kerkgebouw van de hoofdstad.
Ook stond er de bierbrouwerij van W. Hovy, de steenrijke mede-
stander van Kuyper. Klaas Kater werkte er als onderhoudsmetse-
laar.

De patriarchale verhoudingen in het bedrijf van Hovy waren voor Kater en 'Patrimonium' de bevestiging van hun maatschappelijke analyse en het bewijs van de uitvoerbaarheid van hun remedie.
De sociale kwestie was in hun ogen een gevolg van het ongebreideld egoïsme van ondernemers en arbeiders. Als beide groepen op hun eigen plaats hun plicht zouden doen, zou aan alle ellende vanzelf een einde komen. Tegen staatsingrijpen op sociaal gebied waren Kater c.s. ten zeerste gekant.

'Patrimonium' was dus geen radicale beweging. Tot 1895 was het verbond gestaag gegroeid, tot het uiteindelijk zo'n 13.000 leden telde: de grootste organisatie van werklieden in Nederland.
De vereniging, zo lijkt het, organiseerde vooral de meer geschoolde ambachtslieden. Daarnaast kende ze buitengewone leden als dominees, fabrikanten en burgemeesters, die het bestuur advi-
seerden en lezingen hielden.
De belangrijkste aantrekkingskracht van 'Patrimonium' was
de onderlinge fondsvorming ter bescherming bij persoonlijke tegenslagen van de leden, zoals ziekte en het overlijden van
de kostwinner. Verder was het verbond uit op zedelijke en religieuze vorming. Die kon zeer verschillende vormen aannemen. Zo trokken leden van de afdeling Leiden er iedere zondag op uit om dobbelaars op te wekken hun spel te staken en traktaten op gereformeerde grondslag uit te delen. Een politiek strijdbare organisatie was 'Patrimonium' in geen enkel opzicht.

 

KUYPER HOUDT HET MIDDEN

Toch leidde het bestaan van het verbond tot spanningen binnen
de ARP, de politieke organisatie van de orthodox-protestanten. Klaas Kater raakte verbitterd dat de partij bij het opstellen van
de verkiezingslijsten geen plaats gunde aan leden van 'Patri-
monium' — waarbij hij niet in de laatste plaats aan zichzelf dacht. Aan het einde van de jaren tachtig vond hij een middel om de ARP onder druk te zetten.
In deze periode drong de Friese afdeling van 'Patrimonium' aan op het opstellen van een sociaal programma. De agrarische crisis was vooral in Friesland bitter en bovendien was de provincie al gedurende de gehele 19e eeuw de organisatorische gangmaker van protestants Nederland geweest.

In 1891 organiseerde Kuyper in Amsterdam een Chnstelijk-Sociaal Congres waaraan vertegenwoordigers van de gehele protestantse orthodoxie deelnamen: voor het eerst sinds de Doleantie ontmoet-
ten gereformeerden en hervormden elkaar hier weer officieel. Kuyper hield op het congres de belangrijkste redevoering.
In die toespraak betitelde hij de verschillende maatschappelijke kringen (de familie, het onderwijs, de wetenschap, de economie) als zelfstandige gebieden die elk hun eigen ordening moesten aanbrengen. Op die manier moest de autonomie van de maat-
schappij tegenover het individu en de staat worden gered. Maar juist over het belangrijkste punt, de rol van de staat, was Kuyper niet helder. Hij liet in het midden of de staat taken mocht over-
nemen als een levenskring in gebreke bleef of dat de overheid uitsluitend voorwaarden mocht scheppen voor de eigen ontplooiing van die kringen.
Ook in ander opzicht waren Kuypers opvattingen tamelijk eigenzinnig en eigenlijk niet rechtstreeks toepasbaar. In zijn toespraak leverde hij wél een rechtvaardiging voor een maat-
schappelijke organisatie, maar niet voor een organisatie op kerkelijke grondslag.
De door hem opgerichte Vrije Universiteit bijvoorbeeld behoorde in zijn ogen vrij te zijn van invloeden van staat én kerk. Maar
de meeste congresgangers waren nu juist betrokken bij organi-
saties die wél berustten op confessionele of kerkelijke grondslag. Kuyper was overigens als denker wazig en als politicus flexibel genoeg om zulke verschillen op beslissende momenten als dit congres niet al te zeer te benadrukken.
Op het Christelijk-Sociaal Congres kwamen deze dubbelzinnig-
heden ook nog niet echt tot uiting. De deelnemers accepteerden het recht van staking (maar alleen als uiterste middel) en het principe van de organisatie van arbeiders per bedrijfstak.
Als ideaal zag men een situatie waarin de staat verplichtend zou opleggen wat arbeiders en werkgevers zelf overeen waren gekomen. Voorts zag men uit naar arbeids- en bedrijfsorganisaties, naar het instellen van Kamers van Arbeid en naar een Wetboek van de Arbeid.

 

KATER ACHTERHAALD

Het eerste concrete gevolg van het congres was de oprichting van 'Boaz', een vereniging van christelijke werkgevers die liever geen lid wilden worden van 'Patrimonium'. Kater was hierover zeer teleurgesteld omdat de oprichting in tegenspraak was met zijn ideaal van harmonie tussen werkgevers en werknemers binnen één organisatie.
Zijn idealen zouden nog verder worden aangetast. Talma kreeg binnen 'Patrimonium' een steeds grotere invloed. Uit contacten met scheepswerfarbeiders in zijn standplaats Vlissingen had hij
de conclusie getrokken dat Katers voorstelling van een klein bedrijf, waarin baas en knechten persoonlijk met elkaar omgaan, tot het verleden behoorde. Hij legde daarom grote nadruk op
de noodzaak dat de arbeiders zich apart organiseerden.
Naast 'Patrimonium', dat vooral de beginselen moest hooghouden, zouden er naar zijn mening protestantse vakbonden moeten komen die met een zekere strijdbaarheid — en met de steun van eigen weerstandskassen - de belangen van de arbeiders zouden verdedigen.
In een conflict met Kater en de vooraanstaande gereformeerde theoloog Herman Bavinck, die beiden meenden dat de bijbelse aansporing tot gehoorzaamheid ook betrekking had op de moderne arbeidsverhoudingen, ontwikkelde Talma een aantal ideeën die zijn sociaal streven rechtvaardigden.
De arbeider, zo meende hij, is niet alléén arbeider, als was hij een soort slaaf. Hij is ook huisvader, burger, lidmaat van de kerk.
En daarom mocht hij, ja moest hij zelfs streven naar arbeids-
voorwaarden die hem in staat zouden stellen deze plichten naar behoren te vervullen.
Uit de discussie wordt duidelijk dat ook na het Christelijk-Sociaal Congres veel vooraanstaande orthodoxe protestanten de arbeider nog niet echt als een vrij mens beschouwden.
Talma's ideeën zouden echter in de praktijk de overhand krijgen. In navolging van de Duitse christelijke vakbeweging en van het NVV (1906) zou in 1909 het CNV worden opgericht.

naar inhoud 1900 naar index