|
POPULAIRE
LITERATUUR

Een
van de werken van bekende schrijvers die omstreeks 1900
in een goedkope volksuitgave verscheen,
was 'Max Havelaar' van Multatuli.
Diens 'Verzamelde Werken' werden zelfs uitgegeven in losse afleveringen
a 30 cent per stuk,
waardoor ze ook bereikbaar werden voor lezers
die zich de kostbare gebonden uitgave niet konden veroorloven.

Omslag
van een van de boeken van Israël Querido.
Na de eeuwwisseling probeerde Querido
het leven in de Amsterdamse volksbuurten
van binnenuit te beschrijven, een poging waarmee hij veel succes oogstte.

Een
jeugdportret van Ina Boudier-Bakker,
een van de 'burgerlijke' auteurs
die ook schreven over problemen buiten hun eigen kring.

Eduard
Douwes Dekker,
beter bekend onder zijn schrijversnaam 'Multatuli'
(Latijn voor 'Ik heb veel geleden').

Carel
Adama van Scheltema
behoorde, hoewel zelf niet van proletarische afkomst,
tot de socialistische schrijvers van zijn generatie.
Hij wist velen, ook buiten linkse kring,
te ontroeren met zijn eenvoudige gedichten
over de problemen van het dagelijkse leven
aan de onderzijde van de samenleving.
Dit portret is geschilderd door A.M. Broeckman.
|
|
LIEFDE
VOOR HET ALLEDAAGSE
Nederland ging aan
het begin van de 20e eeuw steeds meer lezen. Letterkundig werk ging velen
weliswaar te hoog, maar de realis-
tische binnenhuisroman vond gretig aftrek.
De maatschappelijke
en godsdienstige scheidslijnen binnen
de bevolking vonden ook in de populaire literatuur hun neerslag. Maar
er bleven overeenkomsten. De onderwerpen lagen dicht bij huis en de lezer
kon er zich in herkennen. Geen preken, wel troost.
Lezen en schrijven
waren omstreeks de eeuwwisseling allang geen voorrecht meer van een kleine
elite. Voor het merendeel van
de Nederlandse bevolking was het geschreven woord anno 1900 dan ook de
belangrijkste bron van informatie.
Naast de grote landelijke kranten voorzagen tal van plaatselijke dag-
en weekbladen in de behoefte aan nieuws en amusement.
Wie meer wilde dan de krant, had de keuze uit een ruime sortering aan
goedkope populair-wetenschappelijke en literaire publikaties. Van allerlei
bekende schrijvers uit binnen- en buitenland versche-
nen zgn. volksuitgaven die hun werk binnen het bereik van
de weinig bemiddelde lezer brachten.
REALISME, MAAR
MET MATE
De scheidslijnen
die het Nederlandse volk in politiek en religieus opzicht verdeeld hielden,
begonnen zich omstreeks 1900 ook in
de letterkunde af te tekenen.
Er was een literatuur die zich richtte op de arbeidersstand en een andere
die bedoeld was voor de middenklasse; er was confes-
sionele literatuur van katholieke of protestantse huize; er was een
socialistische letterkunde en die vond weer haar tegenhanger in een burgerlijk-liberale.
Toch hadden alle boeken uit deze periode veel met elkaar gemeen. Ze bleven
meestal dicht bij het dagelijkse leven.
De onderwerpen die ze behandelden moesten vooral herkenbaar zijn; de lezer(es)
wilde er de eigen problemen en ervaringen in terug kunnen vinden.
Gedichten moesten troost bieden, een roman diende vorm te geven aan de
zorgen en emoties van elke dag. Fantasie werd al gauw gezien als onpraktische
dromerij.
Voor het grote publiek ging het niet om de kunst maar om de levensechtheid.
Het realisme was in de Nederlandse literatuur dan ook de meest gangbare
stijl. Maar het diende wel opbouwend te zijn.
Een al te nadrukkelijk pessimisme of een te grote openheid in seksuele
zaken was, hoe realistisch ook, niet erg populair.
Twee bekende romans uit 1900, 'De stille kracht' van Louis Couperus en
'Van de koele meren des doods' van Frederik van Eeden, waren voor de gemiddelde
lezer dan ook niet alleen te moeilijk, maar werden door velen ook als
moreel verwerpelijk beschouwd.
De Nederlandse middenklasse had zich tot ver in de 19e eeuw tevreden moeten
stellen met de stichtelijke literatuur van schrijvende en rijmelende predikanten.
Het onderwijs bracht op den duur echter zowel een nieuw type lezer als
nieuwe populaire schrijvers voort. Beiden wilden geen preken meer, maar
hielden wel een ernstige kijk op het leven. Intellectuele pretenties hadden
geen van beiden. De lezers wilden begrijpen, de schrijvers begrepen worden.
Zo ontstond omstreeks
1900, naast de literatuur van de avant-garde, de Nederlandse 'binnenhuisroman'.
Een aantal vaste thema's keerde er telkens in terug:
het leven van het kind, de schooljaren, het huwelijks- en gezinsleven,
de sociale omgang met de directe omgeving.
Een veelgelezen realist
was bijvoorbeeld Herman Robbers die in 'De bruidstijd van Annie de Boogh'
(1901) het dilemma behandelde van een meisje dat kort na haar verloving
merkt dat ze toch
de voorkeur geeft aan de broer van haar aanstaande echtgenoot.
De schrijfster Top Naeff kreeg grote populariteit met haar 'Schoolidyllen'
(1900) en later met ernstigere romans als
'De dochter' (1905) en 'Stille getuigen' (1906).
Een duidelijk christelijke thematiek is te vinden in de roman 'Noortje
Velt' (1907) van Jacqueline van der Waals.
Niet alle 'burgerlijke'
auteurs beperkten zich tot de problemen van de eigen stand. Anna van Gogh-Kaulbach
en Margot Scharten-Antink maakten veel 'mevrouwen' gevoelig voor de problemen
van hun personeel in de dienstbodenromans 'Rika' (1905) en 'Sprotje' (1906-1909);
Ina Boudier-Bakker schreef zowel over 'Kinderen' (1905) als over 'Armoede'
(1906).
LINKS EN LITERATUUR
Tijdens de laatste
jaren van de 19e eeuw trokken meer Neder-
landers dan ooit naar de koloniën. Onder hen voor het eerst ook veel
vrouwen.
Sommige schrijfsters begonnen hun loopbaan dan ook met een literaire verwerking
van hun Indische ervaringen.
Grote indruk maakte bijvoorbeeld Augusta de Wit met 'Orpheus
in de dessa' (1902).
Op een geheel andere wijze dan Couperus bracht zij hierin
de onoverbrugbare tegenstelling tussen het materialisme van
de Europeaan en de oosterse mentaliteit tot uitdrukking.
In Nederland werd
intussen de kloof tussen burgerij en arbeidersklasse steeds duidelijker
als een probleem gevoeld.
Een schrijver als Justus van Maurik had in de jaren negentig nog veel
lezers vermaakt met anekdotische schetsen uit het Amster-
damse volksleven. Na de eeuwwisseling werd een dergelijke komische benadering
in toenemende mate als verwerpelijk ervaren.
Israël Querido had in de jaren daarop veel succes met een reeks romans
waarin hij het leven in de volksbuurten van binnenuit probeerde te beschrijven.
Zijn epos 'De Jordaan' (1912) gold als een hoogtepunt.
Socialistische schrijvers
kozen het leven in de arbeiderswijken merkwaardig genoeg zelden tot onderwerp.
Zij probeerden veeleer een beeld te schetsen van een glorieuze toekomst.
Het werk van grote SDAP-dichters als Herman Gorter en Henriëtte Roland
Holst was echter voor de gemiddelde socialist nauwelijks te volgen.
Anderen probeerden daarom een literatuur te scheppen die eveneens bemoedigde,
maar dan wel in begrijpelijke woorden en gedachten.
Carel Adama van Scheltema bijvoorbeeld wist ook niet-socialisten te ontroeren
met zijn eenvoudige gedichten over dagelijkse dingen. Hijzelf was echter
niet van proletarische afkomst.
De enige echte arbeidersdichter in Nederland bleef lange tijd Abraham
van Collem, met zijn liederen over liet en leed van
de joodse kleine man.
Een poging de moderne
cultuur en wetenschap toegankelijk te maken voor een socialistisch publiek
was de oprichting in 1905
van de Maatschappij voor Goede en Goedkope literatuur.
Met haar populariserende uitgaven in de reeks
De Wereldbibliotheek heeft deze uitgeverij het veel Nederlandse arbeiders
mogelijk gemaakt hun algemene ontwikkeling te verruimen.
|