De kwaliteit
van de volkswoningen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hoe vele stedelingen tot ver na de eeuwwisseling woonden,
blijkt uit deze trieste interieurfoto uit 1914
van een behuizing aan de Amsterdamse Passerdersgracht.
In één vertrek -plus bedsteden- leefden man, vrouw en 7 kinderen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Schilderachtig is ze wel,
deze kelderwoning aan de Zeedijk te Amsterdam.
Maar de ruimte was krap,
de lucht bedompt door gebrek aan ventilatie
en vaak was het in deze diepgelegen ruimten behoorlijk vochtig,

 

 



 

  Onverklaarbaar bewoond


Vooral de gewone man, de arbeider, woonde omstreeks de eeuwwis-seling onder erbarmelijke omstandigheden.
Zo erg zelfs dat zijn gezondheid er duidelijk door werd bedreigd.

Toiletten waren een onbekend verschijnsel.
Er werd -voorbeeld uit Middelburg- gewoond, gewerkt, geslapen in een vertrek van 3x3m, met een vloer van klinkers en daar moest een gezin van 5 mensen het dan maar mee doen.


Veel steden zaten aan het begin van de 19e eeuw nog opgesloten in
een ring van muren en vestingwerken.
Voor de groeiende bevolking was binnen de wallen steeds minder plaats en er buiten mocht, om militaire redenen, niet worden gebouwd: het schootsveld moest vrij blijven.
Pas toen in de jaren zeventig aan die beperkingen een einde was gemaakt, konden er ook buiten de muren nieuwe woningen worden gebouwd.

Toch bleven de woonomstandigheden tot omstreeks 1914 uitgespro-ken slecht, althans voor de volksklasse.
Wat te denken bijvoorbeeld van een rijtjeshuis in Middelburg?
Via een voorportaaltje kwam men in de woonkamer:
een ruimte van 3 bij 3 m met een vloer van klinkers.
In het vertrek stond een kast, er was een schoorsteen en in een hoek bevond zich een donkere en vochtige bedstee.
Uit het portaal leidde een trap naar een tochtig zoldertje waar even-eens een slaapruimte was gemaakt.
Een toilet was er niet.
De ouders ruimden 's ochtends de behoeften van de kinderen op;
zelf gingen ze naar de openbare mestput op het nabijgelegen plein.
In zo'n huisje woonden man, vrouw en drie kinderen.

Een ander schrijnend voorbeeld, dit keer uit Tilburg.
In 1904 inspecteerden de gezondheidscommissie en de directeur van Gemeentewerken daar twee woningen die voor 35 cent per week werden verhuurd door een particuliere huisbaas.
Het ene huisje bestond uit een vertrek van 3 bij 3,5m waarin gewerkt, gekookt en geslapen werd door man, vrouw en acht kinderen.
Onder deze 'woonkamer' lag een ondergelopen kelder; naast het huisje stond een schuurtje waarin een varken en een toom kippen werden gehouden.
Ten slotte had het huis een overdekte aanbouw die via een dak-raampje wat licht kreeg en waarin zich twee privaten en een zinkput bevonden.
De andere woning was van ongeveer hetzelfde kaliber.

De gezondheidscommissie rapporteerde weliswaar dat de kinderen er wat ziekelijk uitzagen, maar zag toch geen aanleiding het college van
B & W voor te stellen de woningen onbewoonbaar te verklaren.
Ze adviseerde de gemeente slechts de gebreken te bespreken niet
de eigenaar.

Gevaar voor de volksgezondheid

Omstreeks de eeuwwisseling woonde iets minder dan 30 procent van
de Nederlandse bevolking in dergelijke eengezinswoningen.
Toch was het niet zo dat de woonomstandigheden overal zo slecht
en onhygiënisch waren.
Het Middelburgse geval bijvoorbeeld is ontleend aan een rapport uit 1899 waarin vooral gewezen werd op de echte crepeergevallen.
Maar toch moeten we ons geen al te optimistische voorstelling maken van de woonsituatie van het grootste deel van de bevolking. Die was door de bank genomen slecht.
Vooral medici en gemeentelijke gezondheidscommissies hamerden voortdurend op het gevaar voor de volksgezondheid dat door zulke woonomstandigheden dreigde.
De deelnemers aan het Nationale Gezondheidscongres van 1897 vonden dat de overheid daarom moest ingrijpen.
Dat gebeurde dan ook. Op basis van een nieuwe wettelijke regeling werden in alle provincies commissies ingesteld die onderzoek moesten doen naar de woonsituatie in de verschillende gemeenten.
In de officiële geschiedschrijving blijven ze enigszins verborgen tussen
de politieke coulissen, maar hij nader onderzoek blijkt toch welk een wezenlijke rol ze hebben gespeeld in de verbetering van de situatie.

Drie kamerwoning als luxe

Het realiseren van die verbeteringen bleek overigens een moeizaam proces.
De huiseigenaren stonden niet te trappelen om kostbare voorzieningen aan te brengen; de bewoners zelf voelden niets voor de huurverhoging die van zulke verbeteringen het gevolg zou zijn.
Ook de meeste gemeenteraden begrepen wel dat iedere verbetering geld kostte en hielden maar al te vaak de hand op de knip.
Toch begonnen de eerste resultaten al in de jaren negentig zichtbaar te worden. Ze waren vooral te danken aan gemeentebesturen die op dit terrein een min of meer actief beleid voerden.
Ze schreven de huisbaas aan als er gebreken werden geconstateerd aan de drinkwater, de waterafvoer, de privaten of de dakbedekking, en de ergste bouwvallen werden zonder pardon onbewoonbaar verklaard.
Heel langzaam nam het percentage een- en tweekamerwoningen af,
al bleef met name in de slechtste wijken van de grote steden de eenkamerwoning nog lange tijd een belangrijk gedeelte van het woningbestand uitmaken.

Het was hoge uitzondering dat een arbeider in een driekamerwoning leefde.
Dat gebeurde pas na de opkomst van de woningbouwverenigingen die, met steun van de overheid, woningcomplexen begonnen te bouwen die niet uitsluitend op commerciële basis werden geëxploiteerd.

De kwaliteit van de 'herenhuizen' was al die jaren natuurlijk aanzienlijk beter. Ze hadden meer kamers, die ruimer waren en door de vele ramen ook veel lichter; de verschillende woonfuncties waren verdeeld over diverse vertrekken; ze hadden een aparte keuken en een kelder en zelfs eigen slaapkamers voor de kinderen en het personeel.

Slapen in een bedstee was in zulke huizen hoge uitzondering geworden:
tot het uitgebreide meubilair behoorde steevast een aantal ledikanten.
Toch kwam ook in veel van dit type woningen het water nog lang niet altijd uit de kraan (de meeste hadden een pomp in de keuken)
en van de wc's in deze 'betere huizen moet men zich ook geen al te moderne voorstelling maken.
Vooral op het platteland, waar van een riolering vaak nog geen sprake was, was de afvoer aangesloten op een gierput die om de paar maanden geleegd moest worden.

 
 
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index