ORKEST EN KOREN EN ENSEMBLES

 

 

 

klik voor een groter formaat

 

Het Amsterdamse Concertgebouworkest in 1912.
Het stond toen al geruime tijd onder leiding van Willem Mengelberg
die het op internationaal niveau had gebracht
en het Nederlandse concertpubliek had laten kennismaken
met de moderne componisten van zijn tijd.

 

 

 

Willem Kes,
de eerste dirigent van het Concertgebouworkest.
Toen hij in 1895 naar Glasgow vertrok,
had hij zowel de orkestleden als het publiek
een voor Nederland ongekende discipline bijgebracht.

 

 

Willem Mengelberg,
ijdel, lastig voor de orkestleden
en met weinig eerbied voor de partituur
als hij meende dat hij door een ingreep
de bedoelingen van de componist beter tot uitdrukking kon brengen.
Maar wel de man die van het Concertgebouworkest
een gezelschap van internationale betekenis maakte.

 

 

Ook ver buiten het westen des lands
werden plaatselijke orkesten gevormd.
Samen met het koor, dat vaak al langer bestond,
en eventueel met bekende gastsolisten,
kon het repertoire uitgebreid worden met werken van grote componisten.
Het goede doel werd daarbij echter niet vergeten.

 

Een nieuwe stemming
in de muziek

Pas omstreeks de eeuwwisseling kreeg het maken van muziek in Nederland een professioneel tintje. De basis ervoor werd vooral gelegd in Amsterdam, in het nieuwe Concertgebouw.

Lang niet iedereen had een hoge pet op van Willem Mengelberg, hoezeer hij het Nederlands concertwezen ook vernieuwde. Zijn critici zagen hem vooral als 'een zwijn dat slurpt uit de trog van de roem'.
Toch probeerde iedereen hem naar de kroon te steken.

 

In 1888 werd aan de uiterste rand van Amsterdam het nieuwe Concertgebouw voltooid. Datzelfde jaar begon Willem Kes met de samenstelling van het Concertgebouworkest waarvan hij ook de eerste dirigent was. In de zeven jaar dat hij aan het orkest leiding gaf (in 1895 vertrok hij naar Glasgow, als dirigent van het Scottish Orchestra) maakte Kes niet alleen de orkestleden maar ook het publiek duidelijk dat er in de nieuwe muziektempel voortaan discipline zou heersen.
De bezoekers kregen te horen dat een concertgebouw iets anders was dan een café-chantant en dat het daarom geen pas gaf er willekeurig in en uit te lopen en zich luidruchtig door obers te laten bedienen. De orkestleden dienden te beseffen dat muziek ook in Nederland een serieuze zaak was. Ensemblespel was een kwestie van veel en hard werken en dus moest er danig gerepeteerd worden.
Onder Kes bereikte het Amsterdamse Concertgebouworkest dan ook een niveau dat elders, in Duitsland bijvoorbeeld, al langer was gehaald maar dat in ons land nog vrijwel niet bestond. Bovendien opende Kes de Nederlandse oren voor andere componisten dan de Duitse en Oostenrijkse die hier al jaren populair waren.
Op het repertoire verscheen nieuwe Franse muziek als die van Paul d'Indy, en ook hield Kes in Nederland zoiets nieuws ten doop als Dvoraks 'Symfonie uit de Nieuwe Wereld' uit 1890. Toen de dirigent in 1895 naar Glasgow vertrok — een kwestie van geld — trof zijn opvolger een gedisciplineerd en goedgeoefend orkest aan waarop hij kon voortbouwen.
De naam van die opvolger: Willem Mengelberg.

SLURPEN VAN DE ROEM

Willem Mengelberg, in 1871 geboren in Utrecht, had zijn eigenaardigheden. Dat hij het orkest desnoods meer dan een uur liet stemmen om absolute zuiverheid te bereiken viel binnen de toenmalige orkestpraktijk beslist te prijzen. Dat hij strijkers en blazers afzonderlijk liet repeteren was in Nederland ongebruikelijk maar het resultaat bewees zijn gelijk. Dat hij in de partituur veranderingen aanbracht om, zoals hij zei, de bedoelingen van de componist beter tot uitdrukking te brengen werd al wat dubieuzer maar was naar de opvattingen van die tijd nog wel aanvaardbaar. Minder goed vielen zijn ijdelheid en zucht naar vertoon; ze waren spreekwoordelijk en voor velen onuitstaanbaar. Na een concert was het alsof de dirigent 'als een zwijn uit de trog van de roem stond te slurpen, tot genot van 't publiek' zoals de kunstenaar Richard Roland Holst schreef aan zijn vriend Johan Huizinga.
Dat alles nam niet weg dat Mengelberg het Concertgebouworkest naar een voor Nederland eenzame hoogte tilde. Bovendien trad hij in de voetsporen van zijn voorganger door het Nederlandse publiek grondig te laten kennismaken met de moderne componisten van zijn tijd: Gustav Mahler en Richard Strauss vooral, maar ook Claude Debussy. En ten slotte nam hij in het programma van de abonnementsconcerten ook Nederlandse componisten op - al vonden de toehoorders dat eerder verplichte nummers dan boeiende uitingen van hun eigen cultuur.

Het Amsterdamse publiek wilde, naast Mengelberg, vooral de grote buitenlandse dirigenten zien, en luisteren naar internationaal bekende solisten. Tot deze laatsten behoorde in deze periode ook een aantal landgenoten: de violisten André Spoor en Louis Zimmerman, de pianisten Julius Röntgen en Dirk Schäfer en zangers als Aaltje Noordewier-Reddingius en Joh. Messchaert.


BUITEN AMSTERDAM

In het voetspoor van het Concertgebouworkest probeerden ook ensembles elders in Nederland de nieuwe toon te volgen. In 1905 begon Peter van Anrooy te Groningen aan de vernieuwing van wat toen nog het Harmonie-orkest heette; in Den Haag bond Henri Viotta met het in 1903 opgerichte Residentieorkest de strijd aan met het Concertgebouworkest. De strijd, inderdaad, want Mengelberg was niet van plan zijn regelmatige gastconcerten in Den Haag af te breken.
De conservatieve en minder bekwame Viotta kon niet echt op tegen de Amsterdamse maestro en zijn orkest, maar hij slaagde er wel in voor zijn ensemble een eigen publiek te vormen. Bovendien had hij al in 1883 de Wagner-Vereniging opgericht die in Nederland de opera's van deze Duitse meester bekendheid verschafte.
In Utrecht was inmiddels de musicus Wouter Hutschenruyter aan de slag. Uit het muziekkorps van de Schutterij, dat optrad in de Sociëteit Tivoli, formeerde hij in 1895 het Utrechtsch Stedelijk Orchest (USO).
Drie jaar later begon hij met zgn. volksconcerten voor een dubbeltje per plaats. Moeders met zuigelingen werden weliswaar niet toegelaten maar de concerten van het USO werden wel een geliefd uitje voor het 'mindere publiek' dat hier voor het eerst kon kennismaken met het fenomeen van een symfonie-orkest en met de muziek van grote componisten.

Rotterdam, wereldhaven in opkomst, was een geval apart. De stad kreeg pas aan het einde van de Eerste Wereldoorlog een eigen orkest en moest het tot dat moment doen met optredens van het USO, het Residentieorkest en Mengelbergs Concertgebouworkest.
Lange tijd echter had de Maasstad, meer dan enige andere stad in het land, een bloeiende operacultuur gekend. Pas omstreeks 1890 kwam daaraan een einde, door de ondergang van de Hoogduitsche Opera. In plaats daarvan werd in Rotterdam extra aandacht besteed aan grote koorwerken. Verantwoordelijk daarvoor was A.B.H. Verhey die in 1895 dirigent werd van de zangvereniging 'Toonkunst' en de prestaties van dat koor aanzienlijk verbeterde. Hij schoof het populaire Duitse koorrepertoire wat naar de achtergrond en maakte in plaats daarvan furore met grote werken van elders, vooral van Franse componisten. Ook elders werd koormuziek populair bij het Nederlandse publiek, met Bachs Matthäus Passion als vast punt in het jaarlijkse programma. Heel uitzonderlijk waren de activiteiten van de Rotterdamse koordirigent Daniël de Lange die ook buiten Nederland diepe indruk maakte met perfect gezongen a capella-uitvoeringen van muziek uit de late middeleeuwen en de barok.
In de drang naar perfect musiceren en feilloze zang die, onder Duitse invloed, omstreeks de eeuwwisseling in Nederland hoogtij vierde school veel goeds. Hij maakte in elk geval een einde aan de zelfgenoegzame tevredenheid over de halve prestaties uit het midden van de 19e eeuw waarmee ieder toen genoegen had genomen.

Die ontwikkeling aan de top deed overigens weinig of niets af aan de muziekbeoefening door amateurs omstreeks de eeuwwisseling; hooguit werd die erdoor gestimuleerd. Vrijwel overal in het land waren muziekgezelschappen van allerlei aard — koren, harmonieën, fanfares, strijkensembles, buurt- en familie-ensembles - bezig met muziek.

naar inhoud 1900 naar index