|
DE
OPKOMST VAN
DE SOCIALISTEN

De
auteurs Herman Gorter (met strohoed)
en Henriette Rolmd Holst (tweede van rechts)
speelden in de beginjaren van het socialisme
nog een belangrijke rol als bewogen propagandisten van de linkse beweging.
De overige personen op deze ongedateerde foto
zijn Wies Gorter, Rik Roland Holst en zijn schoonmoeder.

Propagandabadge
van de SDAP.
Ze werd op de mouw gespeld en gedragen
tijdens betogingen en manifestaties voor algemeen kiesrecht,
niet alleen in 1912, maar ook in de jaren daarvoor.

Mr.J.W.Albarda
spreekt tijdens een verkiezingsbijeenkomst
de SDAP-aanhang toe.
In tegenstelling tot mede-marxisten als David Wijnkoop
bleef hij ook na de Russische revolutie van 1917 de partij trouw.

Domela
Nieuwenhuis
had de arbeiders duidelijk gemaakt dat alleen actie
verbetering kon brengen in hun levensomstandigheden.
Zijn Socialistische Bond
werd na 1894 echter snel overvleugeld door de SDAP.
|
|
WATER
IN DE RODE WIJN
De socialistische
agitatie joeg de burgerlijke machthebbers aanvankelijk de stuipen op het
lijf. Maar de gepredikte revolutie maakte al spoedig plaats voor deelneming
aan
de parlementaire macht.
De SDAP, in 1894
opgericht door de 'twaalf apostelen' onder leiding van Troelstra, probeerde
via het algemeen kiesrecht
de arbeiders te laten deelnemen aan de macht.
De radicalen verzetten zich tevergeefs tegen dit praktisch gerichte 'revisionisme'.
Onvergetelijke
ogenblikken! Geheel het Park door strooide een rij meisjes hem bloemen
voor de voeten, een jubelgeschal dat haast tot in de wijken der bourgeoisie
kon worden gehoord vervulde de lucht, slechts afgewisseld door het snikken
van vrouwen en de vloeken van verontwaardiging der mannen...'
Aldus het blad 'Recht voor Allen' op 7 september 1887, onder
de ademloze kop 'Onbeschrijfelijk!!!'.
Het artikel beschreef desondanks de intocht in Amsterdam
van de socialistische voorman Ferdinand Domela Nieuwenhuis nadat hij was
vrijgelaten uit de gevangenis waarin hij wegens majesteitsschennis was
opgesloten.
ORANJEFURIE CONTRA
DE SOCIALEN
Tot veel meer dan
een paar duizend abonnees heeft 'Recht
voor Allen' het nooit gebracht, al zal het aantal lezers wel aanzienlijk
groter zijn geweest.
Het blad werd vooral op straat uitgevent en van hand tot hand doorgegeven.
Ook de beweging van
Domela Nieuwenhuis was maar klein.
Als men de omvang ervan vergelijkt met het tumult dat aan het einde van
de jaren tachtig over de socialisten werd gemaakt, vraagt men zich af
waarover de leidende kringen
van die dagen - de bourgeoisie in het jargon van de socialisten - zich
eigenlijk druk maakten.
Was het de rijzige profetengestalte van de socialistenleider, met zijn
witte haardos?
Veel waarschijnlijker is dat de gevestigde macht de bedreiging voelde
die achter de heftige socialistische propaganda schuil-ging. Zou het inderdaad
komen tot een echte massabeweging van arbeiders, dan zou dat de bijl zijn
aan de wortels van
de toenmalige maatschappij.
Vandaar de 'Oranjefurie'
tegen het handjevol socialistische agitatoren; vandaar bijvoorbeeld ook
het hardnekkig vast-
houden aan een beperkt kiesrecht dat geen ruimte liet voor avonturen van
de 'socialen'.
De glorietijd van Domela Nieuwenhuis was omstreeks 1890 overigens voorbij.
Weliswaar werd hij in 1888 nog gekozen tot lid van de Tweede Kamer maar
veel uitrichten kon hij er niet.
Zijn woorden bleven vruchteloos hangen tussen de wetgevende bezigheden
van het parlement.
Ook in het socialistische milieu zelf verloor hij op de duur aan gezag;
de massale opkomst bij zijn begrafenis in 1919 was eerder een nostalgisch
naspel dan de voorbode van een nieuwe tijd.
Toch was de betekenis van Domela Nieuwenhuis aanvankelijk groot geweest.
Misschien wel voor het eerst begrepen de land-
arbeiders en de werkers in de opkomende industrie dat ze met massale acties
verbetering konden brengen in de miserabele omstandigheden waaronder ze
leefden.
Domela Nieuwenhuis schudde hen wakker en wees hun de weg naar het licht
zoals hij dat eerder, en in andere zin, als predikant had gedaan. Er waren
echter anderen nodig om zijn radicale maar nogal vage geloof uit te werken
tot een praktisch programma.
RADICALEN EN REVISIONISTEN
Binnen de socialistische
beweging speelde zich een voort-
durende strijd af tussen de radicalen die van geen enkel compromis met
de 'burgerlijke' maatschappij wilden weten
en de gematigden of'revisionisten'.
De laatsten wilden via het algemeen kiesrecht het parlement in om daar
hun programma af te dwingen.
Mensen als de begaafde
dichter Herman Gorter en de welbe-
spraakte schrijfster Henriëtte Roland Holst waren aanvankelijk onmisbaar
als agitatoren die de arbeiders moesten wakker schudden uit hun lethargie.
Hun plaats werd geleidelijk overgenomen door politici als Pieter Jelles
Troelstra en W.H. Vliegen.
Zij waren nodig om de koers van het socialisme te verleggen naar rustiger
vaarwater, waar ruimte was voor tactisch manoeuvreren en waar tastbare
resultaten konden worden behaald.
Die strijd speelde zich af tegen de achtergrond van grote internationale
debatten tussen revolutionaire socialisten en socialistische hervormers
die langs parlementaire weg hun
doel wilden bereiken.
Voor hen allen was Karl Marx de grote voorganger en theoreticus die het
socialisme een wetenschappelijke grondslag had gegeven. Maar ze verschilden
aanzienlijk van mening over de vraag hoe zijn werk in de praktijk moest
worden uitgelegd.
Een aantal van deze revisionisten, de 'twaalf apostelen' zoals
ze in de wandeling werden genoemd, verliet in 1894
de Socialistenbond van Domela Nieuwenhuis om de Sociaal-Democratische
Arbeiderspartij (SDAP) te stichten.
Onder hen, behalve Troelstra en Vliegen, ook mannen als
J.H. Schaper en Henri Polak.
Troelstra maakte
weldra de uitbreiding van het kiesrecht tot kernpunt van de partijpropaganda.
De SDAP spon daar garen bij.
Terwijl de Socialistenbond terrein verloor verschenen in 1897
de eerste SDAP'ers in het parlement - na een verkiezings-
campagne waarvoor de partij slechts f. 800 in kas had.
De voormannen compenseerden dat door overal in het land begeesterde spreekbeurten
te houden; Troelstra alleen al hield
er honderd.
De SDAP-fractie in de Tweede Kamer zou in de jaren daarop aanzienlijk
in omvang toenemen, maar bleef om allerlei redenen toch in de oppositie.
Bovendien zag de partij aanvan-
kelijk meer in deelname aan het gemeentelijk bestuur.
Daar, zo vonden de sociaal-democraten, was echt werk te doen voor de arbeiders
en de minvermogende burgerij.
Massale demonstraties voor algemeen kiesrecht, in 1910 en daarna, maakten
niettemin duidelijk dat ook de landelijke politiek niet meer om de SDAP
heen kon.
Dat algemeen kiesrecht (voor mannen) kwam er dan uiteindelijk ook, in
1917.
RADICALISME EN
PRAKTIJK
Het socialistische
radicalisme, dat met zijn afkeer van
de bestaande maatschappij vooral een gevoelsuiting was geweest, maakte
intussen omstreeks de eeuwwisseling plaats voor een op marxistische leest
geschoeide kritiek op
de 'revisionistische' lijn van Troelstra en de zijnen.
In 1907 richtten enkele radicalen het weekblad 'De Tribune' op. Daarin
bezigden ook SDAP'ers als D.J. Wijnkoop en Henriëtte Roland Holst
heftige taal - tot woede van Troelstra die zich persoonlijk aangevallen
voelde.
In 1909 werd een deel van de 'Tribunisten' dan ook uit de partij gezet.
Ze begonnen een nieuwe groepering die na de Russische revolutie (1917)
de Communistische Partij Holland ging heten.
Andere radicale marxisten als J.W. Albarda en F.M. Wibaut
bleven lid van de SDAP, maar lieten zich niet de mond snoeren.
Samen met Henriëtte Roland Holst redigeerde Wibaut vanaf
1909 het 'Marxistisch Weekblad' waarin de meer radicale vleugel binnen
de SDAP zich kon roeren.
Voor de opstandige schrijfster was dat al spoedig niet vol-
doende; in 1910 trok ze haar consequenties en trad uit
de partij.
Wibaut bleef en werd een baanbrekend vernieuwer in
de Amsterdamse gemeentepolitiek.
|