|
ONTDEKKINGSTOCHTEN
IN INDIË

Een
Nederlandse missionaris
in gesprek met een lid van de Jakaistam
op het voormalige Nederlands Nieuw-Guinea.
De man biedt de pater een stenen bijl aan,
in de hoop er een ijzeren voor in de plaats te krijgen.

Na
de Nieuw-Guinea-expeditie van 1904-1905
zijn nog verscheidene tochten ondernomen
om dit moeilijk doordringbare gebied te verkennen.
Hier de derde Zuid-Nieuw-Guineaexpeditie in Kloofbivak.

Van
het Nederlandse koloniale bezit in Oost-Azie
waren tot in de tweede helft van de 19e eeuw
eigenlijk alleen Java en Sumatra goed in kaart gebracht.
Vooral op het dichtbevolkte Java
wist het gouvernement bij wijze van spreke de ligging van elke sawa.
|
|
VORSEND DE JUNGLE IN
Ondanks een aanwezigheid
van drie eeuwen wisten de Neder-
landers aan het einde van de 19e eeuw vrij weinig van Indië.
Dat gold met name voor de zogenaamde buitengewesten.
Toen het Aardrijkskundig
Genootschap omstreeks de eeuw-
wisseling probeerde de kaart van Indië gedetailleerder in te vullen,
ontmoette het nogal wat weerstand.
Niet in het minst van zwaarbewapende krijgers die voor een deel nog leefden
in het stenen tijdperk.
De Gordel van Smaragd, poëtische naam voor het Nederlandse koloniale
bezit in Oost-Azië, strekte zich uit van Sabang tot Merauke. Een
enorm gebied van meer dan 2 miljoen km2.
In de drie eeuwen
van Nederlandse aanwezigheid was het gebied in grote lijnen in kaart gebracht
en waren vele streken verkend. Maar de aandacht had zich toch vooral geconcentreerd
op Java.
De naam 'buitengewesten' voor de overige gebieden had dat verschil in
belangstelling niet beter tot uitdrukking kunnen brengen. Zo er met deze
gebieden al contacten waren, bleven
die doorgaans beperkt tot enkele plaatsen aan de kust.
In de tweede helft van de 19e eeuw kwam daarin verandering, mede door
de stijgende behoefte aan grondstoffen.
Stap voor stap werden ook de gebieden buiten Java verkend, gedetailleerd
in kaart gebracht, betrokken in het economische systeem en onder Nederlands
bestuur gebracht. Pas toen bleek hoe groot de verschillen waren. Tegenover
het hoogontwikkelde Java en enige aangrenzende eilanden stonden gebieden
waarvan de bevolking nog letterlijk in het stenen tijdperk leefde.
DE KRIJGERS VAN
DE RADJA
Het was overigens
niet zo dat het Indische gouvernement zelf
de ontdekkingstochten organiseerde, integendeel.
De impuls ging uit van bedrijven, particulieren, missie en zending; Batavia
verleende assistentie die royaler was naarmate de onder-
neming meer perspectief leek te bieden en betrouwbare infor-
matie beloofde over het koloniale rijk. Vaak bestond de hulp uit het beschikbaar
stellen van deskundigen uit het ambtenaren-
apparaat of het koloniale leger: kaarttekenaars, topografen, biologen,
artsen, taalkundigen.
Veel steun kreeg bijvoorbeeld het Koninklijk Nederlandsch Aardrijkskundig
Genootschap dat eind vorige en begin 20e eeuw twee grote ontdekkingstochten
organiseerde: de expeditie naar Midden-Sumatra (1877-1879) en die naar
Zuidwest Nieuw-Guinea (1904-1905).
Het Aardrijkskundig
Genootschap was, anders dan de naam misschien doet vermoeden, zeker niet
in de eerste plaats een vereniging van academisch gevormde geografen.
Die trof men onder de leden wel aan, maar zij vormden een minderheid tussen
hoogleraren in andere disciplines, docenten, ministers, kamer-
leden, officieren, oud-GG's van Nederlands-Indië, bankiers, fabrikanten,
reders en kapiteins ter koopvaardij.
Vooral in de periode na zijn oprichting (1873) maakte het Genootschap
een ongekende bloei door; in 1877 had het al meer dan 700 leden. Dat succes
paste geheel in de geest van de tijd.
Aardrijkskunde was de 'filosofie van de aarde' geworden en
de leden van het Genootschap zagen in deze populaire wetenschap het middel
bij uitstek om de ondernemingsgeest van de natie op het terrein van handel
en industrie te stimuleren.
En evenals dat bij vergelijkbare gezelschappen elders in Europa het geval
was, waren ook voor het Aardrijkskundig Genootschap expedities de praktische
daden waarmee men een bijdrage leverde aan de handhaving en uitbouw van
de positie van de eigen natie.
De expedities van het KNAG vonden dan ook niet alleen in Nederlands-Indië
plaats, maar gingen ook naar Zuid-Afrika,
het Kongobekken en Spitsbergen.
De expeditie naar Midden-Sumatra had vooral tot doel een afvoerroute te
zoeken voor het steenkoolveld dat een tiental jaren eerder was ontdekt
bij Ombilien. De tocht was minder onschuldig dan hij op het eerste gezicht
leek. Hij voerde immers naar een deel van Sumatra dat niet onder Nederlands
gezag stond.
De sultan van Taha, die er de scepter zwaaide, had gezworen elke Nederlander
die zijn gebied betrad te zullen doden. In Indië rees dan ook verzet
tegen deze particuliere onderneming omdat men bang was voor een tweede
oorlog als die in Atjeh, die vier jaar eerder was begonnen.
Ondanks verzet van de Raad van Indië, het Binnenlands Bestuur en
het KNIL verleende gouvemeur-generaal J.W. van Lansberge het Genootschap
toch een subsidie.
Voor hem stond niet de wetenschappelijke betekenis van
de expeditie voorop, maar de vestiging van het Nederlandse gezag in Midden-Sumatra.
Eenmaal op weg zorgde
de expeditie voor veel onrust. Bij haar tocht richting Djambi kwam ze
oog in oog te staan met de krijgers van de radja van Sigoentoer, een vazal
van de sultan van Taha. Het voorgenomen vlagvertoon ter intimidatie miste
zijn doel, omdat het daartoe meegezonden oorlogsschip de rivier de Batang
Hari niet ver genoeg kon opstomen. Het gezelschap keerde onverrichterzake
terug naar het basiskamp aan de kust.
Een poging van een jaar later op eigen houtje Limoen te bereiken en vandaar
door te stoten naar Djambi, leidde opnieuw tot een confrontatie met de
krijgers van de radja en een tweede, smadelijke terugtocht.
Ontmoedigd raakte het Genootschap door deze tegenslagen echter niet. In
1888 en 1889 kreeg het voor kleinere expedities op Flores fl. 1O.OOO subsidie
van Batavia; tegen de verwachting in vond men op het eiland geen tin.
Bovendien bleek de informatie die expeditieleider A. Wichmann meebracht
over de vredelievende Kokka's verre van betrouwbaar: eind 1889 kon de
naar Flores gezonden mijningenieur R. van Schelle ternauwernood ontsnappen
aan de speren van dit volk.
DEELSUCCES IN
NIEUW-GUINEA
Hierna raakte het
Genootschap geruime tijd in de luwte. Voor grotere expedities ter openlegging
van Borneo deed het gouver-
nement een beroep op anderen.
De laatste grote expeditie van het KNAG in Indië, in 1904-1905, ging
naar Zuidwest Nieuw-Guinea dat in 1828 vanuit zee oppervlakkig was verkend.
De tocht stond onder leiding van oud-zeeofficier R. Posthumus Meyjes en
KNIL-kapitein E.J. de Rochemont. Het was een ambitieuze onderneming.
Men zou zowel de kust als het aangrenzende zeegebied verkennen, terwijl
een ander gedeelte van de groep tegelijkertijd het binnen-
land in zou trekken om vanaf de Wïlhelminatop in het Sneeuw-
gebergte een topografische impressie van de streek te maken.
Van publiek verzet
tegen de onderneming was geen sprake meer; het tij was duidelijk gekeerd.
Het gouvernement stelde schepen, gespecialiseerd personeel, instrumenten
en een militaire escorte ter beschikking; het genootschap zelf zorgde
voor levensmiddelen, koelies, hulppersoneel en aanvullende uitrusting.
Van het in kaart brengen van het binnenland kwam echter niet veel terecht.
Na de eerste, nogal gemoedelijke contacten met
de kustbewoners ontstond in de Oostbaai een vijandige sfeer. Besloten
werd daarom twee nieuw ontdekte rivieren niet op te varen en meer westelijk
naar een geschiktere toegang tot het gebied te zoeken. Uiteindelijk echter
stelde de expeditie zich tevreden met de verkenning van de Digoelrivier.
Ondanks deze halve mislukking verzamelde de expeditie een schat aan gegevens
over bevolking, taal, flora en de waterstaatkundige toestand van het nog
nagenoeg maagdelijke gebied.
Het Genootschap publiceerde ze in 1908 in vier forse geïllustreerde
boekdelen.
|