NEDERLAND EN INDIË

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nederlandse ondernemer te midden van bloeiende koffiestuiken
op een plantage in het zuiden van Java.
Het duurde jaren voor zo'n aanplant winst opleverde.
Desondanks groeide het aantal van zulke ondernemingen snel
nadat een begin was gemaakt
met de afschaffing van het cultuurstelsel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Koffiesorteersters op de plantage Pidji Ombo.
Deze onderneming werd geëxploiteerd door de Koloniale Bank.

Vooral onder invloed van zulke grote investeerders
groeide de behoefte aan stabiliteit
en ontwikkelde het Nederlandse bestuursapparaat
zich in een nieuwe richting.

 

BATAVIA
HAALT DE TEUGELS AAN


Aan het einde van de 19e eeuw voltrok zich in Nederlands-Indië een gecompliceerd proces van veranderingen.
Van passief beheerder werd Batavia daardoor steeds meer actiefbestuurder.

De afschaffing van het culluurstelsel maakte de weg vrij voor
de particuliere ondernemer, vooral in de buitengewesten.
Hij had behoefte aan stabiliteit en verwachtte dat het gouverne-
ment daarvoor zou zorgen. Dat vereiste echter een andere bestuursaanpak.

De afschaffing van het cultuurstelsel, waarvoor in 1870 de aanzet was gegeven, had voor de koloniale economie van Nederlands-Indië een nieuw tijdperk ingeluid. Het gouvernement trok zich terug als exploitant en maakte de weg vrij voor particuliere ondernemers.

Van die mogelijkheid werd vooral in de zgn. buitengewesten (Sumatra, Bomeo en Celebes) ruimschoots gebruikgemaakt.
Ieder die over enig kapitaal beschikte, kon voortaan - weliswaar met een vergunning van Batavia - zijn gang gaan en een thee-, tabaks-, rubber- of suikerrietplantage beginnen. Het opzetten
van zo'n plantage nam. overigens verscheidene jaren in beslag. Jaren waarin (met handkracht) oerwoud werd gekapt, terrein geëgaliseerd moest worden, irrigatiekanalen werden gegraven, wegen werden aangelegd.
Een plantage was een tamelijk zelfstandige gemeenschap waarin de planter heer en meester was. Hij zwaaide de scepter over het inheemse personeel en de Chinese koelies die er in groten getale werkzaam waren. Het was natuurlijk in zijn eigen belang dat dit personeel in redelijke conditie verkeerde, maar het was toch minder regel dan uitzondering dat hij zich tegenover zijn mensen gedroeg als een zorgzaam huisvader. Doorgaans was hij hard,
met name tegenover de werkers op de plantage zelf, die onderdeel vormden van de exploitatiekosten. Vooral tegenover hen nam hij een nagenoeg onbeperkte machtspositie in. Hij was niet alleen werkgever, maar ook verantwoordelijk voor de medische zorg, terwijl hij hen ook kon straffen en in beperkte mate berechten.

DE EENZAME MACHT VAN DE PLANTER

De planter leidde veelal een geïsoleerd bestaan. De voornaamste afleiding waren zijn bezoeken aan het dichtstbijgelegen bestuurs-
centrum. In de Hollandse sociëteit ontmoette hij daar andere planters, bestuursambtenaren en officieren. Ze haalden herinne-
ringen op aan Nederland, bespraken de toestand in Indië en klaagden over de luiheid van de inheemse bevolking en het ondraaglijke klimaat.

Veel Nederlanders werden naar Indië gelokt door de hoop er fortuin te maken. Het waren niet alleen planters die hun geluk beproefden.
Ter verbetering van de gewassen en de produktie ervan was hier en daar een begin gemaakt met proefstations, zodat ook biologen hun weg naar Indië vonden. Buiten de tropische landbouw maakte de Indische economie bovendien een periode van expansie door in de mijnbouw en de oliewinning. Op Billiton en Bangka kwam
de winning van tin en bauxiet op gang, op Sumatra startte
de Koninklijke Petroleum Maatschappij met de zeer lucratieve winning van olie. Voor deze en andere vormen van mijnbouw zonden bedrijven ingenieurs en ander geschoold personeel naar Indië. Dat alles resulteerde in een sterke groei van de Europese bevolkingsgroep.
In 1905 woonden in Indië 95.000 Europeanen, tegen 40.000 in 1870. Die toename was echter niet uitsluitend het gevolg van
de groeiende economische exploitatie van de kolonie.

In het laatste kwart van de 19e eeuw voltrok zich in Indië in feite een ingewikkeld proces. Het toenemende aantal planters en grote ondernemingen ontplooide zijn activiteiten voor het overgrote gedeelte in de buitengewesten.
Voor een goede bedrijfsvoering was een stabiele toestand nodig. Met name in de buitengewesten echter was het Nederlandse gezag nog niet zo duidelijk gevestigd. Buiten Java waren weliswaar ambtenaren van het Binnenlands Bestuur gestationeerd, maar die traden niet op als werkelijke bestuurders. De bemoeienis van deze residenten en assistent-residenten met het bestuur beperkte zich doorgaans tot niet al te intensieve contacten met de lokale en regionale vorsten; van directe inmenging in hun traditionele wijze van machtsuitoefening was nauwelijks sprake. Gebeurde dat een enkele keer wél, bijvoorbeeld naar aanleiding van de slechte behandeling van de bevolking, dan kon dat het einde van een bestuursloopbaan betekenen. Wie dat aan den lijve had onder-
vonden, was Eduard Douwes Dekker, beter bekend als Multatuli.

Deze praktijk van niet-inmenging veranderde als gevolg van
de groeiende economische bedrijvigheid in de buitengewesten.
Om te beginnen nam het aantal bestuursambtenaren toe.
En vervolgens konden dezen moeilijk afzijdig blijven zodra er geschillen ontstonden tussen planters of bedrijven en het inheemse personeel of de plaatselijke machthebbers. Bleef steun van het Indische gouvernement in Batavia uit, dan waren vooral de bedrijven niet te beroerd via hun connecties in Den Haag druk uit te oefenen op de gouverneur-generaal. Meestal was dat niet nodig omdat men elkaar binnen de koloniale gemeenschap best begreep. Veel GG's en ministers van Koloniën hadden in Indië fortuin en carrière gemaakt.
Zo had minister I.D. Fransen van de Putte (1872-1874) aan
de Indische suiker en tabak een groot fortuin overgehouden.
Ook het koloniale leger, het KNIL, leverde zijn bijdrage aan
de veranderingen. Regelmatig zond de gouverneur-generaal het op strafexpeditie om orde en gezag in de buitengewesten te herstellen.
In Atjeh en op de eilanden Flores en Lombok trad het KNIL boven dien op om met veel vertoon van macht het Nederlands gezag te vestigen. In 1901 kreeg deze ontwikkeling naar een meer directe Nederlandse gezagsuitoefening in de buitengewesten haar beslag in de zgn. Korte Verklaring, waarmee alle inheemse vorsten zich onderwierpen aan het Nederlandse gezag.

INTERESSE VOOR DE BEVOLKING

Al deze veranderingen in de buitengewesten hadden natuurlijk
ook gevolgen voor het centrale bestuur in Batavia.
Het minst gold dat nog voor de GG, die in zijn paleis te Buitenzorg de onderkoning bleef, de rechtstreekse vertegenwoordiger van
de Nederlandse Kroon. Hij stond hoog boven de Europese samenleving, maar kende Indië meestal uit eigen ervaring.
Van Heutsz bijvoorbeeld had zijn sporen verdiend in de oorlog in Atjeh. De belangrijkste veranderingen deden zich voor in het bestuursapparaat dat de gouverneur-generaal tot zijn beschikking had. In de eerste plaats kwamen er, in verband met de groeiende bestuursactiviteiten, meer ambtenaren. Maar door de intensie-
vere bemoeienis met de Indonesische samenleving groeide ook
de behoefte aan kennis omtrent de inheemse maatschappelijke verhoudingen. Daardoor ontstond naast het bestaande ambtelijke apparaat rondom de GG een kleine groep academisch gevormde adviseurs die zijn beleid in toenemende mate beïnvloedde.
Mede onder hun invloed kreeg het gouvernement steeds meer aandacht voor de belangen van de inheemse bevolking en ontwikkelde ze beleid op het terrein van rechtspraak, gezond-
heidszorg en onderwijs. Tussen 1870 en 1900 werd de koloniale overheid in Nederlands-Indië steeds meer bestuurder in plaats van beheerder.

naar inhoud 1900 naar index