NEDERLAND EN VENEZUELA

 

 

 

 

 

 

 

De haven van Willemstad omstreeks 1908.
Tussen Curacao en Venezuela werd niet alleen officieel handel gedreven
maar ook uitvoerig gesmokkeld.
Bovendien werden vanuit de haven jarenlang wapens verscheept
naar opstandelingen in het Venezolaanse binnenland.

 

 

 

 

Nederlandse oorlogsbodems varen de St.-Anna-baai binnen,
de toegang tot de haven van Willemstad.
In 1908, toen deze foto werd gemaakt,
hadden ze opdracht alle Venezolaanse oorlogsschepen op te brengen.

 

 

 

 

President-dictator Cipriano Castro van Venezuela.
Toen Nederland zich in november 1908 tegen hem keerde,
was Castro overigens al naar Europa gevlucht
en opgevolgd door opstandelingenleider Gomez.

 

FERM ONDER AMERIKAANSE PARAPLU

 

In het Caribisch gebied kwam Nederland omstreeks de eeuwwis-
seling een paar keer in conflict met Venezuela. Hoewel Den Haag inmiddels rekening moest houden met Washington sloeg het hard terug.

Nederland ontleende zijn internationale aanzien als koloniale mogendheid voornamelijk aan het bezit van Nederlands-Indië.
De koloniën in De West, Suriname en Curacao (onder de laatste vielen ook de overige eilanden) namen in waardering een tweede-
rangspositie in, ook in Nederland zelf.


Toch raakte het bezit van Curacao omstreden nadat de Verenigde Staten in 1898, na de Spaans-Amerikaanse oorlog, Cuba en Puerto Rico in. bezit hadden genomen. Vanaf dat moment was het duide-
lijk dat de VS de leidende mogendheid in het Caribisch gebied waren geworden en ernaar streefden de Europese mogendheden hun koloniale bezit in het gebied te ontnemen - te beginnen met
de kleine. Nadat Washington in 1902 met Denemarken een overeenkomst had gesloten over de verkoop van de Maagden-
eilanden, benaderden de Verenigde Staten via hun gezant in Venezuela de Nederlandse regering met het voorstel Curacao te verkopen. Den Haag sloeg de schrik om het hart. De regering wees het Amerikaanse voorstel weliswaar ferm van de hand, maar trok er voor de toekomst wel haar les uit.

ZIGZAGKOERS

Na het Amerikaanse voorstel voelde Den Haag zich belemmerd in zijn handelingsvrijheid ten opzichte van Venezuela, waarmee in
de tweede helft van de 19e eeuw voortdurend problemen waren gerezen. Want ook Nederland werd in het Caribisch gebied geconfronteerd met veranderende machtsverhoudingen.
De Britse invloed was op zijn retour, Duitsland probeerde zijn macht uit te breiden en de Venezolaanse regering, onder leiding van president-dictator C. Castro, liet zich niet langer de wet voorschrijven. Voor Curacao pakte dit alles verkeerd uit.

Naast de officiële handel met Venezuela, die via Curacao ook door Duitse handelshuizen werd gedreven, was er een omvangrijke smokkelhandel ontstaan. President Castro probeerde die welis-
waar tegen te gaan — tenslotte liep ook zijn staatskas er invoer-
rechten door mis - maar Nederland, Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië en Italië zagen er een mooie gelegenheid in voor een optreden tegen Caracas.
Ze hadden met Venezuela nog een appeltje te schillen in verband met handelsschulden die ondanks herhaalde aanmaningen (en toezeggingen van Castro's kant) nog steeds niet waren voldaan.

Ter voorbereiding van een gezamenlijke blokkade stuurde Nederland eind 1902 - na eerst Washington te hebben ingelicht - de pantserdekschepen 'De Ruyter' en 'Holland' naar de Curacaose wateren. Amerikaanse steun vragen durfde Den Haag niet, omdat het vreesde dat de Verenigde Staten in ruil daarvoor een steun-
punt op het eiland zouden eisen. En uiteindelijk durfde Nederland ook het deelnemen aan de blokkade niet aan.
In feite volgde de regering een zigzagkoers. Ze nam geen deel aan de blokkade - maar omdat ze wél wilde delen in de resultaten ervan verleende ze er ruime medewerking aan, onder andere
door Willemstad open te stellen als bunkerhaven en operatiebasis voor de Duitse en Italiaanse oorlogsschepen. Van enige terug-
houdendheid was daarbij nauwelijks sprake.
De verjaardag van de Duitse keizer werd op 27 januari 1903 in Willemstad bijna even uitbundig gevierd als in Duitsland zelf. Gouverneur J.O. de Jong van Beek en Donk leverde zijn bijdrage door te verordonneren dat alle schepen in de haven voor de gelegenheid gepavoiseerd moesten zijn - ook de Venezolaanse.
Deze nauwelijks verhulde steun aan de blokkade zette in Caracas kwaad bloed en leverde Nederland praktisch niets op.
Bij de verdeling van het geld (Venezuela stemde ten slotte in met de betaling van de schulden) kwam Den Haag op de tweede plaats, net als de landen die niet aan de blokkade hadden deelgenomen. Venezuela werd er in Haagse kringen niet populairder door.

HANDSCHOEN OPGENOMEN

Zes jaar later kwam het opnieuw tot een confrontatie tussen Nederland en Venezuela. In mei 1908 kondigde president Castro beperkingen af op het handels- en scheepvaartverkeer uit Willemstad.
Bedoeling was uiteraard dit te verleggen naar Venezuela, hetgeen voor Willemstad economisch de doodsteek zou zijn geweest.
Op de achtergrond speelde bovendien mee dat Curacao altijd al een schuilplaats was geweest voor tegenstanders van het bewind in Caracas en Willemstad dienst deed als verschepingshaven van wapens naar de opstandelingen in het Venezolaanse binnenland.
Het conflict escaleerde toen de Nederlandse vertegenwoordiger
in Caracas Castro's bewind onomwonden een dictatuur noemde
en de president vervolgens de diplomatieke betrekkingen met
Den Haag verbrak.
Dit laatste was van Venezolaanse zijde duidelijk een provocatie; Caracas had ook kunnen vragen de loslippige diplomaat terug te roepen.

Den Haag besloot de handschoen op te nemen. Kenmerkend voor de verhoudingen in het gebied was dat de Nederlandse regering daarvoor wél eerst toestemming vroeg aan Washington. Die kreeg het ook, echter met de uitdrukkelijke bepaling dat de Amerikaanse regering geen permanente of tijdelijke bezetting van Venezolaans grondgebied zou dulden.

MOSTERD NA DE MAALTIJD

De Nederlandse maatregelen waren duidelijk en doeltreffend. Allereerst gaf de regering toestemming tot de (in 1894 verboden) uitvoer van wapens naar Venezuela, waar Castro in toenemende mate te kampen had met een gewapende oppositie.
Op 30 november 1908 kreeg de bevelhebber van de Koninklijke Marine op Curacao bovendien opdracht Venezolaanse oorlogs-
schepen op te brengen naar de haven van Willemstad. In een diplomatieke boodschap legde de Nederlandse regering Venezuela uit dat de maatregelen niet gericht waren tegen het Venezolaanse volk, maar tegen het persoonlijke bewind van de president die zich herhaaldelijk had schuldig gemaakt aan het doen molesteren van Nederlandse schepen.
Een duidelijker standpunt in de interne machtsverhoudingen in Venezuela had Nederland niet kunnen innemen. Toch was het een beetje mosterd na de maaltijd. Castro was al vóór 30 november 'om gezondheidsredenen' naar Europa vertrokken omdat hem de grond onder de voeten wat te heet werd.
Op 21 december werd hij officieel afgezet door de leider van
de opstandelingen, J.V. Gomez die de volle sympathie had van
het gouvernement op Curacao. Of Gomez en het gouvernement hun optreden hebben gecoördineerd staat niet vast maar het leek er sterk op. Een van Gomez' eerste daden was de intrekking van Castro's maatregelen tegen Nederland. De anti-Venezolaanse bevelen aan de Koninklijke Marine werden op 23 december ingetrokken en vanaf 13 januari 1909 werd de uitvoer van wapens naar Venezuela weer verboden.
Tot een herstel van de diplomatieke betrekkingen kwam het voorlopig echter niet, hoewel daartoe in april 1909 in Den Haag wel een overeenkomst werd gesloten.
Curacao mocht voor Nederland misschien niet de belangrijkste kolonie zijn, uit het optreden tegenover Caracas (en de Verenigde Staten) bleek wél dat Den Haag niet van zins was voetstoots afstand te doen van koloniaal grondgebied. Van zijn beperkte macht tegenover Washington was Nederland zich bewust. Maar tegenover Venezuela schroomde het niet omwille van de handel op Curacao een onvervalste kanonneerboot-politiek te voeren.

 

naar inhoud 1900 naar index