NEDERLAND EN DUITSLAND

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Duitse ondernemers, technici en financiers
speelden aan het einde van de 19e eeuw
een belangrijke rol bij het op gang komen
van de industrialisatie in Nederland.
Zo was de aanleg van de eerste spoorwegen
in belangrijke mate mogelijk door Duitse investeringen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dat Rotterdam in de 20e eeuw uitgroeide tot wereldhaven
was voor een deel te danken aan haar functie
als overslaghaven voor het Duitse achterland.
Deze ontwikkeling begon al aan het einde van de 19e eeuw.

Uit een iets latere periode dateert deze tekening van B. Bueninck.

 

WILHELM
ALS SCHOONVADER

 

Duitsland koesterde omstreeks 1900 een opmerkelijke belangstelling voor Nederland.
Die kwam nog het duidelijkst tot uitdrukking in de interesse van de keizer voor de huwelijkskandidaten van Wilhelmina.

Sommige Duitsers vonden dat Nederland langzamerhand maar eens geannexeerd moest worden. Of liever gezegd: moest terugkeren binnen het rijk waaruit het in 1648 ten onrechte was losgemaakt. Nederland was er in meerderheid tegen, koningin Wilhelmina voorop.

 

Keizer Wilhelm II van Duitsland was omstreeks de eeuwwisseling in hoge mate geïnteresseerd in iedere man die kandidaat zou kunnen zijn als echtgenoot van de jeugdige Nederlandse koningin Wilhelmina. Met ongezonde nieuwsgierigheid had dat niets te maken, wel met politiek.
Voor de keizer stond het vast dat de bruidegom afkomstig moest zijn uit een Duits vorstengeslacht. Hij had zijn zinnen gezet op een versterking van de banden tussen Nederland en het machtige Duitse keizerrijk, en een huwelijk was een van de middelen die hij daartoe wilde aanwenden.

Logisch dus dat hij zich gedroeg alsof hij alleen verantwoordelijk was voor de keuze van een prins-gemaal. Zeer tot zijn spijt echter kon hij zich niet rechtstreeks in de zaak mengen en moest hij zich beperken tot het volgen van de ontwikkelingen en het ongevraagd verstrekken van vriendelijke wenken.
Al vanaf 1896 - Wilhelmina was toen net 16 jaar - maakte hij zich druk over de kandidatuur van prins Albert van België en die van een lid van de Russische keizerlijke familie.
Voor hem was het een enerverende zaak; hij was op een bepaald moment zelfs van mening dat er geïntrigeerd werd tegen mogelijke Duitse kandidaten. En zelfs die laatsten waren in zijn ogen niet allen geschikt. De prinsen Von Teck bijvoorbeeld,
in 1899 even genoemd, vielen niet bij hem in de smaak om
de nauwe banden van dit geslacht met de Britse koninklijke familie. Uiteindelijk waren er twee Duitse kanshebbers:

Friedrich Wilhelm, de derde zoon van prins Albrecht van Pruisen, en Hendrik van Mecklenburg-Schwerin. De keizer had een uitge-sproken voorkeur voor de eerste, een charmante jongeman inderdaad. Maar in de ogen van Wilhelmina was hij nog te veel een kind.
Op aandringen van de Duitse gezant in Den Haag kwam Wilhelm bij koningin-moeder Emma nog wel even tussenbeide ten gunste van prins Friedrich, maar de keuze van Wilhelmina - die overigens betrekkelijk weinig te kiezen had - gaf ten slotte de doorslag. In februari 1901 trouwde ze met Hendrik van Mecklenburg-Schwerin.

DUITSE INVLOED IN NEDERLAND

De belangstelling die Wilhelm II voor het huwelijk van Wilhelmina aan de dag legde, was slechts één voorbeeld van de Duitse interes-
se in Nederland en van de toenemende banden tussen beide landen.
Duitsland was na de vestiging van het keizerrijk in 1871 uitge-
groeid tot een machtige industrienatie en Nederland had daarvan zowel de positieve als de negatieve gevolgen ondervonden.
De opbloei van de Duitse economie, met name in de staal-,
de elektrotechnische en de machine-industrie, werkte op vele manieren door in Nederland. De toenemende industriële bedrijvig-
heid in Duitsland vroeg om een groeiende aanvoer van grondstof-
fen. Voor een groot gedeelte liep die via de Rijn.
De ontwikkeling van de haven van Rotterdam begon met haar functie als overslaghaven voor het Duitse achterland;
Nederlandse Rijnschippers namen een groot deel van het transport voor hun rekening. Ook de Nederlandse land- en tuinbouw pikte een graantje mee: de export van agrarische produkten naar Duitsland groeide gestaag. Bovendien speelden Duitse ingenieurs en ondernemers een belangrijke rol bij het op gang komen van de Nederlandse industrialisering. De eerste teerfabriek in Nederland werd opgericht door de Duitser Diederich Grothe; Philips stelde in 1890 een Duitse bedrijfsleider aan.
Het Nederlandse beroepsonderwijs volgde het Duitse model;
veel investeringen kwamen uit Duits kapitaal, bijvoorbeeld bij
de aanleg van spoorwegen.

ANNEXATIE OF TERUGKEER?

Tegenover deze positieve ontwikkelingen stonden ook minder geruststellende gevolgen. Voor conservatieve, Alldeutsche kringen in het buurland kon uit de verstrengeling van beide economieën slechts de conclusie worden getrokken dat het tijd werd voor
de annexatie van Nederland. In de ogen van aanhangers van deze politiek ging het trouwens niet om een annexatie, maar om een terugkeer van Nederland dat in 1648 immers was losgemaakt uit het Heilige Roomse Rijk.
Keizer Wilhelm en zijn ministers gingen overigens minder bot te werk; doorgaans stuurden ze voorzichtig aan op nauwere, vooral economische samenwerking. ledere aanwijzing dat in bepaalde delen van de Nederlandse samenleving op overeenkomstige wijze werd gedacht, werd in Berlijn hoopvol aangegrepen.
Tegenstanders waren, terecht, bang voor Duitse pogingen zich meester te maken van de Nederlandse koloniën.
Was Wilhelm II immers niet bezig Duitsland, dat te laat was gekomen voor de race op koloniaal gebied, alsnog een Platz an
der Sonne te geven?

Aan Duitse zijde gaf men de hoop op een nauwe samenwerking met Nederland niet op. Ondanks negatieve adviezen van zijn gezant in Den Haag bleef de keizer voortdurend ontwikkelingen ten gunste van Duitsland ontwaren, vooral in de jaren na de eeuw-
wisseling. De antirevolutionaire premier Kuyper gold in Berlijn als pro-Duits en leek in Duitse ogen aan te sturen op een meer op Duitsland georiënteerde politiek, die een einde zou kunnen maken aan de neutrale positie van Den Haag. Vooral in de anti-Britse stemming tijdens de Boerenoorlog zag Wilhelm een verschuiving ten gunste van Duitsland.

Toch overschatte de keizer de uitstraling van de Duitse macht in Nederland. Sterker nog: het toenemen van die macht wakkerde
de gevoelens van onafhankelijkheid en neutraliteit juist aan. Nederland wilde buiten de conflicten van de grote mogendheden blijven.
De ontstemming ten opzichte van Engeland (over de Boerenoor-
log) en Frankrijk (over de problemen op handelsgebied) deed
daar niets aan af.
En voorzover er bij sommige politici al enige bereidheid was
de oren te laten hangen naar de politieke wensen van Berlijn, was er altijd nog koningin Wilhelmina die er achter de schermen voor zorgde dat Nederland neutraal bleef. Haar huwelijk met prins Hendrik had haar zeker niet ontvankelijker gemaakt voor
de Duitse internationale ambities. Haar grote belangstelling voor buitenlandse politiek en defensie zorgde er eerder voor dat
de opeenvolgende kabinetten ook tegenover het machtige buur-
land een strikt neutrale koers bleven varen.
In 1902 liet ze Kuyper expliciet weten dat Nederland onaf-
hankelijk moest blijven en niet, als een sloep, op sleeptouw moest worden genomen door het grote oorlogsschip Duitsland.
Van invloed was de groeiende Duitse macht uiteindelijk overigens wel op de positie van Nederland. In 1908 trad Den Haag toe tot
de door Duitsland voorgestelde Noordzeeconventie waarvan
de deelnemers elkaar de onschendbaarheid van hun grondgebied garandeerden.
In dezelfde periode begon Nederland met de aanleg van kust-
verdedigingswerken bij Vlissingen - duidelijk gericht dus tegen eventuele vijanden van het Duitse keizerrijk vanuit westelijke richting.
Het waren tekenen dat de Duitse druk op Nederland bleef voortduren. De Nederlandse neutraliteit ondervond er echter geen schade van.

naar inhoud 1900 naar index