|
MUZIEKLEVEN
De
fameuze Italiaanse tenor Caruso
Alphons
Diepenbrock
Musiceren
in de huiselijke kring was aan het begin van de 20e eeuw |
|
AFSCHEID
VAN Met de traditionele Nederlandse volksmuziek liep het aan het einde van de 19e eeuw snel af. Anders ging het echter met de ontwikkeling in de klassieke of kunstmuziek. Voor de eerste bestseller
van de piepjonge grammofoonplaten-industrie zorgde de Italiaanse tenor
Enrico Caruso: 'Terscschellinger
volksleven' heette het boek dat Jaap Kunst in 1915 het licht deed zien.
Hij was toen 25 jaar en het was zijn eerste publikatie over volksmuziek.
Later zou Kunst tot ver buiten ons land bekendheid krijgen met zijn studies
over Indonesische muziek. Maar in Nederland was al in KUNSTMUZIEK De klassieke muziek
- of liever: de kunstmuziek - ontwikkelde zich anders. In de jaren tachtig
deed de grammofoon zijn intrede; in 1902 werden internationaal voor het
eerst meer dan een miljoen kopieën verkocht van een grammofoonplaat.
Het betrof een opname van de beroemde Italiaanse tenor Enrico Caruso.
Maar ondanks de groeiende populariteit van de grammofoon musiceerde men thuis toch vooral zelf, althans in betere kringen. Meestal gebeurde dat vanaf bladmuziek met klavieruittreksels van symfonieën van Beethoven en opera's van Wagner, met liederen van Schubert en Schumann, met sonates van Mozart en met allerlei werken van Brahms en Grieg. Dat musiceren gebeurde onbekommerd en met weinig gevoel voor perfectie - al was het alleen maar omdat er nog weinig perfecte uitvoeringen waren waaraan de thuismusici zich konden spiegelen. Was er in die tijd zoiets als Nederlandse muziek? Van twee vrouwelijke componisten uit de 19e eeuw is wel gezegd dat hun werk het zuiverste voorbeeld is van een typisch Nederlandse kunst uit die periode: Hendrika van Tusschenbroek
en Catharina van Rennes. Catharina van Rennes kreeg in 1898 bovendien nationale bekendheid toen ze ter gelegenheid van de inhuldiging van koningin Wilhelmina haar Oranje-Nassau-Cantate dirigeerde, met een orkest en een koor van maar liefst 1800 kinderen. Maar afgezien van
deze twee componisten stonden veel Nederlandse componisten van de 19e
eeuw sterk onder Duitse invloed. En niet alleen van Richard Wagner en
diens nieuwe muziek. NEDERLANDS STEMPEL Anders werd dat met
de drie grootste Nederlandse componisten van omstreeks de eeuwwisseling:
Zweers, die zoals de meesten van zijn collega's een degelijke Duitse opleiding had genoten, manifesteerde zich in 1890 nadrukkelijk als Nederlands componist met zijn derde symfonie, 'Aan mijn Vaderland'. Dit werk was voor ons land een volstrekt nieuw verschijnsel. Het ging weliswaar terug op Duitse voorbeelden, maar Zweers verwerkte deze op een geheel eigen manier: met toepassing van Nederlandse volksmelodieën en met een bewust gebruik van Nederlandse benamingen voor de delen. Ook Johan Wagenaar
slaagde erin de Duitse invloed, in zijn geval overigens niet Wagner maar
de jongere Richard Strauss, op eigen wijze te vertalen. Net als Strauss
trouwens liet hij zich inspireren door de orkestrale vindingen van zijn
Franse collega Louis Berlioz. Alphons Diepenbrock
was geen beroepsmusicus maar een leraar oude talen die zich in het klassikale
onderwijs niet kon handhaven en zich met bijlessen in leven hield. |