MUZIEKLEVEN

 

 

 

De fameuze Italiaanse tenor Caruso
was de eerste zanger die furore maakte via de grammofoonplaat.
In 1902 werden van een plaat van hem
ruim een miljoen exemplaren verkocht.

 

 

 

 

 

 

 

Alphons Diepenbrock
was geen beroepsmusicus,
maar wist desondanks als componist naam te maken.
Hij ontwikkelde zich tot een van de drie grote Nederlandse componisten
van omstreeks de eeuwwisseling.

 

 

 

 

 

 

 

 

Musiceren in de huiselijke kring was aan het begin van de 20e eeuw
een geliefd tijdverdrijf, zeker in betere kringen.
Men begon er al vroeg mee, daarbij geholpen door
speciale muziekbundels voor de jeugd die bij duizenden over de toonbank gingen.

 

AFSCHEID VAN
DE VOLKSMUZIEK

Met de traditionele Nederlandse volksmuziek liep het aan het einde van de 19e eeuw snel af. Anders ging het echter met de ontwikkeling in de klassieke of kunstmuziek.

Voor de eerste bestseller van de piepjonge grammofoonplaten-industrie zorgde de Italiaanse tenor Enrico Caruso:
meer dan een miljoen platen.
In Nederland schiep intussen een drietal componisten een oeuvre dat niet geheel door Duitse invloed werd overheerst,

'Terscschellinger volksleven' heette het boek dat Jaap Kunst in 1915 het licht deed zien. Hij was toen 25 jaar en het was zijn eerste publikatie over volksmuziek. Later zou Kunst tot ver buiten ons land bekendheid krijgen met zijn studies over Indonesische muziek. Maar in Nederland was al in
1915 weinig meer over van de oude volkscultuur.

Geïsoleerde gemeenschappen als op Terschelling, waar de liedjes van mond tot mond gingen en op lange winteravonden de oude ballades nog werden gezongen, waren zeldzaam geworden. Bovendien werden na 1900 allerlei soorten accordeons populair. Door het gebruik ervan veranderde en vereenvoudigde de volksmuziek en verloor ze veel van haar traditionele karakter.
Onderzoekers als Kunst probeerden nog zoveel mogelijk vast te leggen wat er van over was. Maar in feite was het met de van oudsher overgeleverde volksmuziek al aan het begin van de 20e eeuw goeddeels gedaan. Ervoor in de plaats kwamen geleidelijk allerlei soorten amusementsmuziek die met de plaatselijke of regionale traditie weinig meer van doen hadden.

KUNSTMUZIEK

De klassieke muziek - of liever: de kunstmuziek - ontwikkelde zich anders. In de jaren tachtig deed de grammofoon zijn intrede; in 1902 werden internationaal voor het eerst meer dan een miljoen kopieën verkocht van een grammofoonplaat. Het betrof een opname van de beroemde Italiaanse tenor Enrico Caruso.
Ruim verkocht werden ook de opnamen, uit datzelfde jaar, van Antoon van Rooy, de in Rotterdam geboren zanger die het tot wereldfaam bracht in liederenrecitals en opera's van Wagner.

Maar ondanks de groeiende populariteit van de grammofoon musiceerde men thuis toch vooral zelf, althans in betere kringen. Meestal gebeurde dat vanaf bladmuziek met klavieruittreksels van symfonieën van Beethoven en opera's van Wagner, met liederen van Schubert en Schumann, met sonates van Mozart en met allerlei werken van Brahms en Grieg. Dat musiceren gebeurde onbekommerd en met weinig gevoel voor perfectie - al was het alleen maar omdat er nog weinig perfecte uitvoeringen waren waaraan de thuismusici zich konden spiegelen.

Was er in die tijd zoiets als Nederlandse muziek? Van twee vrouwelijke componisten uit de 19e eeuw is wel gezegd dat hun werk het zuiverste voorbeeld is van een typisch Nederlandse kunst uit die periode:

Hendrika van Tusschenbroek en Catharina van Rennes.
Hun (kinderliedjes lagen gemakkelijk in het gehoor, hadden
een eenvoudige maar frisse pianobegeleiding en werden buitengewoon veel gezongen.

Catharina van Rennes kreeg in 1898 bovendien nationale bekendheid toen ze ter gelegenheid van de inhuldiging van koningin Wilhelmina haar Oranje-Nassau-Cantate dirigeerde, met een orkest en een koor van maar liefst 1800 kinderen.

Maar afgezien van deze twee componisten stonden veel Nederlandse componisten van de 19e eeuw sterk onder Duitse invloed. En niet alleen van Richard Wagner en diens nieuwe muziek.
Een man als Johannes Verhuist bijvoorbeeld, die tot omstreeks 1880 als componist en dirigent het muziekleven in Nederland beheerste,moest van het werk van de meester uit Bayreuth weinig hebben.
Hij oriënteerde zich vooral op componisten als Mendelssohn en Schumann bij wie hij zijn opleiding had genoten. Al met al echter was er in zijn werk weinig dat zich van de Duitse muziek onderscheidde.

NEDERLANDS STEMPEL

Anders werd dat met de drie grootste Nederlandse componisten van omstreeks de eeuwwisseling:
Bernard Zweers (1854-1924), Johan Wagenaar (1862-1941)
en Alphons Diepenbrock (1862-1921).

Zweers, die zoals de meesten van zijn collega's een degelijke Duitse opleiding had genoten, manifesteerde zich in 1890 nadrukkelijk als Nederlands componist met zijn derde symfonie, 'Aan mijn Vaderland'.

Dit werk was voor ons land een volstrekt nieuw verschijnsel. Het ging weliswaar terug op Duitse voorbeelden, maar Zweers verwerkte deze op een geheel eigen manier: met toepassing van Nederlandse volksmelodieën en met een bewust gebruik van Nederlandse benamingen voor de delen.

Ook Johan Wagenaar slaagde erin de Duitse invloed, in zijn geval overigens niet Wagner maar de jongere Richard Strauss, op eigen wijze te vertalen. Net als Strauss trouwens liet hij zich inspireren door de orkestrale vindingen van zijn Franse collega Louis Berlioz.

Typisch Nederlands was Wagenaar vooral in zijn vaak wat spottende teksten die buiten zijn Utrechtse vriendenkring niet altijd even goed vielen. Van Wagenaars orkestwerken worden de briljant georkestreerde ouvertures 'Cyrano de Bergerac' (1905) en 'De getemde feeks'(1909) nog wel eens gespeeld.

Alphons Diepenbrock was geen beroepsmusicus maar een leraar oude talen die zich in het klassikale onderwijs niet kon handhaven en zich met bijlessen in leven hield.
Dat hij zich temidden van goed opgeleide muzikale beroeps-mensen staande kon houden was mede te danken aan zijn uitstekende kennis van de literatuur. Voor zijn composities gebruikte hij dan ook teksten van uiteenlopende dichters als Frederik van Eeden, Hölderlin, Verlaine en Baudelaire.
Zijn muzikale oorsprong lag bij Wagner, later liet hij zich ook inspireren door laat-middeleeuwse en 16e-eeuwse muziek en ten slotte raakte hij onder de invloed van Debussy.
In 1897 schreef hij zijn 'Te Deum laudamus': niet alleen een hoogtepunt in zijn eigen werk, maar ook in de Nederlandse muziek.

Zweers, Wagenaar en Diepenbrock: drie Nederlandse toonkunstenaars die aan sommige van hun werken een karakter gaven dat hen onderscheidde van hun buitenlandse collega's en deze composities bovendien over de tijd heen tilde. Toch is een minder belangrijk componist de schepper van zowat het enige Nederlandse werk uit de periode omstreeks de eeuwwisseling dat tot in deze tijd echt bekend is gebleven.

Peter van Anrooy schreef in 1901 de 'Piet Hein-Rhapsodie'.
Dat het hedendaagse publiek nog altijd plezier beleeft aan dit
stuk zal wel liggen aan de grappige wijze waarop Van Anrooy
er een herkenbare vaderlandse toon in aanslaat.

naar inhoud 1900 naar index