MISSIE EN ZENDING

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Een boekenkiosk van de gereformeerde zending
op de inlandse markt van Magelang in de jaren twintig.

De kiosk was opgezet door ds. A. Merkelijn
die er, behalve bijbels, ook andere stichtelijke lectuur
aan de christen probeerde te brengen.

Zijn activiteiten waren een zwakke echo van de inspanningen
die zijn voorgangers zich aan het einde van de 19e eeuw hadden getroost.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Het rooms-katholieke kerkje van Lomblen.
een van de Kleine Soenda-eilanden ten oosten van Flores.

De katholieke missie kwam in Nederlands-Indie pas laat tot bloei
omdat haar jarenlang de toegang tot de kolonie was ontzegd.

Toen ze na de eeuwwisseling met haar betrekkelijk nieuwe boodschap
tot enige bloei kwam,
leidde dat tot grote naijver van de zijde van de protestantse zending.

 

RACE OM GODS WOORD

 

De katholieke missie had in Nederlands-Indië een duidelijke achterstand op de zending.
Nog vóór de eeuwwisseling echter zetten de missionarissen
de achtervolging in.

Vooral in de buitengewesten stonden zendelingen en missio-
narissen vaak met lege handen.
De potentiële christenen daar hadden gewoonten en gebruiken
die nog nauwelijks waren bestudeerd, al was van sommigen bekend dat ze nog steeds koppen snelden.

Bij de monding van de Possorivier, op Midden-Celebes, zwaaide
de 22-jarige zendeling Albert C. Kruyt op 16 februari 1892 de gouvernementsstomer 'Zeeduif na.
Kruyt was de eerste zendeling in deze streek en het schip had hem zojuist naar zijn nieuwe werkgebied gebracht.

Echt goed had hij zich niet kunnen voorbereiden. Hij had iets geleerd van de taal van de Toradja's, maar voor de rest was er over dat volk maar bitter weinig bekend.
In feite stond Kruyt met lege handen bij de immense taak
de Toradja's ontvankelijk te maken voor het christelijke geloof. Geen eenvoudige opgave onder een bevolking waarvan sommige stammen nog met overgave de koppen van hun buren snelden.
Van echte prediking kon voorlopig nog geen sprake zijn.
Kruyt, die ook nog eens de eerste Europeaan was die zich in het gebied vestigde, bouwde in de kampong Tawogani in
de eerste plaats een huis. Hij zette het naast de vier gemeen-
schappelijke woningen waarin de inwoners van de kampong leefden, enige honderden in getal.
Hij sloeg een brug over de Posso, verbeterde de weg naar een naburige kampong en bood de bevolking medische verzorging aan op basis van de kennis die hij tijdens zijn opleiding in Rotterdam had opgedaan.
Bovendien bestudeerde hij de gewoonten, de maatschappelijke structuur en de religieuze belevingswereld van de Toradja's, om zo aanknopingspunten te vinden voor zijn prediking.
Tijdens Kruyts eerste en zijn daaropvolgende verblijven in het gebied, telkens van enige maanden, ging hij de taal steeds beter beheersen, wist hij het vertrouwen van de mensen te winnen (van de ouderen vooral door zijn medische hulp,
van de kinderen door het uitdelen van kralen en doosjes met een spiegeltje) en maakte hij een uiterst bescheiden begin met het vertellen van bijbelverhalen aan een kleine groep belang-
stellenden.
Het opzetten van een schooltje was de volgende stap in
de richting van de kerstening. Kruyt begon daar overigens pas mee in 1897, toen hij versterking had gekregen van een tweede zendeling. Toch zou het tot Kerstmis 1909 duren voor hij de eerste Toradja's kon dopen.

 

DE ZENDING

Albert Kruyt was geen uitzondering. Veel jonge zendelingen trokken in de jaren rond de eeuwwisseling naar de buiten-
gewesten om het christelijke geloof te verbreiden onder
de inheemse bevolking van Celebes, Sumatra en Borneo.
Er was sprake van een nieuwe zendingsgolf in Nederlands-Indië, die aansloot bij een lange protestantse traditie.
Al in de tijd van de VOC was er zending beoefend vanuit
de handelsposten, maar de resultaten ervan waren eigenlijk alleen nog waarneembaar op Java en in iets mindere mate in de Minahasa. In de 19e eeuw was vanuit Nederland de zending weer op gang gekomen.
Alleen had ze zich aanvankelijk geconcentreerd op Java en Zuid-Sumatra, waar het Nederlandse gezag stevig was gevestigd.
Tot het begin van de 20e eeuw had de veelheid aan protes-
tantse kerken zich ook weerspiegeld in de verscheidenheid aan organisaties die de verspreiding van het geloof ter hand namen.
De oudste ervan was het in 1797 opgerichte Nederlandsche Zendelingengenootschap.
Het Nederlands Bijbelgenootschap leverde zijn bijdrage door te zorgen voor een vertaling van de bijbel in het Javaans en het Madoerees en, tegen het einde van de 19e eeuw, ook in andere inheemse talen.
Na 1870 kreeg de zending in Indië een nieuwe impuls.
Het toenemende zelfbewustzijn van Nederland als natie uitte zich ook in de behoefte het christelijke geloof in de koloniën uit te dragen, als heilzaam voor de inheemse bevolking. Heidenen tot dit geloof brengen was een opdracht, wervende rijmelarijen vertolkten die. Zoals deze:
Komt over en helpt ons
Zoo roept met geween
Het volk van West-Java
Hoort gij hun gebeên?

De roep werd inderdaad gehoord; de zelfopgelegde opdracht vond in Nederland hartstochtelijke steun. De collectieve zendingsdrang werd versterkt tijdens zgn. zendingsfeesten. Aanvankelijk werden die alleen gehouden bij de Hernhutters in Zeist, maar tegen 1900 groeiden ze uit tot een massabeweging. Extra treinen brachten de vaak meer dan 10.000 deelnemers naar Wolfheze, Middachten, Ampsen, Hoevelaken. Toespraken, samenzang en, uiteraard, geldinzamelingen vormden de belangrijkste ingrediënten van deze grootste manifestaties der zendingsgenootschappen.

 

DE MISSIE

De kerstening van Indië was tot ver in de 19e eeuw het vrijwel exclusieve terrein van de protestantse kerkgenootschappen.
De rooms-katholieke kerk in Nederland was zelf immers nog volop bezig de status van missiegebied te ontgroeien. Dat ging weliswaar in snel tempo, maar van missionering op enige schaal was tot het einde van de eeuw nauwelijks sprake.

De missionering op zich was voor de Nederlandse katholieken eigenlijk een importartikel. Na 1870 vestigden zich hier vertegenwoordigingen van buitenlandse missiecongregaties, vooral Duitse en Franse, die vanuit Nederland hun werk in
de niet-westerse wereld deden. Het was een bont gezelschap: Lazaristen, Missionarissen van de Heilige Familie, Paters van
de Heilige Harten, de Sociëteit van de Afrikaanse Missiën, Missionarissen van Scheut en het Gezelschap van het Goddelijke Woord, om er slechts enkele te noemen.
Ze gaven de stoot tot twee belangrijke ontwikkelingen.
Allereerst slaagden ze erin de katholieke jeugd te winnen voor
het missioneringswerk en gaven ze dit een brede, interna-
tionale oriëntatie. Minstens zo belangrijk was dat onder hun invloed ook de reeds in Nederland gevestigde orden en congregaties zich op het missiewerk gingen richten.

De belangstelling voor het missioneringswerk onder
de Nederlandse katholieken bleef groeien, maar beleefde zijn grote bloeiperiode pas na de eeuwwisseling. Wat motivering en intensiteit betreft deed het niet onder voor de zending.
Het hoeft dan ook geen verbazing te wekken dat er duidelijk sprake was van concurrentie en naijver.
In 1897 stelde het Nederlandsche Zendelingengenootschap in zijn jaarverslag bitter vast dat 'Rome' in de Minahasa veel kwaad had gesticht en dat het einde ervan nog niet in zicht was. Het beste bewijs was wel dat voor het katholieke geloof personen werden gewonnen die met het bestuur op slechte voet stonden of door hun omgeving werden geminacht.
Een vreemde conclusie voor de volgelingen van een man die in zijn tijd omging met tollenaars en op het laatst zelfs een moordenaar een kans gaf...

naar inhoud 1900 naar index