MIDDELBAAR ONDERWIJS

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

In 1912 kreeg het rooms-katholieke en door jezuïeten geleide gymnasium
aan de Hobbemakade in Amsterdam een nieuw gebouw.
Ter gelegenheid van de opening ervan vond een reünie van oud-leerlingen plaats waarbij diverse eindexamenklassen met hun leraren op de foto gingen.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Naast de schooltypen waarvan leerplan en doelstelling
bij de wet waren geregeld,
ontstonden in het begin van de eeuw
ook allerlei particuliere opleidingen
die gericht waren op de praktijk van het moderne bedrijfsleven.

Een van de bekendste ervan was het (nog steeds bestaande)
Instituut Schoevers in Amsterdam,
dat onder andere lesgaf in typen en steno.
Deze foto van een vroeg Schoeversklasje dateert uit 1914.

 

 

 

 

 

Het nieuwe gebouw van het jezuietengymnasium
aan de Amsterdamse Hobbemakade dat in 1912 werd geopend.

Na een moeilijke periode
begon in het eerste decennium van de eeuw
voor dit schooltype een nieuwe bloeiperiode
die tot in de jaren zestig zou duren.

 

HBS OP VOORSPRONG

 

In de tweede helft van de 19e eeuw was het middelbaar onderwijs nodig toe aan modernisering.
Thorbecke gaf daartoe de aanzet, al pakte die anders uit dan
hij het had bedoeld.

De nieuwe HBS won het aanvankelijk glansrijk van het gymna-
sium.
Dichters van naam maakten er kennis met de klassieken en een latere Nobelprijswinnaar leerde er, rennend met een wind-
meter, zijn eigen loopsnelheid berekenen.

 

Al van oudsher had het onderwijs in Nederland ruime aandacht gekregen van de overheid.
De Florentijn Guicciardini schreef in 1567 dat bijna iedereen hier, ook op het platteland, kon lezen en schrijven.
Dat zal wel wat overdreven zijn geweest, maar feit is wel dat
aan het einde van de 18e eeuw ongeveer driekwart van
de mannen en drievijfde van de vrouwen in staat was een handtekening onder een trouwakte te zetten.

En vanaf de 17e eeuw had het land een schoolsysteem dat voor vrijwel elke sociale klasse en ieder niveau een onderwijs-
instelling kende.
In de 19e eeuw was dit systeem nog uitgebreid, onder andere
op het terrein van op de praktijk gerichte opleidingen.
Toch bestond er in de eerste helft van die eeuw nogal wat onvrede over met name het middelbaar onderwijs.

Over het klassieke onderwijs aan de zgn. Latijnse school (lezen, schrijven, rekenen, nogal wat Latijn, een beetje Grieks en heel veel godsdienst) klaagde een Rotterdamse rector in 1838 dat 'niemand (zelfs) droomde dat er in de grieksche en latijnsche schrijvers iets ter bevordering van het zedelijk leven gedrukt stond (en deze) slechts hulpmiddelen waren om, na geëigende studie, een post te kunnen krijgen van welks inkomen men fatsoenlijk kon leven'.

Ook de 'Franse' scholen (rekenen, boekhouden, Frans en een andere moderne taal) voldeden niet.
Een Franse schoolmeester stelde in 1841 'dat tot heden toe voor jongelingen en jongedochters (...) tot den beschaafden midden-
stand behoorende, geene inrigting bestaat, om in vereeniging met anderen, zich te blijven oefenen in die talen en wetenschap-
pen, welke hun in het maatschappelijk leven noodzakelijk zijn, en vooral van praktisch nut kunnen wezen'.

Een andere vorm voor het klassieke onderwijs en een nieuwe school voor de 'beschaafde middenstand' waren dan ook
de voornaamste doelstellingen van de onderwijsvernieuwing omstreeks de eeuwwisseling - naast een uitbreiding van het technisch en handelsonderwijs.
Van de drie beoogde schooltypen - het gymnasium, de HBS en het praktische onderwijs - zou de eerste zich vooral richten op de theorie en op de voorbereiding op het hoger onderwijs, moest de tweede de algemene ontwikkeling van de burgerij voor zijn rekening nemen en diende de derde ter verbetering van
de handvaardigheid van de lagere bevolkingsklassen.
Motor van de vernieuwing die vanaf de jaren zeventig het middelbaar onderwijs een geheel ander gezicht zou geven, was de HBS, de Hogere Burgerschool.

 

GYMNASIUM GEAMPUTEERD

Met de Wet op het Middelbaar Onderwijs die dit alles regelde, legde Thorbecke in 1863 de basis voor een drastische vernieuwing van het vervolgonderwijs in Nederland.
Hij was zich daarvan ook bewust. Bij de behandeling van zijn wet in de Eerste Kamer zei hij:
'Wij gaan. Mijne Heeren, eene groote en blijvende weldaad aan het land bewijzen.'

Toch pakte de weldaad anders uit dan Thorbecke had bedoeld. In zekere zin was hij een man van de oude stempel.
Van praktisch onderwijs moest hij niet veel hebben. Zijn voor-
keur ging dan ook uit naar het gymnasium en zijn onderwijswet was afgestemd op een duidelijk onderscheid tussen de elite en de burgerij.
Voor de eerste, de 'geleerde stand', was het elitaire gymnasium bedoeld; de 'nijvere middenstand' moest het doen met
de praktisch gerichte HBS.
De instelling van de HBS ging echter al meteen ten koste van het gymnasium.
Dit laatste dateerde al uit de eerste helft van de 19e eeuw en was een poging de Latijnse school te vernieuwen door middel van een zgn. tweede afdeling waar moderne talen, natuurweten-
schappen en soms ook handelswetenschappen gedoceerd werden. Halverwege de eeuw bezat al ongeveer de helft van
de ruim zestig gymnasia zo'n afdeling.
Maar bij de wet van 1863 werden die afdelingen opgenomen in de HBS en bleven de gymnasia geamputeerd achter.

Hoe letterlijk de HBS het gymnasium dwarszat bleek al bij
de oprichting van de eerste, in 1864 te Groningen:
het gemeentebestuur stelde het zojuist gereedgekomen gebouw van het gymnasium ter beschikking van het rijk om er... een HBS in te vestigen. Ook wat de inhoud van het lesrooster betreft zette de HBS het gymnasium al snel op achterstand.
Willem Doorenbos, rector van het gymnasium in Winschoten, koos in 1865 voor een leraarschap aan de Amsterdamse HBS omdat het literatuuronderwijs aan dit schooltype hem meer ruimte bood de klassieken te behandelen op de wijze waarop hij dat nodig vond. Tot zijn leerlingen in Amsterdam behoorden later bekend geworden dichters uit de beweging van Tachtig als Perk, Kloos en Verwey.

Nog duidelijker bleek de voorsprong van de HBS op het terrein van de exacte vakken. Hoewel dit zeker niet de bedoeling van Thorbecke was geweest nam het onderwijs in de natuurweten-
schappen op de HBS een hoge vlucht.
De laboratoria waren er vaak beter geoutilleerd dan op
de universiteiten en het onderwijs stond er op hoog niveau.

'Ik moest,' zo herinnerde de latere Nobelprijswinnaar Hendrik Lorentz zich later zijn Arnhemse HBS-tijd, 'met een windmeter die aan een lange omhoog gehouden lat was gebonden, met grooter of kleinere snelheid in een concertzaal ronddraven, en vervolgens, zoo goed en zoo kwaad als mijn toenmalige wiskunde het toeliet, het verband tusschen de aanwijzingen van het instrument en de snelheid waarmee ik gelopen had, in een formule uitdrukken.'

 

INHAALMANOEUVRE

Pas met de Wet op het Hoger Onderwijs van 1876, die voor het gymnasium een nieuw begin mogelijk maakte, kon dit klassieke schooltype de uitdaging van de HBS aannemen.

Eenvoudig was dat overigens niet; de voorsprong die de HBS met name in de exacte vakken had opgebouwd, was moeilijk in te halen. En ook al was het gymnasium in theorie de enige toegang tot de universiteit, in de praktijk wist een belangrijk gedeelte van de HBS-leerlingen via allerlei sluipwegen toch het hoger onderwijs te bereiken.
Bijvoorbeeld door het staatsexamen in de klassieken dat van een HBS'er in een of twee jaar een gymnasiast maakte.
Ook de leerlingenaantallen geven duidelijk aan dat het gymna-
sium aanvankelijk de strijd met de HBS verloor.

In 1892 waren er 29 gymnasia met 2519 leerlingen.
In 1901 was dat aantal gedaald tot 2122, in 1904 zelfs tot 1986.
Toch werd in 1876 het fundament gelegd voor een hernieuwde bloei. Het gymnasium werd een volwaardige school van voor-
bereidend wetenschappelijk onderwijs, in toenemende mate gehuisvest in nieuwe, mooie gebouwen en met een geheel eigen sfeer die tot uiting kwam in de oprichting van een groot aantal literaire en sportieve leerlingenverenigingen.

Over de vraag naar de identiteit van het nieuwe gymnasium is lange tijd heftig gediscussieerd. Sommigen zagen in dit school-
type weinig anders dan een HBS met een klassiek vernisje en vonden dat het Grieks beter ingeruild kon worden voor een of meer moderne vakken. Anderen meenden dat de nadruk eerder diende te liggen op de literaire, esthetische en cultuurhistorische waardering van de klassieken dan op de beheersing van
de grammatica. Deze laatste opvatting kreeg de overhand. Gecombineerd met een zeker snob-appeal zorgde ze ervoor
dat de bloeitijd van het gymnasium duurde van het eerste decennium van de 20e eeuw tot in de jaren zestig.

naar inhoud 1900 naar index