|
LOUIS
COUPERUS

Louis
Couperus was behalve literator ook broodjoumalist.
Als reizend correspondent bezocht hij
voor en na de Eerste Wereldoorlog tal van landen
en bracht van zijn ervaringen verslag uit in dag- en weekbladen.
Beginjaren twintig bezocht hij met zijn echtgenote onder andere Japan.

Louis Couperus in 1897, getekend door H.]. Haverman.
In dat jaar verscheen 'Metamorfoze', een terugblik op zijn leven tot dan
toe.

Een
karikatuur van de schrijver door J. Rotgans,
getekend in 1904.
De tekenaar heeft vooral de nadruk gelegd op de ijdelheid van de dandy
Couperus en, een beetje verhuld, op diens homoseksuele geaardheid.
|
|
ZWERVER TUSSEN
TOEN EN NU
Ver van Amsterdam keek een Haagse schrijver verbaasd naar
het gekrakeel van de Tachtigers. Schrijven zag hij als een ambacht. Maar
uiteindelijk zocht hij zijn inspiratie elders.
Couperus ontvluchtte
in zijn leVen twee dingen: de bekrompen-
heid van zijn geboorteland en de onmogelijkheid om binnen
de deftige burgerij waaruit hij afkomstig was blijk te geven van zijn
seksuele geaardheid. Zijn vlucht leverde een indrukwekkend oeuvre op.
Louis Couperus was
in de eerste plaats een Hagenaar.
Hij voelde zich nauw verbonden met de deftige burgerij waarin hij was
opgegroeid en bekeek van veilige afstand het artistieke tumult dat de
Beweging van Tachtig in Amsterdam veroorzaakte.
Hij verwonderde zich over de ongeduldige vernieuwingsdrang van de Tachtigers,
over hun grote verwachtingen en vooral over hun onderlinge ruzies. Waarom
ze zich zo nodig moesten verzetten tegen het bestaande ontging hem. Ook
hij zocht naar schoonheid en waarheid.
Maar voor hem waren die zeker niet te vinden in nachtelijke debatten in
een rokerige kroeg. Hij zag het schrijven vooral als
een ambacht dat hij dagelijks met toewijding beoefende en waar-
voor hij royaal de tijd nam.
Zo groeide zijn werk uiteindelijk uit tot een oeuvre dat duizenden bladzijden
omvat. En juist omdat hij zich niet afkeerde van zijn eigen milieu werd
hij de beste portrettist van de Nederlandse bourgeoisie.
HET GELUK EEN
DROOM
De jonge Couperus
werd tot schrijven aangezet door de Leidse hoogleraar Jan ten Brink die
een verklaard tegenstander van
de Tachtigers was.
Zijn eerste pogingen beloofden niet veel goeds: gedichten die een gekunstelde
en opzettelijk ouderwetse indruk maakten. Maar in 1889, hij was toen 26
jaar, werd hij plotseling beroemd met
de roman 'Eline Vere'. Geen optimistisch boek, maar wel meteen een meesterwerk.
Met het tragische leven van de hoofdpersoon liet Couperus zien hoe naar
zijn oordeel het menselijk bestaan beheerst wordt door een onverbiddelijk
noodlot. Mensen mogen zich illusies maken over hun vrijheid, uiteindelijk
kunnen ze zich toch niet losmaken van vroegere daden en beslissingen.
Wie we zijn en wat we worden is grotendeels al eerder vastgelegd; het
geluk is een droom die alleen bestaat in onze verbeelding. Tussen droom
en werkelijkheid staan verplichtingen en belangen en deze laten ons slechts
de keuze tussen berusting en ondergang.
In een reeks latere romans werkte Couperus dit thema verder uit.
In 'Metamorfoze', verschenen in 1897, gaf Couperus een terugblik op zijn
leven tot dan toe. In de Nederlandse literatuur was hij toen al een gevestigde
naam en ook in het buitenland werden zijn vertaalde boeken gelezen. Hij
had een uitgever die er alles aan deed zijn werk onder de aandacht van
een groot publiek te brengen, onder andere door middel van fraaie banden
die ontworpen werden door kunstenaars als Jan Toorop, en hij had bewezen
dat hij van zijn pen kon leven.
Maar dat alles ten spijt begon de bekrompenheid van de betere Haagse kringen
hem te beklemmen. Couperus wilde reizen.
En omdat hij een deel van zijn jeugd had doorgebracht in Nederlands-Indië
keerde hij daarheen in 1899 terug.
Hoewel hij er slechts een jaar bleef liet de geheimzinnigheid van het
oosten hem niet meer los. In 'De stille kracht' beschreef hij
de botsing tussen de Europese koloniale samenleving en de Indonesische
bevolking. Het westerse rationalisme, zo was ongeveer de boodschap, zou
met al zijn superioriteitsgevoel toch nooit vat krijgen op het mystieke
denken van Azië. 'De stille kracht' was, zoals steeds bij Couperus,
ook een liefdesroman en een vrijmoedige bovendien. Bepaalde scènes
wekten in 1900 dan ook danig schandaal.
Tussen 1900 en 1915 bracht Couperus steeds een deel van het jaar door
in het Middellandse-Zeegebied, vooral in Italië.
Het verblijf in hotels daar was kostbaar,.
Meer dan tevoren was hij daarom genoodzaakt zijn inkomen aan te vullen
met reisverslagen, verhalen, feuilletons en korte beschouwingen voor kranten
en tijdschriften.
In de meeste ervan kwam hij terug op het scherpe contrast tussen het sombere
en regenachtige Nederland en het onbezorgde, zonovergoten zuiden.
In zijn reeks Haagse romans volgden in deze periode nog twee hoogtepunten.
'De boeken der kleine zielen' 1901-1903) tonen
de ingewikkelde relaties tussen de leden van een Nederlandse familie,
beschreven aan de hand van de vrouwelijke hoofdpersoon die vergeefs probeert
haar leven meer geestelijke inhoud te geven.
'Van oude mensen, de dingen die voorbij gaan' (1906) beschrijft hoe het
geheim van een moord in Indië geleidelijk het leven van vier generaties
gaat beheersen.
HANG NAAR DE OUDHEID
Het feit dat Couperus
in Italië gemakkelijker uiting kon geven aan zijn homoseksuele geaardheid
heeft zeker bijgedragen tot zijn idealisering van dit land. Maar hij werd
ook aangetrokken door
de wereld van de klassieke oudheid waarvan hij in Italië volop
de sporen aantrof en die hem bood wat hij in Nederland miste: kleur, licht
en beweging, hartstocht en zonde.
Vooral de decadentie van het antieke Rome prikkelde zijn verbeelding.
In 'De berg van licht' (1905) vertelt hij het verhaal van de Syrische
soldatenkeizer Heliogabalus die zichzelf als zonnegod laat aanbidden en
uiteindelijk in woeste uitspattingen ten onder gaat.
De Italiaanse deelname aan de Eerste Wereldoorlog dwong Couperus in 1915
terug te keren naar Nederland.
Partij wilde hij niet kiezen en voor oorlogsverslaggeving had hij geen
talent. Om in Nederland in zijn onderhoud te voorzien trad hij regelmatig
op als spreker. Hij verscheen onberispelijk gekleed, als een volmaakte
dandy; genoot ook van deze rol en wilde zijn toehoorders graag laten geloven
dat zijn leven uitsluitend bestond uit schoonheidservaringen. Intussen
voltooide hij nog enkele grote romans die alle ontleend waren aan de oudheid.
Maar de strekking ervan was veranderd. Het ging hem niet meer om de tegenstelling
tot het moderne, burgerlijke leven maar juist om de overeen-
komsten.
De romans 'Xerxes' (1919, de geschiedenis van de Perzische keizer die
moet toezien hoe zijn leger in Griekenland wordt verslagen) en 'Iskander'
(1920, het verhaal van de opkomst en de vroege dood van Alexander de Grote)
geven in verhulde vorm commentaar op de gebeurtenissen van de Eerste Wereldoorlog.
Toen dit weer mogelijk
werd nam Couperus opnieuw zijn vroegere beroep als reizend correspondent
op. In 1921-1922 bezocht hij Noord-Afrika; daarna vertrok hij voor de
derde maal naar Nederlands-Indië en reisde vervolgens door naar Japan.
Maar tegen deze leefwijze bleek hij niet langer opgewassen.
Ziek keerde hij naar Nederland terug. Bij zijn zestigste verjaardag, in
1923, werd hij door vrienden en bewonderaars uitgebreid gehuldigd. Van
al zijn verdiensten roemden ze vooral zijn enorme werkkracht: hij had
inmiddels bijna zestig boeken gepubliceerd. Voor zijn welverdiende rust
kreeg Couperus een klein huis aange-
boden aan de bosrand in het Gelderse De Steeg.
Vijf weken nadat hij het had betrokken overleed hij er:
een Haagse schrijver die nergens rust had gevonden.
|