|
LITERATUUR

Lodewijk
van Deyssel,
als schrijver van kritieken gewaardeerd én gevreesd.

Herman
Gorter,
auteur van het fameuze gedicht 'Mei',
koos aan het einde van de 19e eeuw voor het socialisme.
Hij sloot zich aan bij de SDAP
en zette zich als theoreticus en propagandist in
voor de politieke idealen van deze partij.

Het
handschrift van Albert Verwey.
In 1894 richtte hij samen met Van Deyssel
het 'Tweemaandelijksch Tijdschrift' op,
het latere 'De Twintigste Eeuw'.

Willem
Kloos op latere leeftijd,
een paar jaar voor zijn dood in 1938.
Van de tijdelijke krankzinnigheid
waartoe hij door depressies en overmatig drankgebruik was vervallen,
was hij toen weliswaar genezen
maar de uiterlijke sporen ervan droeg hij voorgoed met zich mee.
|
|
TUSSEN KUNST
EN ENGAGEMENT
De Tachtigers kozen
aanvankelijk, elk op eigen wijze, voor het beginsel van kunst om de kunst.
Hun beweging viel uiteen toen dit idee niet langer te handhaven bleek.
Wllem Kloos was de
laatste die scheldend en drinkend vasthield aan het oorspronkelijke uitgangspunt
van de Tachtigers.
Alle anderen gingen in uiteenlopende richtingen op zoek naar een nieuw
engagement dat van sommigen van hen partij-
gangers maakte.
Een aantal jonge
Amsterdamse kunstenaars richtte in 1885
het tijdschrift 'De Nieuwe Gids' op.
De groep, die al gauw bekend raakte als de Beweging van Tachtig of de
Tachtigers, bestond uit een uiteenlopend gezelschap van dichters, schrijvers,
schilders en critici.
Wat hen bijeenbracht was een afkeer van de opvattingen over kunst die
destijds gangbaar waren. Ze wilden niet deftig of geleerd zijn, zoals
de schrijvers rondom het oude tijdschrift
'De Gids', en ze wilden vooral geen stichtende boodschap brengen zoals
de vele dichtende dominees die Nederland toen rijk was.
Het ideaal van de Tachtigers was schoonheid en waarheid. Ongehinderd door
morele belemmeringen moest de kunstenaar kunnen weergeven wat zijn gevoelens
en gedachten waren en wat hij zag in de werkelijkheid om hem heen.
Kunst om de kunst was hun leuze.
NIEUW GELUID IN
VEELVOUD
Tussen 1885 en 1895
maakte de beweging een stormachtige geschiedenis door. De Tachtigers wilden
het artistieke leven in Nederland opnieuw op een internationaal peil brengen
maar ze wilden dat allen op een andere manier.
En hoe hoger de verwachting, hoe groter de kans op conflicten.
Willem Kloos gaf
in zijn gedichten uitdrukking aan zijn verlangen naar een onbereikbare
schoonheid: 'Ik ben een god in het diepst van mijn gedachten'.
Lodewijk van Deyssel,
die veel indruk maakte met zijn machtige kritieken - nu eens bijtend van
spot, dan weer hoog-gestemd - had andere ambities: 'Wij willen Holland
hoog opstoten in de vaart der volken'.
Herman Gorter, die
in 1889 een groot publiek bereikte met zijn vertelling-in-dichtvorm 'Mei',
bracht in de beginregels ervan nog het beste onder woorden wat de beweging
wilde zijn:
'Een nieuwe lente, een nieuw geluid'.
In de eerste jaren
had Kloos een leidersrol toegewezen gekregen maar zijn houding ontmoette
steeds meer kritiek. Persoonlijke en principiële geschillen liepen
daarbij dooreen.
In 1889 kwam er bijvoorbeeld een einde aan de innige vriendschap tussen
Kloos en de iets jongere Albert Verwey toen de laatste besloot in het
huwelijk te treden.
Verwey werkte
hierna niet langer mee aan 'De Nieuwe Gids'.
Ook met Frederik
van Eeden kwam het herhaaldelijk tot botsingen. Van Eeden was in het gezelschap
altijd al een buitenstaander geweest. Voor hem was de literatuur nu juist
wél een middel om een opbouwende boodschap te brengen.
En hij verdacht Kloos ervan het tijdschrift te willen gebruiken als propaganda
voor een literaire vorm van decadentie.
In 1890 publiceerde
Herman Gorter de bundel 'Verzen' waarin hij ieder verhaal wegliet en alleen
de directe weergave optekende van zijn indrukken en stemmingen.
Het grote publiek reageerde verbijsterd op deze korte verwoordingen van
klank, kleur en gevoel.
Kloos en Van Deyssel echter prezen de bundel als de verwerke-
lijking van hun ideaal: dit was nu inderdaad 'de individueelste expressie
van de individueelste emotie'.
Maar Gorter zelf kwam tot de conclusie dat hij op deze indivi-
dueelste weg niet verder kon. Hij ging op zoek naar een meer filosofisch
en maatschappelijk houvast.
DE WEGEN SCHEIDEN
ZICH
Na 1890 begon zich
binnen de beweging een nieuwe koers af te tekenen.
Het idee van kunst om de kunst bleek niet te handhaven.
Het socialisme werd een belangrijk onderwerp van discussie onder de Tachtigers.
Kunst en letterkunde, zo luidde het nieuwe credo, moesten voortaan een
voertuig zijn van wijsgerige en politieke inzichten en aan de samenleving
een voorbeeld stellen.
Gorter verdiepte zich in de filosofie van Spinoza; Van Eeden streefde
naar sociale verbetering door een groter wederzijds begrip; anderen omhelsden
het marxisme of vonden steun in religieuze bezinning.
Van Deyssel reageerde op deze koersverandering aanvankelijk met een hooghartig
decadentisme - maar bekeerde zich vervolgens zelf tot een mystiek-theosofische
levensbe-
schouwing.
Kloos was alleen maar woedend. In 'De Nieuwe Gids' kwam hij uiteindelijk
vrijwel alleen te staan. Samen met enkele jonge bewonderaars vulde hij
het blad afleveringen lang met scheld-
tirades tegen zijn vroegere vrienden en medewerkers.
In 1894 verviel hij ten slotte door depressies en overmatig drankgebruik
tot tijdelijke waanzin. Via een medische behandeling, door Van Eeden en
anderen, werd hij op het nippertje genezen. Hij bleef 'De Nieuwe Gids'
als redacteur leiden tot zijn dood in 1938.
Albert Verwey en Lodewijk van Deyssel richtten in 1894 het 'Tweemaandelijksch
Tijdschrift' op dat in 1900 werd omge-
doopt tot 'De Twintigste Eeuw'. De felle politieke en artistieke discussies
die voor de Beweging van Tachtig zo kenmerkend waren geweest werden echter
vooral voortgezet in het weekblad 'De Kroniek'.
Dit blad was een schepping van Pieter Lodewijk Tak, een journalist en
politicus die ook al aan 'De Nieuwe Gids' had meegewerkt.
Tak was een vooruitstrevend
liberaal met een sterke belang-
stelling voor sociale problemen en op de duur ook voor het socialisme.
Hij was ervan overtuigd dat schrijvers en kunste-
naars een bijdrage konden leveren aan de maatschappelijke vooruitgang.
Daarom probeerde hij hen zoveel mogelijk uit te dagen en tot nieuwe ideeën
te prikkelen.
In 'De Kroniek' werd veel getheoretiseerd over de samenleving van de toekomst
die aan de kunst een vaste plaats in het leven van alledag zou geven.
Van dit hooggestemde optimisme is uiteindelijk weinig terecht gekomen.
Voor een grote lezerskring was het blad te moeilijk en het aantal abonnees
bleef klein. Toch maakte 'De Kroniek' duidelijk dat kunst niet kan bestaan
in een sociaal isolement. Het blad dwong tot een keuze en oefende daarmee
een beslissende invloed uit op de intellectuele elite.
In 1897 besloten
Herman Gorter en de dichteres Henriëtte Roland Holst zich aan te
melden als lid van de nog jonge SDAP. Ze kozen daarmee definitief voor
het politieke engagement. Hun betrokkenheid bij de partij hield immers
in dat zij voortaan ook optraden als theoretici en propagandisten van
het socialisme.
Tak volgde hun voorbeeld in 1900 en boog 'De Kroniek' vervolgens in partijpolitieke
zin om. Anderen wendden zich juist van het socialisme af en zochten hun
heil in een vorm van politiek conservatisme.
Van de vroege Tachtigers is Albert Verwey er nog het langste in geslaagd
zich boven de meningsverschillen te stellen. Hij zag het als zijn taak
in de uiteenlopende stromingen van zijn tijd een gemeenschappelijk element
te zoeken. In zijn poëzie probeerde hij opbouwend en vooruitstrevend
te zijn zonder zich te binden aan een bepaald systeem.
Met zijn tijdschrift 'De Beweging' werd hij na 1905 tot een vaderfiguur
voor een volgende generatie van schrijvers en dichters.
|