HENDRIK GOEMAN BORGESIUS (1847-1917)

 

 

 

 

 

 

 

 

Goeman slikte zijn principiële bezwaren
tegen het beperkte kiesrecht in
toen hij minister werd in het kabinet-Pierson.
In 'Het Volk' stond deze spotprent 'De weerhaan'.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Hendrik Goeman Borgesius

 

 

 

 

 

 

LIBERAAL VOOR HET VOLK



Een wat slonzige man met een Gronings accent en een afkeer van theatraal gedoe. Achter dat uiterlijk ging een vooruitstrevende liberaal schuil die oprecht streed voor sociale rechtvaardigheid.

Als scholier zag Goeman Borgesius een van zijn vrienden het slachtoffer
worden van een streng en onrechtvaardig regime. Hij vergat het incident nooit en het drukte een stempel op zijn loopbaan als liberaal politicus.

De vorming van de moderne Nederlandse staat is voor een belangrijk deel het werk geweest van de 19e-eeuwse liberalen.Johan Rudolf
Thorbecke had met de grondwetsherziening van 1848 het fundament gelegd voor de parlementaire democratie, Samuel van Houten gaf met zijn 'Kinderwetje' van 1874 de eerste aanzet voor de Nederlandse arbeidswetgeving.
En de gedreven Groninger Hendrik Goeman Borgesius wijdde zijn wetgevende arbeid aan de opbouw van wat nu de verzorgingsstaat heet.

Als parlementariër en minister gaf hij een beslissende impuls voor
de aanpak van de 'sociale kwestie' door middel van overheidsmaat-
regelen en collectieve voorzieningen.
Zijn werk is tevens van grote betekenis geweest voor de ontwikkeling van het Nederlandse liberalisme dat sindsdien het staatsingrijpen in maatschappelijke verhoudingen geaccepteerd heeft als iets waaraan in een moderne samenleving niet te ontkomen valt.

SCHOLIER IN HET NAUW

Goeman Borgesius was de zoon van een orthodox-protestantse arts
in het Groningse dorp Schildwolde. Als beloning voor zijn prestaties op
de lagere school mocht hij van zijn vader zelf een middelbare school kiezen.
Na een oriënterende rondreis koos hij voor de Latijnse school te Ootmarsum. Dat bleek een vergissing. Op de school heerste een straf regime dat vooral gericht was op discipline en deze uiterst hardhandig nastreefde met onvrijheid, onbillijke tuchtmaatregelen en regelrechte
mishandeling - zo zelfs dat ze een van zijn vrienden het leven kostte.

Goeman Borgesius is zijn verontwaardiging over deze kwellingen nooit kwijtgeraakt. Voor een deel bepaalde ze ook zijn verdere leven:
het streven naar goed onderwijs en het bestrijden van onrecht werden
in zijn politieke loopbaan steeds terugkerende thema's.

Na zijn middelbare-schooltijd besloot hij aanvankelijk theologie te gaan studeren in Groningen. Als student raakte hij echter los van het geloof, waarna hij overschakelde op de rechtenstudie. In 1868 promoveerde
hij summa cum laude op 32 stellingen waarin de liberale democraat van later reeds zichtbaar is.
Zo pleitte hij voor humanisering van het gevangenisregime, salaris-verbetering voor onderwijzers, uitbreiding van het kiesrecht, bescherming van de werklieden en internationale arbitrage teneinde oorlogen te voorkomen.

Goeman Borgesius begon zijn loopbaan als leraar staatswetenschappen. Tegelijkertijd was hij actief als publicist. Hij schreef bijdragen voor verscheidene kranten en in 1871 werd hij gevraagd als hoofdredacteur van het nieuwe dagblad 'Het Vaderland'.
Onder zijn leiding ontwikkelde deze krant zich tot spreekbuis van voor-
uitstrevende liberalen met een kritische en onafhankelijke instelling.

Doordat hij zelf het parlementaire overzicht schreef, kwam hij in aanraking met de Haagse politiek.
Toen hij in 1877 door zijn vroegere hoogleraar B.D.H. Tellegen werd voorgedragen voor de Tweede-Kamerzetel van het district Winschoten accepteerde hij deze, in de achteraf onjuiste veronderstelling dat hij
'niet zo rood zoude worden als Van Houten'.

'POLITIEKE SLIMMELING'

'Alle politiek is slechts kleinzielige politiek als zij zich niet ten doel stelt verbetering te brengen in het lot van de overgrote massa,' stelde hij in
de verkiezingsstrijd van 1897.

In zijn politieke opvattingen was Goeman Borgesius sterk beïnvloed door het zgn. 'kathedersocialisme', de aanvankelijk spottend bedoelde benaming voor de sociale bewogenheid van hoogleraren en gegoede burgers. In deze kring zocht men naar een middenweg tussen collectivisme en ongebreideld individualisme.

Goeman was tegen het klassieke laissez-faire liberalisme, dat hij betitelde als de 'leer van de zelfzucht' en waarin geen plaats was voor 'medelijden en menschenliefde'.
Maar evenzeer was hij een tegenstander van de klassenstrijd en de 'revolutionaire overmoed' van het socialisme. Ieder moest de vruchten van zijn eigen arbeid kunnen plukken, dus verschillen in inkomen waren gerechtvaardigd. Tegelijkertijd echter diende de staat de zwakkeren te beschermen en de harmonie in de samenleving te bewaren.

Vooral door zijn pragmatisme heeft Goeman Borgesius veel van zijn idealen kunnen verwezenlijken. Hij gold als een 'politieke slimmeling' en verstond de kunst van het haalbare.
Tegen het advies van zijn vooruitstrevende vrienden in nam hij als minister van Binnenlandse Zaken zitting in het kabinet-Pierson
(1897-1901).
Hij moest daarvoor zijn principiële bezwaren tegen het nog beperkte kiesrecht opzij zetten — maar zijn kabinetspost stelde hem wél in staat een aantal hoognodige sociale hervormingen tot stand te brengen.
Zijn optreden als minister kwam hem op scherpe kritiek te staan, niet alleen van zijn behoudende tegenstanders maar ook van zijn voormalige medestanders. Maar achteraf gezien blijkt zijn periode als bewindsman bijzonder belangrijk te zijn geweest voor 'het lot van de overgrote massa'
waarvan hij in de verkiezingsstrijd gewag had gemaakt.

Tijdens zijn ministerschap werd ondermeer de Leerplichtwet ingevoerd, de openbare gezondheidszorg opgezet, de gemeentelijke verantwoorde-lijkheid voor sociale woningbouw uitgebreid en kwam de eerste ver-
plichte volksverzekering tot stand (Ongevallenwet).

Na zijn ministerschap keerde Goeman Borgesius in de Tweede Kamer terug als fractieleider van de grootste liberale partij van dat moment,
de Liberale Unie.
Een charismatisch leider was hij overigens niet. Hij zag er wat slonzig uit, had een zwakke stem met een duidelijk Gronings accent, moest niets hebben van theatrale effecten en maakte soms een wat hooghartige indruk.
Desondanks was hij een veelgevraagd spreker. Want zijn naam stond voor iets: een sociaal programma en de sterke overtuiging van een bekwaam maar bovenal oprecht strijder voor sociale rechtvaardigheid.

naar inhoud 1900 naar index