LETTEREN EN WIJSBEGEERTE

 

 

 

 

 

Prof. dr.J, te Winkel
was een van de neerlandici
die overtuigd aanhanger waren van het positivisme.
Literaire werken konden naar zijn mening op dezelfde wijze
worden gedetermineerd, ingedeeld en beschreven
als fenomenen uit de exacte wetenschappen.
Niet iedereen was het daarmee eens.

 

Allard Pierson,
typisch voorbeeld van de 19e-eeuwse intellectueel,
wisselde in het debat tussen positivisten en hun tegenstanders
enige malen van positie.
Begonnen als gelovig predikant,
eindigde hij als iemand die het niet mogelijk achtte
een oordeel te hebben over het wezen der dingen.

 

De Leidse filosoof prof. dr. C. Bolland
moest weinig hebben van de wijsbegeerte van zijn tijd
die naar zijn oordeel
niet op zoek was naar wijsheid maar naar kennis.

 

Prof. dr. P.J. Blok uit Groningen
behoorde eveneens tot het kamp der positivisten.
Als historicus was hij van mening dat het heel goed mogelijk was
de geschiedschrijving te vangen in formules.

 

OPMARS VAN
DE FORMULE

 

 

In letteren en wijsbegeerte ontstond omstreeks de eeuwwisseling een verhit debat dat het gewone volk ontging, maar wetenschap-
pelijk gezien vangrote betekenis was. Liet kunst zich vangen in formules?

De strijd tussen de rekenmeesters van de werkelijkheid en
de zoekers naar een waarheid achter de meetbare realiteit spitste zich toe in hoofd en hart van Allard Pierson.
De uitkomst in zijn geval: men onthoude zich van een oordeel.

Het debat tussen positivisten en hun tegenstanders, zo ken-
merkend voor de gehele wetenschapsbeoefening omstreeks 1900, bracht met name de letteren en wijsbegeerte in grote beroering.
Naar het voorbeeld van de natuurwetenschappen groeide ook
op dit terrein bij sommige geleerden een heilig ontzag voor het brute feit, het positieve gegeven, de volledige reeks van gege-
vens vooral — het 'cohort der feiten' zoals het heette - en voor
de daaruit af te leiden wetmatigheid.

Van kennis, zo meenden deze geleerden, was alleen sprake indien deze berustte op ervaringsgegevens en wetenschappelijk was verwerkt. Ook de wijsbegeerte mocht alleen op wetenschap-
pelijke wijze worden bedreven, zonder in te gaan op metafysische speculaties. Met deze kille, voor sommigen zelfs onmenselijke wetenschap echter wensten hun tegenstanders niets van doen
te hebben.

 

ZOEKEN NAAR DE WERKELIJKHEID

Het grote debat dat in deze periode gevoerd werd tussen letterkundigen en wijsgeren van beide richtingen ging over
het verschil tussen ervaring en waardering, werkelijkheid en schoonheid, wetmatigheid en verantwoordelijkheid.

Nergens in Nederland is dit debat met grotere felheid en inzet gevoerd dan in het hart en het verstand van een man die kort voor de eeuwwisseling overleed en van wie gezegd kan worden dat in hem de 19e-eeuwse intellectueel is belichaamd:
Allard Pierson.

Pierson was opgegroeid in een gezin waarin, naast de handel,
de godsdienstige opleving van het Réveil een belangrijke rol speelde. Aan de universiteit van Utrecht verloor hij echter het geloof waarin hij was opgevoed.
Op de dag waarop men daar de eerste statistiek van sterf-
gevallen en geboorten maakte, zo heeft hij later weleens gezegd, verloor hij het geloof in een persoonlijke God.
Als gevolg daarvan ontwikkelde hij een 'hartstogt der werke-
lijkheid' waarin de natuurwetenschappelijke methode en
de zintuiglijke evaring een grote rol speelden.
Pierson gaf zijn predikantschap op en koos voor een hoogleraar-
schap in Duitsland.

 

RUST OF OORDEEL

In Duitsland zou hij opnieuw tot een ander inzicht komen.
In een beroemd artikel in 'De Gids' legde hij daarvan in 1871 getuigenis af. Van de Duitse natuurkundige Hermann von Helmholtz hoorde hij persoonlijk dat de wereld die we met onze zintuigen waarnemen, in ons bewustzijn tot stand komt en dus uitsluitend het werk is van de menselijke geest.
Hiermee was voor Pierson de objectiviteit van de zintuiglijke waarneming, 'de hartader van het naturalisme', voorgoed ondergraven. Hij ruilde daarom zijn 'hartstogt der werkelijkheid' in voor een levenshouding die hij abstentionisme noemde en die hij wel heeft omschreven als een van kunstzin doortrokken agnosticisme.
Over het wezen der dingen, vond hij, viel geen zinnig woord te zeggen, en rust was slechts te vinden in het zich onthouden van een oordeel.
Pierson bleef wel haken naar een hoger wezen, maar alleen
de kunst kon hem daarvan een benadering geven.
Als hoogleraar in de moderne talen en letterkunde, esthetiek en kunstgeschiedenis aan de universiteit van Amsterdam droeg hij tussen 1877 en 1895 deze boodschap uit.

 

DISCUSSIE OP BREED TERREIN

Dit debat is terug te vinden bij vrijwel alle letterkundigen, historici en filosofen van deze periode. Vooral onder neerlandici had het positivisme, zeg maar Piersons 'hartstogt der werkelijk-
heid', stevig wortel geschoten.

In Amsterdam leerde Jan te Winkel dat de geschiedschrijver van de letterkunde zich diende te beperken tot een onpartijdige, objectieve, exactbeschrijvende, vergelijkende en klassificerende behandeling van literaire werken.
Zijn Leidse collega Jan ten Brink vond in het voetspoor van
de Franse positivist H. Taine dat elk literair werk gedetermi-
neerd kon worden volgens de begrippen ras, milieu en moment.
'Wij pogen letterkundige psychologen te worden,' stelde hij goedhartig vast.

Ook zijn Utrechtse collega Gerrit Kalff stelde dat hij 'met behulp vooral der psychologie' een stevige basis wilde leggen voor een exacte literatuurwetenschap.
In dezelfde periode sprak de Leidse kunsthistoricus W. Martin van 'wetten waaraan de kunst gebonden is in ontstaan en ontwikkeling, bloei en verval'. De kunst, gevangen in formules.

Op geschiedkundig terrein was de bekende historicus P.J. Blok, hoogleraar in Groningen en later te Leiden, eveneens van mening dat objectieve geschiedschrijving - geschiedschrijving per formule - wel degelijk mogelijk was.
Hij kreeg weerwerk van zijn Groningse collega Bussemaker die er weinig voor voelde de methoden van de natuurwetenschappen toe te passen op de geschiedschrijving. Zowel bij de selectie van feiten als bij de compositie van een historisch werk speelden naar zijn mening het oordeel van de historicus over het belang van die feiten een doorslaggevende rol.

 

DEBAT DER FILOSOFEN

Een vergelijkbaar debat werd gevoerd onder filosofen.
Aan de ene kant stond de Groningse hoogleraar G. Heymans die zijn leerstoel wijsbegeerte omvormde tot een leeropdracht experimentele psychologie. Als eerste in Nederland richtte hij een psychologisch laboratorium in waar hij onder andere onder-
zoek deed naar de psychische eigenschappen van de mens.

Lijnrecht tegenover zijn opvatting van de filosofie stond die van de Leidse filosoof G.J.P.J. Bolland. Deze was niet op zoek naar kennis, zoals de positivisten, maar naar wijsheid.
Hij moest dan ook niets hebben van de wijsbegeerte van zijn tijd die hij aanstellerig, exact en wetenschappelijk vond, 'eene van het leven afgewende scholastiek, waarin men bij straffe van belachelijkheid de alleenzaligmakende heerlijkheid der objectieve wetenschappen en de nietigheid der metaphysische overtuigingen heeft te demonstreren'.
Naar zijn mening had de 'mechanistische natuuropvatting als methode weliswaar haar goed recht van bestaan' maar was ze als theorie 'eene bekrompene, plat eenzijdige dwaasheid'.

naar inhoud 1900 naar index