DE LEGERKWESTIE



  Te wapen op een koopje


 

 

 

Nederlands legerkamp te velde,
gefotografeerd op de Gooise hei bij Laren.
De opname dateert uit 1912, het jaar waarin minister Hendrik Colijn
de lang voorbereide legerhervorming voltooide.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De commandant van het Nederlandse veldleger,
luitenant-generaal W. de Meester (met grijze snor)
tijdens manoeuvres van zijn troepen in Gelderland in 1911.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Oefening van het Nederlandse leger
aan het einde van de 19e eeuw.
Detail uit een schilderij van Hoynk van Papendrecht,
een kunstenaar die in Nederland en Nederlands-Indië tal
van militaire acties en situaties vastlegde.

 

 

Tot ergernis van koningin Wilhelmina was het Nederlandse leger aan het begin van de eeuw nauwelijks berekend voor zijn taak.
Dat was vooral een financiële kwestie: niemand had er geld voor over.

Tot ver na de eeuwwisseling bepaalde het lot wie er onder de wapenen werd geroepen. En voor een rijke loteling was er tot het einde van de eeuw altijd nog een uitweg: voor een luttel bedrag huurde hij een remplaÇant die zich in zijn plaats in 's konings wapenrok liet steken.

Met het Nederlandse leger was het aan het begin van deze eeuw bedroevend gesteld.

De Raad van Defensie, in 1910 om advies gevraagd door minister Colijn van Oorlog, wond er geen doekjes om. De marsvaardigheid was slecht, wachtdiensten werden nonchalant uitgevoerd,
de discipline was ver te zoeken en de manschappen waren nog brutaal op de koop toe: vergrijpen tegen de tucht kwamen steeds vaker voor. Het leger, kortom, was niet op zijn taak berekend.

En dat in een tijd waarin de spanningen tussen de grote mogend-heden snel opliepen en Engeland of Duitsland best eens op
de gedachte konden komen de strategisch zo belangrijke mondingen van onze grote rivieren te bezetten om de ander vóór te zijn.
De Nederlandse gevechtskracht moest toch op zijn minst voldoende zijn om zo'n avontuur te verhinderen.

Al in 1905 had de toen 26-jarige koningin Wilhelmina minister-president Kuyper een aantal dringende vragen gesteld over
de Nederlandse defensie. Naar het schijnt was ze vooral bevreesd dat de Duitse keizer zich aan haar land zou vergrijpen.
In een zeer vertrouwelijke nota schreef ze:
'Wil men Nederland zijne plaats in Europa doen behouden en in staat stellen zijne verplichtingen in het Europeesch Concert zoo na te komen, dat het zich kan verdedigen en het zijne neutraliteit kan handhaven? Zoo ja, dan zal men zich moeten vereenigen met een goed legerplan, doelmatig ingericht voor een klein leger met langen oefentijd. Wil men dat niet? Maar dan bedenke men, dat men de oorlogsuitgaven wel kan besparen.'

De meerderheid van de Tweede Kamer was overigens wel degelijk voor een behoorlijke landsverdediging. Eigenlijk stemden in de regel alleen de sociaal-democraten tegen de defensiebegroting, onder andere omdat ze van mening waren dat Nederland tegen
de grote mogendheden toch niets zou kunnen uitrichten.
Het probleem zat hem in iets anders: in de precaire staat van
's lands financiën. Ook Wilhelmina was zich bewust van die krappe beurs. Maar anders dan de meeste parlementariërs was ze van mening dat het beschikbare geld heel wat doelmatiger kon worden besteed. Ze had zich daarover uitvoerig laten voorlichten door legertop en militaire experts en kende ook op dit gebied de dossiers
tot in details.

JAN KANON EN HET BLIJVEND GEDEELTE

Al sinds 1898 was er aan het leger gesleuteld.
In dat jaar had de toenmalige minister van Oorlog K. Eland - in
de volksmond Jan Kanon genaamd - bepaald, dat Nederlandse dienstplichtigen (in die tijd nog lotelingen) hun dienstplicht zélf moesten vervullen. Daarmee had hij in elk geval een einde
gemaakt aan de schrijnende misstand van de zogenaamde remplaÇanten: arme drommels die tegen een geringe vergoeding
de plaats innamen van beter gesitueerde lotelingen.
Maar toen Eland vervolgens met de Tweede Kamer in conflict kwam over de duur van de eerste oefening (naar zijn mening was die te kort) trad hij af.

Hij werd opgevolgd door de chef van de generale staf, luitenant-generaal A. Kool. Deze dacht dat hem wél zou lukken hetgeen Eland door de kamer niet was toegestaan.

In 1901 vergrootte hij het zgn. 'blijvend gedeelte' van de land-macht: de groep dienstplichtigen die 's winters onder de wapenen moest blijven voor wacht- en corveediensten, voor de beveiliging van de openbare orde en voor een vlot verloop van een eventuele mobilisatie.
Voor die uitbreiding moest een groot gedeelte van het jaarlijkse contingent van 17.500 lotelingen nog eens vier maanden nadienen. De miliciens die dit lot trof waren daar uiteraard niet gelukkig mee - en bovendien bleek de uitbreiding heel wat meer te kosten dan Eland had begroot. Militaire deskundigen vonden tegelijkertijd dat een eerste oefening van acht maanden veel te kort was. Ook de koningin dacht er zo over.

De kritiek van de legerleiding werd nog luider onder
het kabinet- De Meester dat aantrad in 1905.
De samenstelling van de kamer was in de voorafgaande verkie-zingen in linkse richting verschoven. De meerderheid voelde wel voor bezuinigingen op defensie en wilde tegelijkertijd tegemoet-komen aan de bezwaren tegen het blijvend gedeelte.

In de Troonrede van 1905 liet het kabinet echter weten dat het op den duur weliswaar streefde naar een soort volksleger met meer miliciens en een kortere diensttijd, maar dat het daar op dat moment nog niet veel voor voelde, evenmin als voor een vermindering van het blijvend gedeelte van de landmacht.
Wie schetst dan ook de verbazing van de kamerleden toen generaal-majoor H.P. Staal, de nieuwe minister van Oorlog,
in 1907 plotseling met het voorstel kwam het blijvend gedeelte juist wél in te krimpen. De cavalerie moest er zelfs helemaal uit.
De legerleiding was in rep en roer.

STAAL EN DE SCHUTTERIJ

In de 'nacht van Staal', van 21 op 22 december 1906, liep het debat in de Tweede Kamer hoog op.
'Zelden heb ik een meer spannende zitting der Kamer bijgewoond,' schreef het Delftse liberale kamerlid W.H. de Beaufort in zijn dagboek.

Jhr. mr. V.E.L. de Stuers wierp de minister voor de voeten
'...dat onze defensie nog nooit in zulk een angstwekkenden staat is geweest als heden...'

Volgens deze katholieke afgevaardigde uit Weert maakte Staal '...ons leger tot iets, dat de schutterij, zaliger nagedachtenis, zou nabij gaan komen'.

In de vroege ochtend lukte het de minister van Oorlog desondanks zijn voorstel met kunst- en vliegwerk door de kamer te slepen. Precies een jaar later leed het echter alsnog schipbreuk in
de Eerste Kamer, waarna het kabinet aftrad. Staal had overigens al eerder het veld geruimd.

Nog vóór de nacht van Staal had de koningin een kabinetsraad bijeengeroepen om de ministers deelgenoot te maken van haar zorgen ten aanzien van de landsverdediging. Ze bleef bij haar opvatting dat er een kleine maar uitstekend geoefende legermacht moest komen waarmee een neutraal Nederland zich, in geval van een aanval op zijn grondgebied, op het laatste nippertje nog zou kunnen aansluiten bij een bevriende mogendheid.
Dat was misschien wat naïef gedacht, maar gaf in elk geval blijk
van een duidelijke opvatting.

In het volgende kabinet koos Colijn als minister van Oorlog echter voor een andere weg. In 1912 voltooide hij op kundige wijze de legerhervorming waarmee Eland een begin had gemaakt.

Het jaarlijkse contingent dienstplichtigen werd uitgebreid tot 23.000 man, maar de duur van de eerste oefening bleef beperkt tot ruim acht maanden.
Het blijvend gedeelte werd billijker geregeld, in die zin dat het winterverblijf in de kazerne voor de troepen voortaan minder belastend zou zijn.
Het leger bleef de proef op de som bespaard. Toen twee jaar later
de Eerste Wereldoorlog uitbrak, bleef Nederland neutraal, al was dat vooral te danken aan de Duitse legerleiding die uiteindelijk besliste dat het voordeliger zou zijn de Nederlandse havens buiten de krijgsverrichtingen te houden.

naar inhoud 1900 naar index