|
Van
elitespel naar volkssport

Toegangsbiljet
voor de wedstrijd Nederland-Engeland
op 24 maart 1913 in Amsterdam.
Van
dit soort landenontmoetingen,
omstreeks de eeuwwisseling populair geworden,
zou Nederland-België het langst overleven.

het
Nederlands elftal dat op 30 april 1908
in Antwerpen met 4-1 won van de 'rode duivels', de Belgen.
Staande, tweede van links, de fameuze spil 'Bok' de Korver
die twintig jaar uitkwam voor Sparta en 31 interlands speelde.
Een van de dominerende voetbalclubs in het begin van de 20e eeuw
was het Rotterdamse Sparta.
Deze opname werd gemaakt in mei 1912
tijdens de wedstrijd tegen GJ/C
dat toen ook een gooi deed naar het kampioenschap van Nederland.
|
|
De
opmars van
Koning Voetbal
Paters en gastarbeiders zorgden er eind van de 19e eeuw voor
dat Nederland kennis kon maken met een nieuwe sport: voetbal.
Een succes. In 1911 telde het land reeds 346 clubs.
De eerste kampioen
van Nederland, in 1898, was een club uit Amsterdam.
Ze heette niet Ajax maar RAP.
Tot de clubs die vervolgens jarenlang domineerden, behoorde
het Rotterdamse Sparta.
Een van de sterren van Sparta: de fameuze spil 'Bok' de Korver.
Voetbal,
als georganiseerde sport, is naar Nederland komen overwaaien uit Engeland.
In 1863 werd daar de Football Association opgericht en al in 1885 deed
het beroepsvoetbal er zijn intrede.
Oost-Nederland leerde het spel kennen omstreeks 1870, via Engelse gastarbeiders
in Enschede en door de bemoeienissen
van de Twentse textielfabrikant Jan van Heek die er in Engeland kennis
mee had gemaakt.
Ongeveer
in diezelfde tijd introduceerden jonge paters jezuïeten die in Engeland
hun opleiding hadden gekregen, het spel op
de Nederlandse internaten van hun congregatie.
De eerste Nederlandse voetbalclub, de Haarlemsche Football Club (HEC),
werd in september 1879 opgericht door de toen 14-jarige Pim Mulier.
Met medewerking van zijn vader benaderde hij de burgemeester van Haarlem
die hem en zijn vriendjes prompt een terrein voor een voetbalveld toewees.
De maatschappelijke positie van Mulier sr., een rijke grootgrond-bezitter,
zal daaraan wel niet vreemd zijn geweest.
Na
1900 kreeg het voetbalspel een steeds grotere verbreiding,
zij het aanvankelijk vooral in Noord- en Zuid-Holland.
In 1901
telde Nederland 80 clubs; in 1911 waren dat er al 346,
waarvan 149 in de Randstad, 29 in Noord-Brabant en 48 in Overijssel.
Al heel vroeg trokken de wedstrijden veel publiek, zeker als er gespeeld
werd tegen Belgische of Engelse clubs.
HET NEDERLANDS
ELFTAL
De eerste
officiële wedstrijden van het Nederlands elftal werden gespeeld in 1905:
uit en thuis tegen België. Beide keren won Nederland.
Engeland
bleek een veel lastiger tegenstander.
In 1907 verloor het Nederlands elftal met 2-12, hetgeen voor
de voetbalbond aanleiding was een oefenmeester aan te stellen.
Velen vonden dat maar een belachelijk idee.
Men speelde voor zijn plezier; waarom moest er ineens serieus worden getraind?
Toch
kwam een Engelse coach de Nederlandse selectie een paar maanden lang techniek
en samenspel bijbrengen en adviezen geven over de conditie.
Clubs als DFC en Vitesse hadden overigens al in 1905 een Engelse clubtrainer
aangetrokken.
Competitievoetbal
werd toen al een aantal jaren gespeeld.
De eerste landskampioen, in 1898, was RAP uit Amsterdam dat een jaar later
zijn titel prolongeerde.
Daarna domineerden jarenlang HVV, de Haagsche Voetbal Vereeniging, en
het Rotterdamse Sparta.
Ajax,
Feyenoord en PSV zouden pas na de Eerste Wereldoorlog op de voorgrond
treden.
Op 12
april 1909 speelde het Nederlands elftal in Amsterdam voor de vierde keer
tegen Engeland.
De 'Nieuwe Rotterdamsche Courant' publiceerde een paar voor-
beschouwingen waarin niet alleen herinnerd werd aan de grote Engelse overwinningen
in de voorgaande interlands, maar ook
de regels van het spel nog eens werden uiteengezet.
Dat was blijkbaar nodig.
De belangstelling
voor de wedstrijd was groot; tussen Haarlem en Amsterdam werd zelfs een
extra trein ingezet. Veel hielp het niet.
Oranje verloor met 0-4, een uitslag die 's avonds zelfs in Rotterdam werd
aangeplakt voor de ramen van de sigaren-winkels.
Tijdens
de Olympische Spelen van 1912 won Oranje,
met de legendarische M.J.Goebel in het doel, van Zweden (4-3), Oostenrijk
(3-1) en Finland (9-0).
Ruw
spel en Schots systeem
Ook
vroeger al was er in de voetbalsport sprake van ruw en ontbrak het niet
aan incidenten.
De wedstrijden tussen de twee topploegen van omstreeks 1900, HVV en Sparta
werden herhaaldelijk ontsierd door vechtpartijen op het veld, het uitfluiten
van de bezoekers en beledigingen aan het adres van de scheidsrechter.
Ook het van elkaar aftroggelen van goede spelers was tussen
de clubs een wijdverbreid verschijnsel.
Het spelsysteem was overgenomen van de Schotten:
een doelman, twee achterspelers, drie middenvelders en vijf voorhoedespelers.
Deze klassieke opstelling bleef tot na de Tweede Wereldoorlog gehandhaafd.
De 'spil' van het elftal stond in de middenlinie; hij moest verdedigen
als het nodig en aanvallen als het mogelijk was.
De twee 'kanthalfs', aan weerszijden van de spil, moesten
de voorhoede van de tegenstander in bedwang houden en,
bij een eigen aanval, samenwerken met hun voorhoedespelers.
Van die voorhoede vormde de 'midvoor' de stormram van wie
de meeste goals moesten komen.
De twee
beroemdste Nederlandse voetballers uit de periode van voor de Eerste Wereldoorlog
waren Goebel en J.M.de Korver.
Goebel,
keeper van Vitesse, bezat een fabuleus reactievermogen en kon de prachtigste
saves verrichten.
Als 19-jarige speelde hij in 1911 zijn eerste internationale wedstrijd
(tegen België); in zijn 21e interland in 1919 stond hij tegen Noorwegen
in het doel.
'Bok'
de Korver speelde twintig jaar lang als spil voor Sparta.
Met die club behaalde hij vier keer het landskampioenschap (1909, 1911,
1912, 1913); 31 keer kwam hij uit voor het Nederlands elftal.
Dat voetbal tussen 1900 en 1920 van een elitesport een volks-sport werd
had natuurlijk alles te maken met de aard van het spel:
snel, flitsend, met gemakkelijk te begrijpen regels en bovendien geschikt
voor het uitleven van allerlei emoties, van clubliefde tot chauvinisme.
Een andere factor die aan de popularisering bijdroeg was
de toenemende vrije tijd, waardoor velen het spel ook zelf konden gaan
beoefenen.
|