DE KLOMPENMAKERIJ

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Klompenmaker aan het werk.
De klomp wordt met een beitel pas gemaakt voor de voet van de klant.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

  Van ambacht tot nijverheid

 

Klompen hadden de boeren altijd zelfgemaakt, in de stille tijd.
Aan het einde van de vorige eeuw echter werd de klompenmakerij
een echte nijverheid.

Een rijk bestaan had de klompenmaker niet, met de 35 cent per paar die ziin werk hem opleverde.
Maar hij was zijn eigen baas en 's maandags werkte hij niet, dat
was zo de traditie. Zoals er in het vak méér traditie was — en
vooral veel stilstand.

Klompen worden nog altijd gezien als het typische schoeisel van
alle Nederlanders van vroeger. Helemaal juist is dat niet.
Niet alleen waren klompen ook elders in Europa bekend, maar
bovendien werden ze in de Nederlandse steden veel minder
gedragen dan op het platteland. Daar liep vrijwel de gehele
bevolking op wat in vroeger eeuwen wel 'hoosblokken' werden
genoemd, omdat men er 'hozen' (linnen kousen) in droeg.

Voor de zondag had men mooie, vaak bewerkte of beschilderde
klompen; door de week en tijdens het werk droeg men eenvoud-igere exemplaren. Elke boer bijvoorbeeld had zijn 'mestklompen'.

Ook soldaten droegen klompen als ze in natte tijden op het platte-land verbleven; die waren veel beter tegen vocht bestand dan
het overige schoeisel uit die dagen.

Omstreeks de eeuwwisseling werden klompen voornamelijk
gemaakt in klompenmakerijen. Dat was een nieuwe ontwikkeling. Eeuwenlang immers had de boer in de stille tijd zelfde klompen
gemaakt die hij en zijn gezin nodig hadden.
Klompen maken was huisnijverheid, net zoals het maken van
stoelen en manden.

Aan het einde van de vorige eeuw echter was de klompenmakerij
een echte nijverheid geworden, een middel van bestaan.
Dat was met name het geval in het oostelijke deel van Noord-
Brabant, in de Gelderse Achterhoek en in delen van Overijssel.
De produktie van de klompenmakerij werd grotendeels afgenomen
door opkopers die ook voor de afzet zorgden.

De klompenmaker van omstreeks 1900 was een traditioneel
vakman zonder kapsones en met weinig ambitie. Hij was een
eenvoudig plattelander zonder veel aanzien, met weinig onderwijs
en zonder vakopleiding.
In zijn bedrijfje zat weinig produktietechniek en van vernieuwing
was nauwelijks sprake. Hij deed zijn werk zoals het al eeuwenlang
was gedaan. Meestal werkte hij alleen, in een klein schuurtje;
als hij een of twee knechten had was het al veel.
In tegenstelling tot de textiel- en schoenenindustrie van die tijd zat
er dan ook nauwelijks ontwikkeling in de bedrijfstak.
De machinale klompenfabricage bijvoorbeeld begon pas
omstreeks 1930.
In een periode vol veranderingen op andere gebieden was
de klompenmakerij omstreeks 1900 dan ook een terrein van
stilstand en traditie.

BEITEL IN HET KANADAHOUT

In zijn werkplaats beschikte de klompenmaker over een grote
trekzaag, een paar beitels, wat lepelboren en enige messen.
Verder had hij een heulbank en een gaaibank: tamelijk eenvoudige
werktuigen om de klompen tijdens de bewerking vast te zetten.
Hij moest er vooral goed op letten dat beide klompen dezelfde
binnenmaat hadden en elkaars spiegelbeeld vormden.

Klompenmakers uit die dagen gebruikten het hout van de Ameri-
kaanse populier, de 'kanada' zoals hij in de volksmond heette.
Deze boomsoort was eerder in de 19e eeuw in Nederland
aangeplant en deed het hier uitstekend.
De stam werd verzaagd en in stukken gekloofd die net groot genoeg
waren om er een klomp uit te kunnen maken. Uit die stukken werd
de ruwe vorm gekapt, waarin vervolgens met een beitel een eerste
holte werd 'uitgedopt'. Daarna volgde het fijne werk: de pasvorm
voor de voeten en de afwerking van de buitenkant. Met een stukje
glas of een schrapmes werd de klomp ten slotte gladgemaakt.

Iets waarvan de klompenmaker niet was af te brengen, was het
traditionele 'maandag vieren': 's maandags werkte hij niet.
Tot zijn traditie behoorde eveneens dat hij eenmaal per jaar met
boeren of boseigenaars afspraken maakte om in de herfst de bomen
te krijgen die hij eerder in het jaar had uitgezocht.
Een probleem was dat de eigenaars van die bomen meestal
contante betaling wilden - en over veel geld beschikte de klompen-
maker zelden.

Een van de redenen dat in deze bedrijfstak de oude situatie zo lang
heeft voortgeduurd, is dat er geen bedrijfskapitaal was.
Er is wel eens geprobeerd tot de gezamenlijke inkoop van hout te
komen (zelfs aankoop in Oost-Europa), maar tot enig resultaat
heeft dit in feite niet geleid. Althans niet als middel om de klompen-
makerij als bedrijfstak sterker te maken.

EERLIJK MAAR ARM

Als een soort poging daartoe zou men de oprichting in het bisdom Den Bosch kunnen zien van het 'diocesaan Hanzegilde van
klompenmakers': een vereniging met kerkelijke goedkeuring en
onder toezicht van een geestelijk adviseur.
Het was een initiatief van de rooms-katholieke geestelijkheid in
een gebied waarin, met name in Oisterwijk, Schijndel en Sint-
Oedenrode, veel klompenmakerijen waren gevestigd.

In de doelstellingen stond inderdaad dat gestreefd zou worden naar
een gezamenlijke inkoop van hout en werktuigen.
Maar in de praktijk waren sociale actie en beleving en versterking
van 'katholieke of zedelijke beginselen' toch het hoofddoel.
'Eerlijk in handel en Christelijk in wandel' luidde het devies van het
gilde, dat onder bescherming stond van St.Jacobus de Meerdere.

Klompenmaken bleef een bescheiden plattelandsbestaan.
Een goede klompenmaker maakte vijf paar klompen per dag.
De prijs- f. 0,35 per paar- stond vaak onder druk omdat vanuit
België regelmatig grote partijen tegen beduidend lagere prijzen
werden ingevoerd.
Het is dan ook verklaarbaar dat acties van knechten voor hoger
loon en betere werkomstandigheden nagenoeg kansloos waren;
de klompenmakerijen konden dat eenvoudigweg niet opbrengen.
Net zo min als er geld was om de traditionele bedrijfsuitoefening
ingrijpend te moderniseren.
Door dat alles had de moderne tijd weinig greep op deze bedrijfstak.
De klompenmakerij was een kenmerkend onderdeel van het
Nederlandse platteland, waar alles slechts zeer langzaam
veranderde en de dynamiek pas na de Tweede Wereldoorlog zou komen.

 

naar inhoud 1900 naar index