|
KERK
EN SAMENLEVING

Kerkgang
van katholieken in Volendam,
in de eerste helft van de 20e eeuw.
Anders dan de protestanten
bleven de Nederlandse rooms-katholieken
lange tijd een gesloten blok vormen
waarop onkerkelijkheid en maatschappelijke veranderingen
weinig vat kregen.
Toen dat uiteindelijk wel gebeurde,
was het korte tijd wereldnieuws dat Rome schokte
en tot tegenmaatregelen leidde.

Pastores in het algemeen, en dominees in het bijzonder,
kregen het vanaf de eeuwwisseling drukker dan ooit
omdat ze zich moesten bezighouden met zaken
waarvan hun voorgangers niet eens hadden kunnen dromen.
Een van hen verscheen in de jaren twintig
op de kansel met een kind op de arm
- een situatie die in 1850 ondenkbaar zou zijn geweest.
|
|
De
kerk als partij
Omstreeks 1900 groeiden
de grote kerkgenootschappen in Nederland uit tot machtige organisaties
die tot in de uithoeken
van de samenleving hun invloed lieten gelden.
Een dominee uit 1850
hield 's zondags zijn preek en ging aangenaam op bezoek bij de deftige
families in zijn gemeente.
Zijn collega uit 1900 liep zich suf tussen wijkgebouw, zondagsschool,
sportvereniging, vakbond en politieke partij.
Hoewel tegen het
einde van de 19e eeuw de eerste tekenen
van een toenemende onkerkelijkheid aan het licht traden, was
de overgrote meerderheid van de Nederlandse bevolking nog
als vanzelfsprekend lid van een kerkgenootschap. De echte onkerkelijken
waren duidelijk in de minderheid: niet meer dan
één op veertig.
Eveneens een minderheid
vormden de Nederlanders die als volwassenen lid waren geworden van een
andere kerk dan die waartoe hun ouders behoorden. Het betrof vooral leden
van kleine, uit het buitenland afkomstige groepen met sektarische trekken,
zoals de baptisten, de apostolische kerken en het
Leger des Heils.
Verder deden zich ter rechterzijde van het Nederlandse protestantisme
allerlei afsplitsingen voor. De belangrijkste was eind jaren tachtig de
Doleantie geweest, waarbij Abraham Kuyper een groot aantal gereformeerden
uit de Hervormde Kerk had geleid. Dat was een eenmalige gebeurtenis geweest.
Allerlei kleine groepen gereformeerden buiten kerkelijk verband bleven
daarentegen voortdurend nieuwe leden recruteren.
Ter linkerzijde waren er ten slotte groepen die geen vrede hadden met
de verrechtsing van de Hervormde Kerk en zich daarom aansloten bij, bijvoorbeeld,
de remonstranten.
Dat wisselen van kerk bleef echter beperkt; omstreeks 1900 waren van iedere
veertig Nederlanders er hooguit drie overgestapt. Veruit de meesten waren
in deze periode door geboorte lid van een kerkgenootschap. Ze waren hervormd,
rooms-katholiek, doopsgezind, luthers of joods zoals ze ook Nederlander
waren: geen kwestie van keuze maar van lot.
KERKEN IN DE MARGE
Voor de 19e-eeuwse
Nederlanders waren geloof en kerk vanzelf-
sprekend geweest. Ze lieten hun kinderen dopen, ze vroegen om predikant
of priester als ze op sterven lagen, ze gingen weleens naar de kerk of
vervulden, als ze katholiek waren, hun zondags-
plicht. Bij dat alles stelden ze zich weinig voor en ze dachten er
ook niet echt over na. En dat was ook niet nodig; de plichten die
de kerken oplegden waren gering.
De grote kerkgenootschappen waren gedurende het grootste gedeelte van
de 19e eeuw dan ook geen krachtige organisaties geweest. De betrokkenheid
van hun leden was maar gering,
ze waren niet rijk en hadden geen grote bezittingen noch hoge inkomsten,
ze hadden weinig banen te vergeven en veel personeel hadden ze ook al
niet. Hun bemoeienis met de armenzorg was
door de overheid gereglementeerd en nauw omschreven en vormde dus evenmin
een basis voor macht.
Christelijke scholen waren gering in aantal en mede daardoor hadden de
kerken nauwelijks invloed op de meningvormende culturele elite.
Omstreeks 1900 werd echter duidelijk dat deze marginale positie van de
kerken op beslissende wijze aan het veranderen was.
Al in de tweede helft van de 19e eeuw had de geestelijkheid geprobeerd
voor de gelovigen méér te doen dan het religieus omlijsten
van de belangrijkste gebeurtenissen in het leven.
Ze had tal van godsdienstige verenigingen en organisaties opgericht waarbij
de gelovigen betrokken konden worden.
Dat varieerde van zondagsscholen, broederschappen en jongelingenverenigingen
tot wijkgebouwen en zendingsbonden. Dergelijke organisaties bleken onverwacht
populair. De gelovigen stroomden toe, drongen zelfs aan op uitbouw van
het religieuze verenigingsleven en raakten steeds meer betrokken bij hun
kerk. Ze werden er geschoold en gemotiveerd en leerden er de verschil-
len met de gelovigen van andere kerkgenootschappen kennen.
De geestelijken kregen zodoende een veel drukkere taak dan ooit tevoren.
Een hervormde predikant van omstreeks 1850 preekte op zondag en bezocht
de sociale bijeenkomsten van de deftige families in zijn gemeente. Zijn
collega uit 1900 daarentegen, zeker als hij in een stad was beroepen,
leidde daarnaast op zijn minst
een wijkgebouw, een zondagsschool en een vrouwenvereniging en schreef
bovendien het plaatselijke kerkblaadje vol.
ZUILEN EN PARTIJEN
Naast hun bemoeienis
met deze kerkelijke organisaties in engere zin waren de geestelijken ook
betrokken bij de opbouw van
de verschillende zuilen. ledere orthodox-protestantse predikant
en elke priester was bijvoorbeeld betrokken bij de schoolstrijd.
Hij zat in het bestuur van een bijzondere school, zag toe op
de aanstelling van onderwijzers en leraren, wierf geld en nam kennis van
landelijke ontwikkelingen op onderwijsgebied.
De meeste priesters en orthodoxe dominees waren bovendien betrokken bij
het werk van de confessionele partijen. Ze speelden er geen doorslaggevende
rol in, maar op hun aanwezigheid werd wel gerekend. En ten slotte hadden
ze een taak in het bestuur van de ontelbare organisaties en verenigingen
die in deze periode van verzuiling werden opgericht, van sportvereniging
tot vakbond.
Door dat alles nam
de betekenis van de kerken in de samenleving toe. De massale mobilisering
op religieuze grondslag versterkte bovendien de betekenis die de gelovigen
hechtten aan hun godsdienstige overtuiging.
Als gevolg van deze ontwikkelingen waren de kerken omstreeks 1900 invloedrijker
dan ze in de 19e eeuw ooit waren geweest; reeds toen al tekende zich de
belangrijke positie af die ze gedurende een groot deel van de 20e eeuw
in de Nederlandse samenleving zouden innemen. Ze werden door hun leden
als belangrijk beschouwd, en als gevolg daarvan bezaten ze ook reële
macht.
Toch was de nieuwe
kracht van de kerken geworteld in wat veel later een fatale zwakte zou
blijken.
Ze hadden hun vooraanstaande plaats vooral te danken aan de keuze zich
voortaan op te stellen als partij in het spel van maat-
schappelijke krachten. Zowel de orthodoxe protestanten als de rooms-katholieken
zagen zichzelf als de laatste christenen in een heidense wereld. Op die
manier werden ze strijdende groepen in de samenleving in plaats van, zoals
vroeger, vage onderdelen van de bestaande orde die het leven van de mens
religieus omlijstten. Aanvankelijk leverde dat hun aanhang op. Maar toen
hun leden in het laatste kwart van de 20e eeuw de noodzaak van die strijd
niet meer zo inzagen, verlieten ze in groten getale de kerk. Elders in
Europa, waar de kerken minder partij waren geworden, heeft zo'n omvangrijke
kerkverlating als in Nederland niet of in veel mindere mate plaatsgevonden.
|