HET PLATTELAND

 

 

 

Karakteristiek beeld van het Nederlandse platteland
aan het begin van de 20e eeuw:
geïsoleerd, verstoken van vrijwel alle moderne voorzieningen
en voor het merendeel nog dun bevolkt.

 

 

 

De opening van de spoorbrug over de Moerdijk in 1872
was een aanzienlijke verbetering van de noord-zuid-verbinding,
maar betekende nog niet dat het zuiden van het land
nu ook volledig ontsloten was.

 

 


 

 

 


 

 

 


Aan de economische ontwikkeling van het platteland
droeg in de eerste decennia van de eeuw
zeker ook de komst bij van de eerste landbouwmachines.
Vele ervan, zoals deze dorsmachine,
werden nog aangedreven door losse, mobiele motoren.

 

Het isolement
van een lappendeken


Een echte eenheid was Nederland nog niet, ruim honderd jaar geleden. Het was eerder een samenraapsel van steden en regio's waarvan de bewoners elkaar met enig wantrouwen bezagen.

Dorpelingen hadden hun eigen kijk op de stad, en omgekeerd.
Maar daar begon verandering in te komen door de industrialisering
en de crisis in de landbouw. Beide stimuleerden de trek naar de stad
en de verstedelijking van het platteland.

Nederland droeg aan het begin van de 20e eeuw nog heel sterk
het stempel van het platteland. Daar woonde nog altijd ongeveer
de helft van de bevolking.
Maar na 1870 was het zwaartepunt in het vestigingspatroon van
de bevolking toch bezig naar de steden te verplaatsen.
Die verschuiving voltrok zich na 1890 zelfs in steeds hoger tempo.

Deze versnelling kwam hoofdzakelijk voor rekening van
de opmerkelijke ontwikkeling van grote steden als Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Haarlem. Daarnaast legde ook een aantal nieuwe groeikernen in de provincie- Arnhem, Assen, Eindhoven, Tilburg en Enschede — gewicht in de schaal.
Er ontstonden zowel volksbuurten als luxueuze buitenwijken.
Stad en platteland begonnen geleidelijk in elkaar te schuiven.

Het verstedelijkte westen bleef zich evenwel boven de rest
van het land verheven te voelen. De provincie buiten de Randstad mocht in economisch opzicht indrukwekkende prestaties leveren, cultureel telde ze nog niet mee. Vooral door het ontbreken van redelijke verbindingen waren grote delen van Nederland nogal weggestopt ten opzichte van centra als Amsterdan en Den Haag.
De bewoners van het gebied tussen Maas, Waal en Lek leefden vrijwel permanent in een isolement.

Over de grote rivieren moest men voornamelijk per pont.
De spoorbrug over de Moerdijk, in 1872 geopend, betekende natuurlijk een grote verbetering in de verbinding tussen Noord
en Zuid. Maar was die eenmaal gepasseerd dan arriveerde
de reiziger ineen lappendeken van gebieden:

de Brabantse Noordwesthoek met zijn kleipolders, het Markiezaat
van Bergen op Zoom, de Baronie van Breda, de Langstraat,
de Kempen, de Acht Zaligheden en wat al niet meer.

Tussen Noord-Brabant en Limburg lag het onbegaanbare Peelgebied.
Wie van Eindhoven of vanuit Nijmegen snel naar Roermond
en Maastricht wilde kon eigenlijk alleen per spoor, want een reis
over de weg was een ellende. Noord-Limburg hoorde ook niet echt
bij Limburg; dat landsdeel begon pas bij Venlo.

Wie verder dan Zwolle moest zijn, in een plaats die niet aan
een spoorlijn lag, had een pittige tocht voor de boeg; Twente en
de Achterhoek waren gebieden die men hooguit passeerde op weg naar Duitsland.
Aan de andere kant vormden de Veluwe en de strook langs
de Zuiderzee, tussen Muiden en Kampen, aparte streken.
Ook Friesland en Groningen vielen uiteen in verschillende gebieden,
elk met een eigen karakter. Nederland mocht dan omstreeks
de eeuw-wisseling vooral uit platteland bestaan - het was wel een platteland met grote ondelinge verschillen.

PLATTELAND EN STAD

Dat ervan het begrip 'platteland' geen meervoudsvorm bestaat,
al die verschillen ten spijt, zou wel eens een gevolg kunnen zijn
van een oud idee dat ook aan het begin van deze eeuw nog opgeld deed: dat er onderscheid was tussen de beschaafde wereld en
de rest.

De beschaafde wereld was die van de steden. Daar was vertier, lagen de garnizoenen, arriveerden reizigers van heinde en verre
en kon men nieuws uit alle windstreken vernemen.
Er waren vervolgscholen en ziekenhuizen en er verscheen minstens eenmaal per week een krant.

Toch vormden de dorpen geen satellieten-op-afstand van de stad.
Door hun eigen aard en door de traditionele waarden en gebruiken
die lange tijd nauwelijks veranderden, is het niet juist de dorpen uit
die tijd louter te zien als de 'ommelanden' van een stad.
De band met de kerk was in de dorpen sterker dan in de steden,
en autoriteiten als de burgemeester, de pastoor, de notaris en
het hoofd van de school werden ten plattelande nog alom gerespecteerd.

HET BEGIN VAN DE VERANDERING

Maar op den duur begon het met het platteland toch af te lopen:
er bleef steeds minder van over.
Voor een deel is dat te verklaren uit de ernstige landbouwcrisis aan het einde van de vorige eeuw. Deze stimuleerde de trek van boeren
en landarbeiders naar de stad, domweg omdat daar, in de fabriek bijvoorbeeld, meer te verdienen viel dan op de boerderij.
Door deze nauwere contacten tussen dorp en stad werden
de achterblijvers ontvankelijker voor stadse nieuwigheden.
Vele plattelanders gingen zich kleden als stedelingen, veel traditionele dorpsdrachten begonnen al begin deze eeuw in onbruik te raken.
In de dorpen nam het aantal middenstanders, winkeliers en ambachtsbazen toe.
Hier en daar verschenen de eerste dorsmachines en begon de boer
een kleine ondernemer te worden. De landarbeiders op de grotere landbouwbedrijven gingen zich organiseren, al gebeurde dat vooralsnog op kleine schaal.
Want al werd er in 1900 een Nederlandsche Landarbeidersbond opgericht, groot was zijn betekenis niet.

naar inhoud 1900 naar index