HANDEL

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

klik voor een groter formaat

Vogelvluchttekening van de haven van Rotterdam in 1904.

Links de Rijn- en Maashaven die beide zo waren ontworpen dat ze
geschikt waren voor de moderne overslagtechnieken.
Deze maakten een einde aan de traditionele stapelhandel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Prof. mr. dr. C. W.J.Bruins,
de eerste rector-magnificus
van de Nederlandsche Handelshoogeschool in Rotterdam.

Deze instelling, geopend in 1913,
was de voorloper van de huidige Erasmus Universiteit.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Jan Kordaat en de pappot

 

In de Nederlandse handel moest Jan Salie weer plaatsmaken voor Jan Kordaat. De industrie mocht dan in opkomst zijn, de bloei van het land kwam op rekening van de gewiekste koopman nieuwe stijl.

Nederland was altijd groot geweest in de stapelhandel: de aanvoer van grondstoffen die na bewerking weer werden uitgevoerd naar landen waar er vraag naar was. Omstreeks de eeuwwisseling deed een geheel nieuw handelspatroon zijn intrede.

'Aan den Handel!'

Het was de pakkende aanhef van een 'memorie' van negen bladzij-
den die 46 personen op 28 april 1913 richtten tot het Nederlandse bedrijfsleven.
Het merendeel van de ondertekenaars was Rotterdammer. Wat ze bepleitten was de oprichting 'eener Nederlandsche Handelshooge-
school te Rotterdam', met het doel de toekomstige leiders van het bedrijfsleven op academisch niveau de vereiste theoretische koopmanskennis en algemene ontwikkeling bij te brengen.
Reeds zes maanden later, op 8 november, vond de feestelijke opening plaats van deze rechtstreekse voorloper van de huidige Erasmus Universiteit.
Het initiatief en vooral de verbazingwekkende snelheid waarmee het in praktijk was gebracht getuigen van de daadkracht en het zelfvertrouwen die de Nederlandse koophandel destijds bezielden. Deze waren ongetwijfeld versterkt door de toenmalige bloei van
de handel, die in scherpe tegenstelling stond tot de slepende gang van zaken in de 19e eeuw.

DE VAART ERIN

Tussen 1870 en 1914 was de internationale handel van Nederland aanzienlijk toegenomen. De uitvoer steeg tot het tweeëneen-
halfvoudige, de invoer verdrievoudigde zelfs - en dat terwijl
de bevolking niet eens was verdubbeld.
Er kwam bovendien steeds meer vaart in de handel. Vooral na 1895 stegen in- en uitvoer tot grote hoogte. Wat de doorvoer-
handel betreft bieden de beschikbare gegevens een minder duidelijk inzicht, al staat wel vast dat de uitbreiding van deze sector nog veel groter is geweest. Omstreeks 1870 was waar-
schijnlijk al een derde van de overzeese aanvoer in de Nederlandse havens in feite bestemd voor Duitsland.
Veertig jaar later maakte deze transitohandel zelfs zo'n tweederde van die aanvoer uit. Door het in gebruik nemen van de Nieuwe Waterweg liep hij vrijwel geheel via Rotterdam. De groei van
de internationale handel ging samen met ingrijpende verande-
ringen in de samenstelling van het handelspakket. De betekenis van de handel in tropische produkten, aanvankelijk verreweg het belangrijkste, nam sterk af. Hetzelfde gold voor de invoer van industrieprodukten; in toenemende mate werden die inmiddels in eigen land voortgebracht.
Daarentegen steeg de invoer van grond- en brandstoffen tot het vijfvoudige. Logisch; de eigen, expanderende industrie had ze in steeds grotere hoeveelheden nodig en Nederland was er nu een-
maal karig mee bedeeld. Ook de invoer van veevoer en kunstmest was sterk toegenomen, evenals de uitvoer van landbouw-
produkten. Het aandeel van de industriële export groeide echter nauwelijks, al omvatte deze wel een steeds groter aantal produkten.
Ondanks de commerciële voorspoed daalde het aandeel van
de Nederlandse export in de wereldhandel tussen 1870 en 1913 overigens toch met zo'n 30 procent.
Oorzaak: nog altijd legde het verouderde deel van de nijverheid een grote druk op de Nederlandse concurrentiepositie, terwijl
de moderne industrie zich in eerste instantie op de binnenlandse markt richtte.
De veranderingen in onze buitenlandse handel weerspiegelden dus heel aardig het moderniseringspatroon van onze economie. Agrarisch Nederland had zijn economische stilstand uit het midden van de 19e eeuw weliswaar doorbroken, maar het bedrijfsleven zat nog volop in de overgang naar een volledig geïndustrialiseerd bestel. Alles scheen erop te wijzen dat de economische bloei van het land, net als in de Gouden Eeuw, vooral te danken was aan Nederlands gewiekstheid als handelsnatie.

TEGEN DE VERDRUKKING IN

Nog tot het midden van de jaren negentig had de Nederlandse handel te kampen met de langdurige internationale depressie. Toen deze eenmaal achter de rug was bleken de meeste landen niet bereid de vrijhandel weer in ere te herstellen.
Ze bleven zich verschuilen achter de tariefmuren die ze tijdens
de depressie hadden opgetrokken om de eigen economie te beschermen. Deze konden alleen worden afgebroken door middel van internationale handelsverdragen. Nederland was voorstander van zulke verdragen — maar als verdragspartner telde het nauwelijks mee. Want omdat het buitenland hier nog maar weinig van zijn gading vond had ons land, in ruil voor handelsvoordelen, heel weinig te bieden. Een enkele poging (uit 1910) om het buitenland ook maar eens de tanden te laten zien en de invoer-
rechten te verhogen kreeg nauwelijks steun en stuitte af op het effectieve verzet van de vaderlandse groothandel.
Die was er zich immers maar al te goed van bewust dat bescherming van de Nederlandse landbouw of nijverheid al snel zou kunnen leiden tot buitenlandse tegenmaatregelen. Nederland bleef dan ook rechtzinnig in de liberale leer. En om eerlijk te zijn: dat legde het land beslist geen windeieren.
Begrijpelijk dus dat de Rotterdamse kooplieden - zij vooral! — bruisten van daadkracht en zelfvertrouwen.
Waren zij het niet die het vervallen gebouw van de aloude commercie in de steigers hadden gezet en er een nieuw en machtig bouwwerk van hadden gemaakt?
De traditionele stapelhandel, waarbij goederen na opslag in
de havensteden bewerkt en verwerkt werden om vervolgens weer te worden uitgevoerd, had afgedaan. De plaats van deze stapel-handel, met zijn achterban van ambachtelijke nijverheid, was ingenomen door de rechtstreekse doorvoerhandel en een tussen-
handel ten behoeve van de binnenlandse consument. Daarnaast had ook de export aan betekenis gewonnen.

Dit alles hing natuurlijk samen met de enorme verbeteringen in het wereldverkeer. Een compleet netwerk van verbindingen per rail en over water knoopte produktie- en consumptielanden rechtstreeks aan elkaar.
Een van de gevolgen was dat goederen niet, zoals vroeger, eerst op een beperkt aantal knooppunten verzameld hoefden te worden om vervolgens van daaruit naar behoefte weer te worden verdeeld. Vooral de koloniale handel van Nederland ondervond daarvan
de weerslag: de produkten uit de koloniën vonden, met voorbij-
gaan van Nederland, steeds vaker rechtstreeks hun weg naar afzetgebieden elders in de wereld.
De Nederlandse handel speelde echter met succes in op deze verbrokkeling van de wereldmarkt. Dat gebeurde vooral door het verbeteren en vernieuwen van organisatie en bedrijfsvorm. Naast de privékoopman, de handelsfirma en het kleinschalige familie-
bedrijf verschenen grootschalige en kapitaalkrachtige naamloze vennootschappen als de Rotterdamse 'Internatio' en de 'Steenkolen-Handelsvereeniging'. Ze waren beter in staat het groeiende netwerk van internationale handelsbetrekkingen te exploiteren.
Zo had de Nederlandse koopman de wereld weer aan zijn voeten liggen, zij het op een iets andere manier dan in de Gouden Eeuw. De 19e-eeuwse Jan Salie was zo goed als dood;
Jan Kordaat timmerde in alle windstreken opnieuw aan de weg.
En het trotse Nederland wilde dat best bezingen:

Een Hollandsche jongen met Hollandsche zin,
Die dut bij de pappot van moeder niet in,
Die trekt er op uit, zoo ver ie maar kan,
Want achter een pappot daar wordt ie geen man.

naar inhoud 1900 naar index