HAAGSE SCHOOL/
AMSTERDAMSE SCHOOL

 

 

Hendrik Mesdag in zijn Haagse atelier,
een opname uit oktober 1903.
Mesdag was vooral de schilder van de zee
in al haar verschijningsvormen.
Bij het grote publiek is hij vooral bekend gebleven
door zijn Panorama van Scheveningen:
eendriedimensionaal portret van dit dorp
toen het nog een vissersplaats van betekenis was.

 

 

 

 

 

 

 

in 1903 vertrok Isaac Israëls naar Parijs om na zijn Amsterdamse periode
nieuwe wegen te verkennen.
Uit die tijd dateert het schilderij 'Avenue de Bois de Boulogne'.
De invloed van de Franse impressionisten is duidelijk te herkennen.

 

 

 

Jozef Israëls, vader van Isaac,
ongeveer een jaar voor zijn dood gefotografeerd aan het strand
van (waarschijnlijk) Scheveningen.
De thematiek van zijn schilderkunst is tegelijk sociaal en contemplatief.

 

 

STAD OF STILTE

 

Terwijl de schilders van de Haagse School kozen voor de stilte van de zee en het land, stortten hun kunstbroeders van
de Amsterdamse School zich in het jachtige gewoel van de stad.

Twee schilders experimenteerden in Amsterdam met de nog jonge fotografie, George Breitner en Willem Witsen. De laatste zou na zijn dood even bekend worden door zijn foto's als om zijn schilderijen van architectonische monumenten.

In 1911 stierf in Den Haag de schilder Jozef Israëls.
Hij werd 87 en overspande met zijn jaren een aantal perioden van de Nederlandse kunstgeschiedenis.
Hij leerde het vak in de (academische) stijl van de historie-
schilderkunst en de romantiek, ontwikkelde zich tijdens zijn loopbaan tot een vooraanstaand vertegenwoordiger van
de Haagse School en zag aan het einde van zijn leven de dage-
raad gloren van de abstracte kunst.

Op zijn leeftijd en met zijn markante persoonlijkheid leende
Jozef Israëls zich bij uitstek voor een vorm van adoratie zoals
die in de 19e eeuw gebruikelijk was geworden in de cultus van het genie. Omstreeks 1900, in de periode waarin Rembrandt werd herontdekt en nieuwe waardering kreeg, kon het dan ook niet uitblijven of Israëls werd vergeleken met zijn 17e-eeuwse voorganger.

DE HAAGSE SCHOOL

Jozef Israëls (1824-1911), afkomstig uit het joodse milieu van Groningen, vertegenwoordigde in de beeldende kunst van zijn tijd de sociale uitdrukkingskracht.
Zijn bekendste schilderijen laten mensen zien: vissers en boeren, kleine neringdoenden, weduwen of kinderen, betrapt in hun overpeinzing, verlangen of verdriet en zó geportretteerd dat
de toeschouwer hun gevoelens wel moet meebeleven.
Een visser die 'langs moeders graf loopt, 'Alleen op de wereld'
en 'Een zoon van het Oude Volk' zijn enkele thema's van
Israëls' contemplatieve schilderkunst.
Hij vond ze in 1855 tijdens een kuur in het toen nog kleine vissersdorp Zandvoort.
Zijn ontwikkeling liep parallel aan die van zijn Franse kunst-
broeders in Barbizon, bij Parijs, die eveneens het eenvoudige landleven als inspiratiebron hadden ontdekt.

Naast Israëls zou nog een andere Groninger het gezicht van
de Haagse School bepalen: Hendrik Willem Mesdag (1831-1915),
telg uit een bankiersfamilie.
Mesdag had zakenman kunnen worden maar koos ten slotte
voor de beeldende kunst. Tijdens een verblijf op het Duitse Waddeneiland Nordeney, in 1868, ontdekte hij het thema dat hem beroemd zou maken: de zee.

Mesdag schilderde de zee op een realistische wijze en met een bijzonder oog voor uitersten als de oneindigheid en de stilte of
de woede der elementen.
In 1869 vestigde hij zich in Den Haag, de zee onder handbereik.
ledere dag trok hij erop uit om haar te bestuderen. Zo ontstond uiteindelijk het Panorama van Scheveningen ('van Mesdag' zegt de volksmond): een realistisch en driedimensioneel portret van een vissersplaats. Het is de ervaring van stilte en roerloosheid die, naar het woord van de dichter J.C. Bloem 'aan dit herinner-
de Scheveningen zijn bovenaardse bekoring geeft'.

Mesdag werd als zakenman het organisatorische middelpunt
van wat weldra de Haagse School zou gaan heten: een schilders-bent die vanaf 1870 de beeldende kunst in Nederland zou vernieuwen.
In 1889 werd hij voorzitter van de kunstenaarssociëteit Pulchri Studio en maakte die tot een centrum van de nieuwe richting.

Als boegbeeld van de beweging fungeerde echter Jacob Maris
(1837-1899).
Hij en zijn broers Matthijs en Willem gaven aan de Haagse School dat kenmerk van optisch genieten, een visuele onverzadigbaar-
heid als het ware. Een kunsthistoricus noemde het 'een gulzig indrinken van het toon-en-kleurwonder der natuurverschijn-
ingen en het zich laten gaan op de vraat of de melodie van een stemmingsmoment'.

DE AMSTERDAMSE SCHOOL

Terwijl de schilders van de Haagse School in hun motieven
de stad als het ware de rug toekeerden, concentreerden hun kunstbroeders van het Amsterdamse impressionisme zich juist op het stadsleven.
De eersten zochten de verstilde momenten en de individuele beleving, de laatsten meestal het jachtige.

Beide 'scholen' vonden hun inspiratiebron in Frankrijk;
de Haagse in Barbizon, de Amsterdamse in Parijs.

De centrale figuur in de kring van Amsterdamse impressionisten was George Hendrik Breitner (1857-1923).
Het grootste gedeelte van zijn werk bestaat uit Amsterdamse stadsgezichten. Hij koos voor dit genre na een studie van
de Parijse impressionisten. Daaraan was een periode vooraf-
gegaan waarin hij met Vincent van Gogh door Den Haag en omstreken zwierf, op zoek naar inspiratie.
In 1886 kwam hij naar Amsterdam, maar zijn creatieve jaren van impressionistische stadsportretten vallen pas in de jaren negentig.

Een tijdgenoot heeft over zijn werk eens geschreven:
'Die eenheid van de huizen en de vrouwen in de donkere stad,
die levenskracht en vastheid van gaan, straf van lijn, bonkig
van vorm; de daemonie van de stad en de roekelooze elementaire krachten van de vrouw.'

Breitner schilderde niet alleen stadsgezichten maar experimen-
teerde ook met het fotograferen van dat thema.
Dat deed eveneens de schilder Willem Witsen (1860-1923)
die na zijn dood met zijn foto's even bekend is geworden als met zijn stadsgezichten. Anders dan Breitner trokken Witsen in Amsterdam (en Londen) niet zozeer het jachtige en vluchtige
van het stadsleven, maar architectonische monumenten als
de Montelbaanstoren en Waterloo-Bridge.

Witsen stamde uit een geslacht van Amsterdamse kooplieden. Door zijn huwelijk raakte hij geparenteerd aan de Tachtigers Frederik van Eeden en Albert Verwey. In zijn Amsterdamse atelierswoning aan het Oosterpark, het huidige Witsenhuis, toonde hij zich een genereus gastheer.

Tot de bewoners van het huis aan het Oosterpark behoorde
ook Isaac Israëls (1865-1934), de zoon van Jozef. Hij was het type van de ongebonden kunstenaar die in zijn werk een
veelheid aan stijlen en genres beoefende.
In 1886 schreef hij zich in aan de Amsterdamse Rijksacademie.
Het werd het begin van een verblijf in een stad die hem gedurende vijftien jaar zou inspireren.
In 1888 verhuisde hij naar het Witsenhuis. Met Breitner
en Witsen, zijn buren, verbonden hem banden van vriendschap en wederzijdse inspiratie. Ook met de schrijver Frans Erens
trok hij vaak de stad in, op zoek naar eigentijdse motieven in
het leven op straat, in de cafés en het theater. Franse schilders en schrijvers waren hem daarbij tot voorbeeld: Emile Zola
en de impressionisten Manet en Degas.
In 1903 kwam aan Israëls' Amsterdamse periode een einde.
Hij vertrok toen naar Parijs. Een jaar eerder was in Amsterdam de Beurs van Berlage voltooid, het hoogtepunt van een nieuwe richting die bekend zou worden als de gemeenschapskunst.

naar inhoud 1900 naar index