GROEPEN EN ORGANISATIES

 

 

 

 

 

 

 

 

De marskramer, hoewel gemoderniseerd
(hij kwam per auto en droeg zijn handel niet langer op zijn rug)
bleef tot ver in de 20e eeuw een vertrouwde verschijning in het straatbeeld,
zeker in de provincie.
In maatschappelijk opzicht was hij een randfiguur
in de marge van de samenleving.

 

 

 

 

Vooral op het platteland trokken omstreeks de eeuwwisseling
nog lieden rond van wie depositie in de maatschappij onduidelijk was;
figuren die het midden hielden tussen de marskramer en de landloper.

Een bekend voorbeeld was de trekkende kleermaker
die met paarde- of hondekar van boerderij tot boerderij trok
om er verstelwerk te verrichten.

 

 

 

Duidelijk tot de toplaag
behoorden de eigenaren en managers van grote bedrijven.
In dit geval: de directie van Ringers' Chocoladefabriek,
in 1911 gefotografeerd in haar kantoor te Alkmaar.

 

Halverwege klasse en zuil

 

 

Nederland telde aan het begin van de 20e eeuw zo'n vijf miljoen inwoners. De meesten behoorden tot een van de vele groepen waarin de samenleving was verdeeld.

Abraham Kuyper en zijn orthodox-calvinistische aanhangers maakten omstreeks 1900 een begin met de verzuiling van
de Nederlandse samenleving.
Deze verticale verdeling op basis van levensovertuiging liep bij
de meeste zuilen dwars door de sociale lagen heen.

 

In 1900 telde Nederland ruim vijf miljoen inwoners.
Het werkende gedeelte van de bevolking bestond voor het grootste deel uit arbeiders in de opkomende industrie, de agra-
rische sector en het havenbedrijf. Anderen verdienden hun brood als klerk op een kantoor, als kleine zelfstandige - winkeliers, ambachtslieden, schippers - of behoorden tot de kleine midden-
klasse van onderwijzers, leraren, eigenaars van grotere winkel-
bedrijven, kooplieden of geestelijken.
Vrouwen uit de lagere stand verdienden hun geld vaak als werk-
vrouw of dienstbode.
Boven deze maatschappelijke groepen stond de gegoede burgerij (een paar procent van de bevolking) die leiding gaf aan grote bedrijven of er eigenaar van was.
Op ongeveer hetzelfde niveau stonden degenen die als rentenier leefden van de opbrengst van eigen of andermans werk.
Al deze mensen, plus nog wat randfiguren als kunstenaars, landlopers en marskramers, maakten deel uit van de Nederlandse samenleving van omstreeks de eeuwwisseling.

Het gezin was van die samenleving de kleinste kern.
Maar de maatschappij was tegelijkertijd opgebouwd uit andere eenheden die bijdroegen tot haar samenhang: kerken, politieke partijen, kiesverenigingen, belangengroeperingen, vakvereni-
gingen, leeskringen.
Een bijzondere groep in de Nederlandse samenleving vormden
de ambtenaren in dienst van rijk, provincies en gemeenten. Omstreeks 1850 hadden ze nog slechts zo'n 1,5 procent van
de beroepsbevolking uitgemaakt.
In 1900 was hun aandeel al gestegen tot ruim 3 procent en in 1920 zou het oplopen tot bijna 7 procent. Zo weerspiegelden
de ambtenaren als het ware het langzaam groeiende belang van
de overheid.
De liberalen, aan het begin van de eeuw nog ruimschoots vertegenwoordigd in het parlement, zinde dat niet en ook veel confessionele kamerleden deelden die mening. De overheid diende zich volgens hen te beperken tot zaken van algemeen belang die
op geen enkele andere wijze te regelen vielen. Daartoe behoorden bijvoorbeeld defensie en onderwijs.
Sociale zorg viel niet binnen het overheidspakket; dat was een zaak van particulier en vooral kerkelijk initiatief. Toch konden deze niet voorkomen dat de taken van de overheid ook op dit terrein geleidelijk toenamen.
De Armenwet van 1854 bijvoorbeeld had tot gevolg dat
de gemeenten steeds vaker moesten bijspringen als de kerkelijke armenbesturen de nood niet meer konden lenigen.

Het bedrijfsleven functioneerde omstreeks de eeuwwisseling nog vrijwel zonder overheidsingrijpen, al begon ook daar al iets te verdwijnen van de volstrekte vrijheid van weleer.
Sinds de napoleontische tijd waren er bijvoorbeeld Kamers van Koophandel die op sommige terreinen regelend optraden. Veel last hadden de ondernemers daar overigens niet van omdat de leden ervan uit eigen kring werden gekozen en de Kamers vooral optraden als belangenbehartigers van de bedrijven in hun regio.

 

OPKOMST VAN DE ORGANISATIE

In die situatie kwam verandering met de opkomst van de vak-
verenigingen aan het einde van de 19e eeuw. De Kamers van Koophandel waren niet de juiste partij om met deze nieuwe en lastige macht te onderhandelen.
Daarom gingen de ondernemers er meer en meer toe over zich
per beroepsgroep te organiseren in belangenverenigingen.
De eerste ontstond al in 1815 en bestaat nog steeds:
de Vereeniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels. Later kwamen vergelijkbare werkgeversorganisaties tot stand, onder andere voor het schilders-, bakkers-, slijters-, slagers-, aannemers- en smedenbedrijf.
In 1902 werd er een middenstandsbond opgericht; een paar jaar eerder hadden Twentse textielfabrikanten al een Vereniging van Nederlandse Werkgevers in het leven geroepen. Bindend element in al deze organisaties was de afkeer van de gestaag groeiende sociale wetgeving en van de toenemende invloed van de staat.
De organisatie onder de arbeiders richtte zich aanvankelijk op
de zorg voor elkaar, in een tijd toen er van sociale wetgeving nog geen sprake was. Later ontstonden de vakverenigingen die streden voor betere arbeidsvoorwaarden: de ondernemers moesten desnoods onder dwang van stakingen worden geprest
tot hogere lonen en een kortere arbeidsduur. Revolutie streefden ze niet na, wél samenwerking en een steeds hogere organisatie-
graad zodat ze een vuist zouden kunnen maken. In 1906 werd bijvoorbeeld het Nederlands Verbond van Vakverenigingen opgericht dat in 1914 al bijna 85.000 leden telde en in de jaren daarop gestaag zou blijven groeien.

Dwars door alle verbanden van arbeiders, werkgevers, kleine zelfstandigen, ambtenaren en renteniers heen werkten de kerken. Nederland was een uitgesproken christelijke samenleving en
het kerkelijke leven was alom aanwezig. Vooral de predikant en politicus dr. Abraham Kuyper had omstreeks 1900 een zeer grote invloed die reikte tot ver buiten de gereformeerde groepering waarvan hij deel uitmaakte.
Dat was opmerkelijk, want de gereformeerden vormden in die tijd slechts een klein gedeelte van de bevolking. Onder Kuypers leiding vormden deze orthodoxe calvinisten echter een uitstekend georganiseerde stoottroep. Voor het eerst leidde dit tot verzuiling van een deel van de samenleving: het gehele maatschappelijke leven werd, dwars door rangen en standen heen, georganiseerd rond het orthodox-calvinistische geloof en Kuypers maatschappij-opvatting. De Anti-Revolutionaire Partij was de eerste, hecht geoganiseerde politieke partij van Nederland; het Christelijk Nationaal Vakverbond (1908) het protestantse antwoord op het socialistische NVV.
Bij de rooms-katholieken gebeurde iets dergelijks. Bij hen ging
de leiding echter in veel gevallen uit van de bisschoppen. Bovendien zorgden dezen ervoor dat allerlei activiteiten per bisdom werden georganiseerd zodat zij er een maximale controle op konden uitoefenen. In de strijd voor het confessionele onderwijs sloten katholieken en orthodoxe protestanten weliswaar tijdelijk een bondgenootschap, maar verder werkten ze toch vooral aan
de uitbouw van de eigen zuil.
Ook bij de sociaal-democraten leek een soort verzuilingsproces op gang te komen. Zo volledig als onder de confessionelen was dit echter niet. De rode zuil omvatte immers alleen de arbeiders en een groepje intellectuelen dat geloofde in het socialistische ideaal. Werkgevers en bourgeoisie behoorden er niet toe.
Omstreeks 1900 was de Nederlandse samenleving dus op uiteen-
lopende wijze hecht georganiseerd. Al die organisaties en groepe-
ringen bewogen mee op het tij van de geschiedenis.

naar inhoud 1900 naar index