|
GEZIN
EN SAMENLEVING

Vooral
in het katholieke zuiden
bleven grote gezinnen nog lange tijd regel,
met name onder invloed van de roomskatholieke leer
die het voortbrengen van kinderen
als het belangrijkste doel van het huwelijk zag.
|
|
DE
GEKOESTERDE HOEKSTEEN
Het gezin was de
hoeksteen van de samenleving. Niet alleen voor de confessionele partijen
maar, zij het in iets andere zin, ook in
de ogen van liberalen en socialisten.
Zelfs de Nederlandse
socialisten hadden het niet erg begrepen op geboortenbeperking, al stonden
zij er iets ruimhartiger tegenover dan hun christelijke landgenoten. Ook
zij hechtten echter aan een sterk gezin als kleinste schakel van een gezonde
maatschappij.
Vooral in de grote
steden waren arbeidersgezinnen omstreeks
de eeuwwisseling vaak bijzonder slecht behuisd. In het Rotter-
damse stadsdeel Crooswijk, om maar een voorbeeld te geven, stonden nog
talrijke woningen met een alkoof:
een vensterloos tussenkamertje dat plaats bood aan twee bedsteden.
In de ene sliepen de ouders en het jongste kind, in de andere
de rest van de kinderschare.
Licht en frisse lucht drongen er niet door.
De aangrenzende woonkamer deed tevens dienst als keuken: midden in het
vertrek stond een soort fornuis waarop gekookt werd en dat 's winters
ook voor de verwarming zorgde.
Erg schoon was het er doorgaans niet; gezinnen die in dergelijke huizen
woonden hadden weinig idee van het begrip hygiëne.
Pas geboren kinderen werden vaak gevoed uit de fles, met een mengsel van
slechte melk en onrein water. Geen wonder dat de zuigelingensterfte in
zo'n wijk bijzonder hoog was.
Toch daalde de kindersterfte aan het einde van de 19e eeuw gestaag, in
elk geval in het westen van het land. Niet iedereen woonde immers in zulke
primitieve alkoofwoningen en op veel plaatsen kwam geleidelijk goed drinkwater
beschikbaar.
Kort na 1900 ontstonden bovendien de consultatiebureaus waar jonge moeders
het belang werd bijgebracht van 'rust, reinheid en regelmaat' als basis
voor een goede gezondheid.
Samen met het stijgende welvaartspeil en een betere voeding droeg dit
alles bij tot het geleidelijk terugdringen van de grote
zuigelingensterfte.
ROL VAN DE GEESTELIJKHEID
Ook op het platteland
was de zuigelingensterfte door een verkeer-
de voeding en het gebrek aan hygiëne geen zeldzaamheid.
Wel lag daar het geboortencijfer relatief hoog, met name in ortho-
dox-protestantse en rooms-katholieke gezinnen in de agrarische sector.
In Noord-Brabant liep dat cijfer omstreeks 1900 weliswaar terug, maar
toch aanzienlijk minder dan in het noorden en westen van het land. Onderzoek
in de Kempen laat zien dat de houding van
de katholieke geestelijkheid daar in verschillende opzichten een belangrijke
rol bij speelde.
In de tweede helft van de 19e eeuw werd er van de kant van
de geestelijken stelselmatig op aangedrongen dat vrouwen zoveel mogelijk
hun lichaamsvormen verhulden. Na 1870 leidde dit kuisheidsoffensief ertoe
dat moeders hun baby's veel minder of zelfs helemaal geen borstvoeding
meer gaven en meer en meer kozen voor flesvoeding. Omdat die altijd van
mindere kwaliteit was stierven er meer zuigelingen. Tegelijkertijd werden
er echter meer kinderen geboren omdat de vruchtbaarheid van de vrouwen
niet langer werd geremd doordat ze hun kinderen de borst gaven. Pas na
1900 kwam geleidelijk weer de borstvoeding in zwang, onder andere door
nieuwe inzichten in de betekenis ervan. Toch liep het kindertal niet wezenlijk
terug. En ook dat kwam op conto van de kerk.
Niet alleen in de Kempen maar in het gehele katholieke zuiden drong de
geestelijkheid na 1900 aan op de vorming van grote gezinnen. Voor een
deel was dat een kwestie van religieuze overtuiging. Volgens de opvattingen
van de katholieke kerk stond het huwelijk in de eerste plaats in dienst
van de voortplanting: anticonceptie was in de heersende zedenleer onnatuurlijk
en dus niet toegestaan. Of paste de kerk zich aan bij de veranderende
sociaal-economische omstandigheden waarin het gezin het bolwerk werd van
een solide burgerlijke moraal die revolutionaire denk-
beelden geen kans liet?
Ook voor Troelstra en voor de meeste leidende figuren in de SDAP was anticonceptie
een gewantrouwd begrip en het gezonde gezin een veilige haven. Bovendien
hield men ook daar de vrouw graag thuis. In christelijke kring gebeurde
dat omdat men bevreesd was voor de verleidingen waaraan ze buitenshuis
blootstond (of mannen blootstelde), bij de sociaal-democraten vooral omdat
vrouwenarbeid de lonen zou drukken.
Toen de liberale regering in 1889 met de Arbeidswet kwam, waarin vrouwenarbeid
aan beperkingen werd onderworpen, waren SDAP en vakbeweging daar dan ook
zeker niet tegen. Toch bestonden er grote verschillen tussen de opvattingen
van de confessionelen en die van andere Nederlanders. Socialisten bijvoorbeeld
waren, ondanks allerlei bezwaren, niet per se tegen geboortenbeperking.
DEEL VAN EEN NETWERK
Alle verschillen
van opvatting ten spijt kwam het gezin omstreeks de eeuwwisseling meer
en meer naar voren als een kernelement van een stabiele maatschappelijke
orde. Omdat het nog heel sterk verbonden was met de familie waarvan het
deel uitmaakte en met de buurt waarin het woonde, vormde het als het ware
een onder-
deel van een maatschappelijk netwerk. Zowel de katholieke als
de protestantse kerken hielden het dan ook stevig onder controle. Bovendien
was het gezin patriarchaal geordend: de man was onbetwistbaar de baas,
zoons golden als belangrijker dan dochters. In veel gezinnen waren, naast
de man en de oudere zoons, vaak ook de vrouw en de jongere kinderen bezig
met het verwerven van het gezinsinkomen: met een eigen winkeltje, met
arbeid op het land of- de vrouwen - met het wassen voor of schoonmaken
bij beter gesitueerden.
Juist omdat het inkomen vaak door het gehele gezin moest worden bijeengebracht,
waren veel kinderen dikwijls een economische noodzaak. Tegen die achtergrond
is het niet zo vreemd dat bijvoorbeeld echtscheiding niet alleen taboe
was maar praktisch gezien voor velen ook vrijwel onmogelijk.
Door dat alles was
het dan ook begrijpelijk dat het gezin als hoeksteen van de samenleving
werd gekoesterd - niet alleen door de confessionele partijen maar ook
door liberalen en socialisten.
De politiek had er ook wel iets voor over.
Katholieke parlementariërs bepleitten als eersten voor een kindertoeslag
bij de Posterijen.
'Een fokpremie' schamperden de socialisten aanvankelijk, maar gaandeweg
vonden ook zij het wel een goed idee en gingen akkoord. Met steun van
alle partijen kreeg het gezin op den duur een hechte positie in de Nederlandse
samenleving.
|