DE GEREFORMEERDEN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Prof. dr. EL. Rutgers
was, samen met Kuyper,
verantwoordelijk voor de 'inbraak'
in de Nieuwe Kerk te Amsterdam,
in januari 1886.

Het incident was onderdeel van de Doleantie,
de afscheiding van behoudende groepen
in de Nederlandse Hervormde Kerk.

 

 

 

 

 

Ds. G.H. Kersten,
stichter van de Gereformeerde Gemeenten
in Nederland en Noord-Amerika,
een afsplitsing van de Gereformeerde Kerken in Nederland uit 1907.

 

 

 

 

 

De deur met het weggebroken paneel
uit de Nieuwe Kerk in Amsterdam.
Deze curieuze herinnering aan het
'verraderlijk misdrijf' van Kuyper c.s.
wordt bewaard in het Rijksmuseum Het Catharijneconvent in Utrecht.

 

KLAGENDE KERK
OP EIGEN SPOOR

 

 

De strijd tussen modernisme en orthodoxie leidde in 1886 tot een scheuring in de Nederlandse Hervormde Kerk.
Aan de basis ervan stonden de 'kleine luyden' van Abraham Kuyper.


De Doleantie leidde tot heftige taferelen: van een 'paneelzagerij'
in Amsterdam tot het bedreigen van een dominee in Leiderdorp.
Het gevecht om de zuiverheid van Gods Woord had echter bredere achtergronden en ging in feite om de omvorming
van de natie.

 


Op 6 januari 1886, op klaarlichte dag, verschafte een aantal met bijl en zaag bewapende mannen zich toegang tot de consistorie-
kamer van de Nieuwe Kerk in Amsterdam door een paneel uit
een versterkte deur te halen.
Een inbraak met geweld? Welnee.

De actie vond plaats in opdracht van de eerzame kerkvoogden
A. Kuyper en F.L. Rutgers.
Maar hoorden die twee dan niet tot de tachtig leden van de kerke-
raad die door de classis Amsterdam zojuist uit hun ambt waren geschorst?
Ging het dan tóch om duitendieven die er met de kerkelijke kas vandoor wilden?
Zelf rekenden Kuyper c.s. het 'verraderlijk misdrijf tot hun volste recht. Schorsing of niet: het bestuur van de classis, dat alle bescheiden en documenten achter slot en grendel hield, miste naar hun opvatting elke bevoegdheid tot het beheer van de kerk en haar talrijke bezittingen.

 

BLOOTSHOOFDS DE KERK UIT

De Doleantie van 1886, waarvan de 'paneelzagerij' een kleurrijk onderdeel was, leidde in den lande tot een verbitterde strijd binnen de Hervormde Kerk.
Toen bijvoorbeeld dominee Wildeboer in Leiderdorp met assistentie van twee veldwachters de kansel wilde bestijgen in plaats van een (ook al geschorste) collega, werd hij belaagd door een 'tierende menigte, roepende en schreeuwende: Judas! Godloochenaar! er af zal jij, al is het in stukken en brokken'.
Twee gewezen kerkeraadsleden dreigden de arme dienaar Gods met gebalde vuist.
Een oude man - 'ik vergeet nimmer 's mans gelaat' - schreeuwde: 'Snijd hem den kop van den romp.' De nieuwe dominee vluchtte blootshoofds de kerk uit. Een detachement cavalerie en een afdeling infanterie moesten er aan te pas komen om de orde te herstellen.

Maar het bleef 'oorlog in en om de kerk'.
Binnen een paar jaar verlieten honderdduizend gelovigen
de Nederlandse Hervormde Kerk. De dolerende (= klagende) kerken waartoe ze behoorden, vormden het nieuwe verband van de Nederduitse Gereformeerde Kerk.
In 1886 waren al 150 kerken uitgetreden, in 1890 was hun aantal opgelopen tot 700. De juridische strijd om de kerkelijke bezit-
tingen hadden ze toen overigens al verloren, benevens tien-
duizenden guldens aan proceskosten. Het deerde de gerefor-
meerden niet.
Zoals ze zondags hele en halve centen, stuivers en dubbeltjes in
de collectezak stopten voor hun Vrije Universiteit of de zending onder de heidenen, zo zuiverden ze stukje bij beetje ook dit financiële tekort aan.
In de geestelijke strijd om het 'kerkelijk fundament', zoals Abraham Kuyper het noemde, zegevierden ze.
Die overwinning werd bezegeld in 1892, toen ze samen met een verwante beweging (die zich al in 1834 van de Hervormde Kerk had afgescheiden) de Gereformeerde Kerken in Nederland stichtten.

 

MODERNISME OF ORTHODOXIE?

De Doleantie van 1886 was een reactie op de modernistische stroming binnen de protestantse theologie. Deze had de absolute waarheid van het geloof in twijfel gesteld door middel van historiserende wetenschappelijke beschouwingen.
De 'precieze' belijdenis waarmee de Dordtse synode van 1618-1619 de remonstrantse rekkelijkheid van de 17e eeuw had veroordeeld verwaterde; het ware geloof, de zuivere prediking
van het evangelie van Gods genade, ging steeds meer schuil onder voorschriften, regels en kerkelijke verordeningen.
De belijdende kerk, zo luidde het verwijt van orthodoxe zijde, was verworden tot een vrijzinnig reglementengenootschap.

 

STEM VOOR DE MINDERE MAN

In de jaren zestig van de 19e eeuw bereikte het modernisme een hoogtepunt. Dat bleek onder andere uit het nieuwe bestuurs-
reglement van de Hervormde Kerk uit 1867. In de kerkeraden zouden voortaan niet alleen de gegoeden het voor het zeggen hebben, maar kreeg ook 'de mindere man' een stem, voorzover
hij althans niet door de armenzorg werd bedeeld. Als gevolg daar-
van drongen echter ook de 'kleine luyden' door tot de kerkeraden - en juist zij bekenden zich tot de orthodoxie.

De zaak spitste zich uiteindelijk toe op de 'drie formulieren van eenigheid' die kerkelijke ambtsdragers volgens de Dordtse synode van ruim twee eeuwen terug moesten onderschrijven ten 'teecken van eenicheyt in de rechtvoelende leer', maar waaraan allang niet meer de hand werd gehouden.

De verdeeldheid daarover was groot.
In de classis Meppel bijvoorbeeld (een classis is de onderafdeling van een provinciaal kerkbestuur in de Nederlandse Hervormde Kerk) pleitten omstreeks 1880 vier kerkeraden voor terugkeer naar de orthodoxe kerkerde, was een vijftal voor vernieuwing en vonden twee dat alles maar moest blijven zoals het was.
De tegenstellingen waren in 1876 nog verscherpt door de wette-
lijke hervorming van de theologische faculteiten van de rijks-
universiteiten. De poging van de modernisten er zuiver weten-
schappelijke instellingen van te maken was mislukt.
Maar de inhoud van het onderwijs, en van de examens in dogmatiek en pastorale zorg, waren voortaan overgelaten aan hoogleraren die weliswaar benoemd waren door de Kerk, maar verder mochten prediken wat ze wilden. En dat was onaan-
vaardbaar voor de 'preciezen'.

 

KERK OP SPRINGEN

De kruistocht van Abraham Kuyper tegen deze regeling leidde al in 1880 tot succes. Hijzelf opende dat jaar als hoogleraar de Vrije Universiteit in Amsterdam, bolwerk van orthodoxie, met de magistrale rede 'Soevereiniteit in eigen kring'. Vanaf dat moment was eigenlijk al duidelijk dat de Nederlandse Hervormde Kerk op springen stond. En zelfs stond al vast wanneer dit zou gebeuren: op het moment dat de eerste VU-theoloog zich zou aandienen als predikant.

Eind 1885 was het zover. Het recht- en eigenzinnige dorp Kootwijk op de Veluwe beriep toen als dominee de 'proponent' J.H. Hout-
zagers, die zich niet had willen onderwerpen aan het reglementair voorgeschreven kerkelijke examen. Zijn optreden was de aanzet voor een 'nieuwe reformatie' die de Hervormde Kerk zou uitéén-
scheuren.

FRIEZEN NAAR AMERIKA

Maar ook binnen het gereformeerde kamp hield de verdeeldheid aan. In 1907 stichtte ds. G.H. Kersten de 'Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika', een kerkelijke organisatie waarin ook plaats was voor de vele Nederlanders die naar de Verenigde Staten waren geëmigreerd. Tussen 1880 en 1910 bijvoorbeeld waren alleen al twintigduizend, veelal rechtzin-
nige Friezen naar het lân fan dream en winsken getrokken, rijkelijk veel op een bevolking van 350.000 zielen.
Aan hun vertrek hadden overigens niet alleen geloofsredenen ten grondslag gelegen. Belangrijke drijfveer was ook de landbouwcrisis die hun economische bestaan bedreigde en de provincie mede tot een bolwerk van radicaal socialisme had gemaakt. De echo ervan zou tot ver in de 20''eeuw blijven doorklinken.
De voortschrijdende versplintering van de protestant-christelijke kerk was, in breder verband gezien, méér dan een strijd om het geloof of een juridisch gevecht om kerkelijke bezittingen.
Ze maakte in feite onderdeel uit van de omvorming van een traditionele natie met een gesloten bestel tot een veelvormig en sterk gedifferentieerd nationaal geheel.

naar inhoud 1900 naar index