|
FREDERIK
VAN EEDEN

De
kolonisten van Walden
voor het Bussumse landhuis
waar Van Eeden in 1932 ook zou overlijden.
Geestdrift en idealisme hadden ze genoeg
en daarom bleef de kolonie ook tien jaar in stand.
Dat ze uiteindelijk failliet ging was vooral aan haar stichter te wijten.

Omslag
van de eerste boekuitgave van 'De Kleine Johannes',
het sprookje dat aanvankelijk in afleveringen verscheen
in 'De Nieuwe Gids'
en dat Van Eeden meteen tot de populairste schrijver
van de Tachtigers maakte.

Frederik
van Eeden met vrouw en kinderen en het aapje
dat de familie enige tijd als huisdier had.
Plaats en datum van de foto zijn niet bekend.
|
|
IDEALIST TOT HET EINDE
Begaafd, veelzijdig
en oprecht als hij was raakte Frederik van Eeden steeds verder verstrikt
in zijn zelfgekozen rol als redder
en weldoener van de mensheid. Een idealist in moeilijkheden.
Met zijn landbouwkolonie
'Walden' wilde Van Eeden burgerij en arbeiders een voorbeeld geven van
hoe mensen met elkaar dienden om te gaan: in vriendschap en wederzijds
begrip.
Hij struikelde over de drempel tussen ideaal en werkelijkheid.
Frederik van Eeden
was een gekweld idealist.
Zijn werk stond in het teken van een hoger doel; met het besef
dat de samenleving wreed en onvolmaakt was kon hij geen vrede hebben.
Telkens weer kwam hij met plannen, ideeën en ontwerpen voor een maatschappij
die niet op strijd en concur-
rentie zou berusten maar op vriendschap en wederzijds begrip.
Maar telkens ook liepen zijn plannen uit op een teleurstelling.
De moeilijkheden bleken altijd groter dan hij had gedacht en bovendien
gunde hij zich niet de rust ze tot een goed einde te brengen.
Ook zijn karakter stond hem vaak in de weg. Hij was een veelzijdig begaafd
man en bezat een indrukwekkende werkkracht;
hij was arts en psychiater, schrijver en dichter, filosoof en maatschappijhervormer
tegelijk; hij was oprecht verontwaardigd over het leed dat hij om zich
heen zag en was bereid zijn persoon-
lijk voordeel grotendeels op te offeren aan het algemeen belang. Maar
hij was ook ongeduldig en ijdel, wilde onmiddellijk succes en genoot graag
van zijn rol als weldoener.
LIEFDE EN SCHULDGEVOEL
Van Eeden, in 1860
geboren te Haarlem, sloot zich tijdens zijn studie medicijnen in Amsterdam
aan bij de kring van schrijvers
en schilders die weldra de Beweging van Tachtig zou vormen.
In 1885 had hij onder de schuilnaam Cornelis Paradijs groot succes met
de dichtbundel 'Grassprietjes' waarin hij de spot dreef met
de stichtelijke poëzie van predikanten als Nicolaas Beets.
Wat dat betreft was hij het met de Tachtigers eens; ook hij vond de zelfgenoegzaamheid
van de dichtende dominees verwerpelijk. Maar er waren ook verschillen.
Zo had Van Eeden er niets op tegen dat literatuur een morele les bevatte.
In de eerste afleveringen van 'De Nieuwe Gids' verscheen bijvoorbeeld
zijn sprookje 'De kleine Johannes' dat hem meteen tot de populairste schrijver
van de beweging maakte. Aan het slot,
als de kleine Johannes door zijn ervaringen in de natuur wijs is geworden,
maakt Van Eeden duidelijk waar hij zijn taak zag:
op de 'zware weg naar de grote duistere stad, waar de mensheid was en
haar weedom'.
Na een periode als huisarts in Bussum opende Van Eeden in Amsterdam een
praktijk als psychiater. Hoewel hij daarmee een van de pioniers van de
moderne psychiatrie in Nederland werd vond hij op de duur weinig voldoening
in dit werk. Onder andere was hij niet gelukkig met de nadruk die Sigmund
Freud in deze periode begon te leggen op het geslachtsleven.
In zijn literaire werk koos Van Eeden zelf de witte waterlelie als symbool
van de seksualiteit: het gaat om de smetteloze bloem aan het oppervlak;
alles wat zich daar onder bevindt kan maar beter verborgen blijven.
Voor hem stond de liefde in het teken van de worsteling om reinheid. Dit
gold ook voor zijn persoonlijke leven. Zijn huwelijk met Martha van Vloten
schonk hem weinig bevrediging en in 1889 begon hij een langdurige relatie
met Betsy van Hoogstraten.
Maar dat zijn verlangen met schuldgevoel doortrokken was blijkt uit de
dichtbundels waartoe zij hem inspireerde:
'Ellen. Een lied van de smart' (1891), 'Het lied van schijn en wezen'
(1895) en 'Van de passieloze lelie' (1901).
Zijn meest realistische en volgens velen daarom beste werk verscheen in
1900: de roman 'Van de koele meren des doods' waarin hij zijn ervaringen
met een aan morfine verslaafde patiënte verwerkte.
Van Eeden nam intensief deel aan de debatten over het socialisme die in
het begin van de jaren negentig in 'De Nieuwe Gids' werden gevoerd. Hij
kwam daarin tot de overtuiging dat hij als arts en psychiater te weinig
bereikte in de samenleving; het bleef in zijn werk immers bij individuele
gevallen.
Wilde hij de problemen bij de wortel aanpakken dan zou hij op grotere
schaal moeten werken.
In twee geruchtmakende redevoeringen ('Waarvan leven wij?' en 'Waarvoor
werkt gij?') bespeelde hij zowel het kwade geweten van de burgerij als
het gevoel van achterstelling van de arbeiders.
In eerste instantie vestigde hij zijn hoop nog op de staat.
De regering zou moeten overgaan tot stichting van zogenaamde Rijkshoeven:
coöperatieve bedrijven die buiten het kapitalistische systeem om
zouden samenwerken op voet van gelijkheid.
Toen de overheid voor zijn plannen geen belangstelling had, stichtte hij
in 1898 zelf een coöperatie.
Hij kocht een landgoed in Bussum en vestigde daar een landbouw-
kolonie met de naam 'Walden', naar het boek van de Amerikaanse idealist
Henry D. Thoreau.
IDEALISME EN PRAKTIJK
Van meet af aan ontmoette
Van Eedens streven spot en ongeloof. Dat een groep onhandige intellectuelen
in Het Gooi vrijwillig
de landbouw ging beoefenen zonder dwang van een werkgever wekte alom de
lachlust.
Toch bleef 'Walden' als coöperatie bijna tien jaar bestaan en sommige
van haar onderdelen, zoals de bakkerij en de suiker-
werkerij, waren zelfs tamelijk succesvol.
Maar Van Eeden was geen bedrijfsleider en al helemaal geen zakenman. Al
spoedig liet hij het praktische en organisatorische werk aan anderen over
en stortte hij zich op nieuwe dingen.
In 1903 richtte hij een landelijke coöperatie op ter ondersteuning
van de arbeiders die werkloos waren geworden door hun deel-neming aan
de tweede spoorwegstaking.
Het faillissement van deze organisatie sleepte in 1907 ook
de bedrijven op 'Walden' mee. Van Eeden was gedwongen het grootste gedeelte
van de grond te verkopen en verloor al het geld dat hij in de onderneming
had gestoken.
Zijn hoop op een 'Blijde Wereld' gaf hij echter niet op. In 1909 vertrok
hij naar de Verenigde Staten waar hij met hulp van welgestelde idealisten
in North Carolina een nieuwe kolonie opzette. Maar ook die ging in 1912
te gronde.
Van Eedens idealen namen vervolgens een nog hogere vlucht - zozeer zelfs
dat tijdgenoten hem openlijk beschuldigden van grootheidswaan. Bedenkelijker
was dat zijn optimisme inmiddels werd afgewisseld door perioden van diepe
neerslachtigheid.
Kort voor het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog sloot Van Eeden zich
aan bij een internationaal gezelschap intellectuelen dat zich tot doel
stelde de wereldvrede tot stand te brengen. En na de oorlog inspireerde
de Volkenbondsgedachte hem tot een ontwerp voor een wereldhoofdstad: 'Het
Godshuis in de lichtstad' (1921). Allengs echter werd hij het strijden
moe. In 1922 vond hij een zekere rust in zijn bekering tot het rooms-katholicisme.
Maar zelfs die stond nog in het teken van de coöperatieve gedachte:
zijn mentor, pater De Groot, wilde op de Veluwe een coöperatieve
boerderij stichten als centrum van katholieke propaganda. In zijn laatste
levensjaren ging Van Eeden geestelijk achteruit. In 1932 overleed hij
in het landhuis dat van de coöperatie 'Walden' was overgebleven.
|