|
FOTOGRAFIE

Voor
de grote vlucht die de amateurfotografie later zou nemen,
werd de eerste stap gezet met de komst van kleinere,
hanteerbare camera's.

Tot
ver in de nieuwe eeuw bleef het familieportret
een favoriet genre in de fotografie.
Wat vroeger alleen de elite zich kon veroorloven
zich picturaal laten vereeuwigen
werd langzaamaan gemeengoed.

Door
het gevoeliger worden van het filmmateriaal
verplaatste het zwaartepunt van de fotografie zich
omstreeks de eeuwwisseling van de studio naar de openlucht.
Maar aanvankelijk waren ook daar hulpmiddelen
als statief en draadontspanner onmisbare attributen.

Persfotografen
in actie voor de aftrap
van de landenwedstrijd Nederland-België te Dordrecht, in 1912.
Bij helder weer konden niet al te snelle spelmomenten worden vastgelegd.
Veelal echter moest de fotograaf zich beperken tot de traditionele elftalfoto.
|
|
DE
WERKELIJKHEID
OP GLAS
Traditie en techniek
veroordeelden de fotografie aanvankelijk tot een werkwijze die aanleunde
tegen die van de beeldende kunst. Later beïnvloedde ze op haar beurt
de schilderkunst.
Kleinere camera's
en lichtgevoeliger materiaal maakten het de fotografen op den duur mogelijk
de studio te ver-
laten en de echte wereld in te trekken.
Vooral de persfotografïe maakte het publiek geleidelijk vertrouwd
met het werkelijke beeld van een wijde wereld.
Foto's uit 1900 geven
blijk van rust en stilstand.
De techniek is inmiddels al zo'n halve eeuw oud, maar
de fotograaf moet voor zijn werk nog altijd de tijd nemen.
De belichtingstijden, zelfs in de studio, blijven aan de lange kant. Weliswaar
zijn ze inmiddels teruggelopen tot acht a tien seconden, dankzij de komst
van elektrische lampen
en iets gevoeliger filmmateriaal, maar echt snel gaat het
nog steeds niet.
Pluspunt is wél de invoering van de glasplaat die het mogelijk
maakt van één opname meer afdrukken te maken.
Het portret was een van de belangrijkste genres in
de fotografie van omstreeks de eeuwwisseling. Het kwam voort uit de portretschilderkunst
en had er nog veel van weg. Ook voor de camera moest men poseren, zij
het korter dan voor een schilderij, en het decor speelde een belangrijke
rol. Fotografen uit die tijd schiepen in hun studio naar behoefte romantische
bosschages, natuur-
taferelen of interieurs die ze passend vonden bij
de geportretteerde. Vooral op die wijze drukte de fotograaf zijn stempel
op het portret.
De fotografie leidde ook tot de komst van het fotoalbum. Het was, als
een soort foto-expositie in het klein, voortge-
komen uit het poëziealbum en veroorzaakte omstreeks
de eeuwwisseling een ware rage, compleet met modieuze formaten, sluitwerk
en versieringen.
KUNST ALS VOORBEELD
De portretfotografie
democratiseerde in feite een vorm van zelfpresentatie die vroeger was
voorbehouden aan
de adellijke of burgerlijke elite. Na de komst van de foto-
grafie kon ook de kleine burgerij zich laten afbeelden en,
in het decor van de studio, vormgeven aan het burgerlijke ideaal. Niet
alleen individuen lieten zich portretteren maar ook gezinnen en gezelschappen.
In Leiden belden studenten bij tij maar vooral bij ontij aan bij het atelier
van I.D. Kiek om er een groepsportret te laten maken. Deze 'kiekjes' zouden
in de Nederlandse taal zowel de Leidse fotograaf zelf als zijn bezigheden
vereeuwigen.
Het poseren voor een foto ging een onmisbaar onderdeel vormen van belangrijke
momenten in het menselijke leven. Verloving en huwelijk konden voortaan
op de gevoelige (glas)plaat worden vastgelegd, in een album worden opgeborgen
of, mooier nog, op de schoorsteen-
mantel worden gezet in een ander nieuw produkt,
de fotostandaard.
Hetzelfde gold voor religieuze hoogtepunten als het (rooms-katholieke)
communiefeest of de priesterwijding. Wie opgeroepen werd voor militaire
dienst liet zich in uniform portretteren en ook de dood werd onderwerp
van de fotografie. Het portret van de gestorvene kon gebruikt worden op
de bidprentjes die tot zijn nagedachtenis werden uitgegeven.
De mechanisering
van de portretkunst is eigenlijk
de belangrijkste verworvenheid van de fotografie in
de eerste halve eeuw van haar bestaan.
Maar ook andere genres uit de schilderkunst werden overgenomen door de
nieuwe afbeeldingstechniek.
Dat gold onder andere voor het klassieke thema van het stadsgezicht. Opmerkelijk
is dat vooral op dit terrein schilderkunst en fotografie elkaar wederzijds
hebben beïnvloed. Van de vroegste foto's van steden en dorpen ging
een zekere rust uit, net als van hun geschilderde voorgangers.
Architectuur en ruimte vormden hoofdbestanddelen:
momentopnamen van straten en pleinen waarin de veelal ondergeschikte figuren
tot onbeweeglijkheid zijn gestold. Maar naarmate de fotografie zich van
het genre meester maakte en de aandacht verlegde van het statische stads-
beeld naar de dynamische straatscène, werd ook het geschilderde
stadsgezicht levendiger en beweeglijker.
Twee pioniers speelden
in dat proces een belangrijke rol. De ene was de Amsterdamse timmerman
Jacob Olie (1834-1905) die in het laatste kwart van de 19e eeuw met camera
en statief door de hoofdstad trok. Op honderden glasplaten legde hij systematisch
niet alleen de bloei van de Amsterdamse architectuur vast, maar ook de
armoede van de achterbuurten en de beweeglijkheid van haar bewoners.
De ander was de schilder Hendrik Breitner (1857-1923) die niet alleen
Amsterdamse stadsgezichten schilderde maar deze ook begon te fotograferen.
Omdat hij verscheidene van deze foto's als basis voor zijn schilderijen
gebruikte, is vooral in zijn werk de wissel-
werking tussen fotografie en schilderkunst zichtbaar geworden.
CAMERA NAAR BUITEN
Fotografie was in
die jaren voorbehouden aan mannen
die er hun beroep van maakten. Hier en daar verscheen een fotograferend
amateur, maar dat was een uitzonde-
ring: het fototoestel was nog verre van gepopulariseerd.
De eerste stap op die weg werd pas gezet omstreeks de eeuwwisseling, toen
de fotostudio haar positie als belang-
rijkste plaats van beroepsuitoefening begon te verliezen
en steeds meer fotografen er op uit trokken om buiten
te gaan werken - een ontwikkeling die mogelijk werd
door de komst van kleinere camera's en lichtgevoeliger materiaal.
Maar ook buitenshuis lieten veel fotografen zich aanvankelijk inspireren
door de artistieke stijlen in
de schilderkunst.
Het werk van een schilder als Gustave Courbet diende vaak als voorbeeld
voor opnamen van achterbuurten en mensen aan het werk, en ook de foto's
van naakten die in het fin-de-siècle begonnen te verschijnen, zijn
duidelijk ontleend aan de schilderkunstige tradities op dat terrein. Een
Nederlandse schilder die zich, meer nog dan Breitner, ontwikkelde tot
een opmerkelijk fotograaf was Willem Witsen (1860-1923).
Hij liet onder andere schitterende portretfoto's na van
de literatoren en kunstenaars van de Beweging van Tachtig. De nauwe band
tussen beeldende kunst en fotografie komt ook tot uitdrukking in de naam
van
de Nederlandse Fotografen Kunstkring (NFK) die in 1902 werd opgericht
en in die van de 'Eerste Internationale Salon voor Kunstfotografie' (1904).
Pionierswerk op veel grotere schaal werd geleverd op het terrein van de
persfotografie. Deze werd gestimuleerd door de bloei van de geïllustreerde
week- en maandbladen die, ter verluchting van hun artikelen, meer en meer
overschakelden van de tekening of ets naar de foto -
ook al vormde de stand van de fototechniek nog een belemmering voor snelheid
en actualiteit.
Daardoor kon niet de brand zelf worden gefotografeerd, maar hooguit het
nablussen en de ruïnes, en moest de oorlogsfotograaf het gevecht
zelf laten schieten en zich beperken tot gesneuvelden, gevangenen en puinhopen.
Al die beperkingen ten spijt maakte de fotografie
de Nederlander van omstreeks 1900 niet alleen beter vertrouwd met zichzelf
maar ook met het werkelijke beeld van de wereld om hem heen.
|