FINANCIËN

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De liberaal N.G.. Pierson
werd in 1891 minister van Financiën
en begon onmiddellijk aan de herziening
van een verouderd belastingstelsel
waartegen hij al twintig jaar lang had geageerd

 

 

klik voor een groter formaat

 

Spotprent van Joh.Braakensiek
in het weekblad 'De Amsterdammer'
op de belastinghervormingen van Pierson (zittend)
en vooral op het verzet ertegen.

De liberale bewindsman krijgt kritiek
van zijn minder vooruitstrevende partijgenoten
Cort van der Linden, Kerdijk en Sprenger van Eyk.

 


Aan het einde van de 19e eeuw
konden aangiften voor de Vermogensbelasting
nog gedeponeerd worden in speciaal daarvoor bestemde brievenbussen

 

Couponknipper
op achterstand

's Rijksfinanciën waren aan het einde van de 19e eeuw nodig aan herziening toe. Minister Pierson nam daartoe het voortouw en haalde zich de woede op de hals van herensociéteit 'De Witte'.


De nieuwe rol van de overheid leidde tot allerlei principiële vragen waarop de ministers in de Tweede Kamer niet zo gauw antwoord hadden, hun spiekbriefjes ten spijt. Om dat te voorkomen werd in 1907 iets nieuws bedacht: de Miljoenennota.


Na uitslag van de stemming bleek het een dubbeltje op zijn kant
te zijn geweest: het had maar een haartje gescheeld of de minister van Financiën en vroegere president van de Nederlandsche Bank, de heer N.G. Pierson, was niet toegelaten tot de deftige Haagse herensociëteit 'De Witte'. De progressieve liberaal, vonden veel leden, moest maar eens mores worden geleerd. Had hij immers niet de euvele moed gehad de fiscus te laten graaien in de beurs van rijke en gegoede Nederlanders?
Steen des aanstoots was de 'gesplitste inkomstenbelasting' van 1892/1893 op het inkomen. Met die maatregel kwam in feite een einde aan het heersende belastingstelsel dat even ondoelmatig als onrechtvaardig was. Het verlamde de daadkracht van de overheid, vertraagde de economische ontwikkeling en drukte onevenredig zwaar op arbeiders en andere minder vermogenden. Maar de leden van 'De Witte' vonden het wel een aangenaam systeem.

AANVAL OP DE COUPONKNIPPER

Tegen dit belastingstelsel was Pierson al in 1870 ten strijde getrokken. Tot viermaal toe had hij de portefeuille van Financiën geweigerd omdat hem de uitvoering van zijn plannen niet gegarandeerd kon worden.
Maar de aanhouder wint: in 1891 werd hij 's lands schatkist-
bewaarder. En dat had zo zijn gevolgen.
Al snel sneuvelden drukkende belastinguitwassen als de accijns op zout. Een verlaging van de grondbelasting bracht verlichting voor boeren die te lijden hadden van de langdurige crisis in de land-
bouw.
Wat eveneens verdween was de 'jichtige' patentbelasting op
de uitoefening van beroep en bedrijf die zelfs in geval van verlies betaald moest worden. Ze bracht niet alleen weinig op maar bevoordeelde bovendien het grootbedrijf. Een kleine, zelfstandige sigarenmaker bijvoorbeeld - die doorgaans even weinig verdiende als zijn knechten - betaalde al elf gulden patentbelasting per jaar. Verkocht hij zijn sigaren over de toonbank dan kwam daar nog eens twintig gulden bovenop. Zijn grootschalige concurrent die ruim honderd werklui in dienst had, aanzienlijk meer sigaren produceerde en deze bovendien niet zelf verkocht maar leverde aan de detailhandel was met een aanslag van maximaal 108 gulden beter af.

In plaats van al deze onbillijkheden voerde Pierson een evenredige belasting op bedrijfsinkomsten in. Bovendien maakte hij met zijn vermogens-inkomstenbelasting een einde aan de aloude fiscale vrijstelling van rentenierende couponknippers, ook al bleef hun vermogen zelf nog buiten schot.
Piersons belastingherziening had, gezien ook de lage tarieven, dan ook nauwelijks effect op de heersende sociale ongelijkheid, alle geschreeuw van de 'couponknippers' ten spijt. Ze betrof al met al minder dan een tiende van 's lands belastingopbrengst. Toch bleek zijn fiscale hervorming zo doelmatig dat de overheidsinkomsten tussen 1890 en 1910 stegen van 140 tot 200 miljoen gulden. Bovendien legde hij er de grondslag mee voor de huidige inrichting van het belastingstelsel.
Het lukte Pierson echter niet om zelf een van zijn dierbaarste wensen te verwezenlijken: een regeling van de financiële verhouding tussen rijk en gemeenten. Die kwam in 1897 pas onder zijn opvolger tot stand. Ze hield in dat het rijk voortaan verplicht was de gemeenten de kosten te vergoeden die voortvloeiden uit het uitvoeren van 's rijks wetten. Zo'n regeling was nodig omdat de centrale overheid steeds meer taken toekende aan de gemeenten, onder andere op het gebied van het onderwijs en de sociale voor-
zieningen.
Het gevolg was een ongehoorde stijging van de gemeenteuitgaven tussen 1890 en 1910: van 70 tot 145 miljoen gulden.

OVERHEIDSINVLOED NEEMT TOE

De uitgaven van rijk en provincies stegen overigens bijna net zo hard. Toch werd van de verschillende bewindslieden op Financiën geen klacht vernomen, integendeel.
'De bloei der financiën is onmiskenbaar,' heette het in 1898 zonnig. In 1904 heerste 'grote voorspoed' en twee jaar later was in
de begroting sprake van 'buitengewoon ruim vloeiende middelen'. Dat alles in schrille tegenstelling tot vroeger, toen wanbeleid en een enorme schuldenlast de bodem van de schatkist meer malen in zicht hadden gebracht. Maar nu kon de burger tevreden zijn.
's Rijks schulden waren goeddeels afgelost, de begrotingen sloten zonder tekorten en - nog het meest bevredigend! - dit alles was bereikt bij een belastingdruk per hoofd van de bevolking van slechts zo'n dertig gulden per jaar.
Ook de uitgavenkant van 's rijks financiën gaf reden tot tevreden-
heid. Tijdens het bewind van Pierson vloeide, noodgedwongen, nog altijd een derde van de uitgaven voort uit vroeger gemaakte schulden. Maar twintig jaar later was dat aandeel al teruggebracht tot minder dan 15 procent. Dat bood mogelijkheden om op
de landsbegroting geld uit te trekken voor leukere dingen.
Ook op dit terrein nam Pierson het voortouw toen hij russen 1897 en 1901 aantrad als minister-president en minister van Financiën. Zijn links-liberale kabinet is wel het 'ministerie van sociale recht-
vaardigheid' genoemd. In snel tempo bracht het een gezondheids-
wet, een woningwet, nieuwe kinderwetten, een leerplichtwet, een ongevallenwet, een legerhervorming en een herziening van
de dienstplicht tot stand. Bovendien werden de overheidsuitgaven beter afgestemd op de behoeften van de gehele bevolking en in het bijzonder op die van de economisch zwakkeren. Die lijn is in latere jaren voortgezet. Zo slokten in 1913 de uitgaven voor onderwijs, sociale zorg en volkshuisvesting al een kwart van 's lands middelen op. In 1892 was dat nog maar zes procent geweest.
Onder deze omstandigheden moest de overheidsinvloed op het maatschappelijk leven wel toenemen.
Duidelijke taal spreekt wat dat betreft de stijging van het aantal ambtenaren tussen 1890 en 1910: van 12.000 tot 30.000 - ook al druiste dit eigenlijk in tegen het liberale beginsel van staats-onthouding dat door de meeste andere partijen werd onder-
schreven.
De groei van de openbare financiën en de verandering van hun patroon van inkomsten en uitgaven hadden bovendien gevolgen voor de inrichting ervan. Het werd steeds moeilijker precies aan te geven wat nu wel tot de staatstaak behoorde en wat niet. Was de staat bijvoorbeeld verantwoordelijk voor de aanleg van kanalen of was dat een zaak voor particulieren? En hoe zat dat met het leggen van telegraaf- en telefoonverbindingen en het regelen van
de posterijen in het algemeen? Moesten de wapens voor het leger betaald worden uit de algemene middelen, de belastinginkomsten dus, of mocht de overheid daarvoor geld lenen op de kapitaal-markt?
Allemaal vragen die de ministers van Financiën in hun geïmpro-
viseerde toelichting op de begroting, uitgesproken aan de hand van flodderige spiekbriefjes van hun ambtenaren, niet zo een-twee-drie konden beantwoorden.
De liberale minister-president Th.H. de Meester, die net als Pierson tevens optrad als minister van Financiën, trok in 1907 uit dat gehannes in het parlement de voor de hand liggende conclusie: hij voorzag de Tweede Kamer voortaan op voorhand van de beno-
digde informatie op schrift. Dit is sedertdien de Miljoenennota.

naar inhoud 1900 naar index