|
ETHISCHE
POLITIEK

In
het dagelijkse leven van het moederland
maakten weinigen zich druk over het beleid van de overheid in Nederlands-Indië.
Als in crisistijden de wereldmarktprijzen van Indische produkten daalden,
was dat eerder aanleiding tot opgewekte reclame
dan tot zorg over de problemen die dat daarginds opleverde.

Door
de dalende inkomsten van het gouvernement
na de afschaffing van het cultuurstelsel
was er steeds minder geld
om de infrastructuur van Indië op peil te houden,
laat staan deze aan te passen aan de nieuwste ontwikkelingen,
jarenlang bijvoorbeeld moesten de spoorwegen
het doen met achterhaald materiaal.

De
socialistische parlementariër H. van Kol,
kort na zijn terugtreden als lid van de Tweede Kamer in 1909.
Hij was een van de eersten
die kort na de eeuwwisseling pleitten
voor een nieuwe politiek in Nederlands-Indië.
|
|
ONBAATZUCHTIG,
MAAR MET MATE
De ethische politiek,
na 1900 steeds bepalender voor het Neder-
landse koloniale beleid, zag Indië niet langer als een wingewest
maar als een voogdijschap waarvoor zij verantwoording droegen.
De ethische politiek
had veel aanhangers, ook onder politici en ondernemers.
Maar voor het logische sluitstuk ervan, de zelfstandigheid van Indië,
gingen minder handen op elkaar.
Die zou weleens de economische ondergang van het moederland kunnen betekenen.
'Er is daarginds wat groots, wat edels te verrichten.'
Deze bevlogen woorden vormden de kern van de indrukken die
de socialistische woordvoerder voor de koloniale politiek in
de Tweede Kamer, H.H. van Kol, in 1902 opdeed tijdens een reis door Nederlands-Indië
waarin hij alle delen van de Indische archipel bezocht, Atjeh incluis.
Deze lofzang op de
kapitalistische exploitatie van een volk klonk wat vreemd uit de mond
van een socialist. Maar voor Van Kol wrong de schoen nergens. Los van
zijn politieke instelling kende
hij Indië heel goed; hij had er gewerkt en er aardig wat verdiend.
Natuurlijk had het heerszuchtige Nederlandse bewind in het verleden heel
wat rampen over Indië gebracht - maar de kolonie nu aan haar lot
overlaten zou erger zijn. Van Kol maakte zich daarom sterk voor een concentratie
van Nederlandse activiteiten op Java en Sumatra. Méér zou
de zwakke krachten van het land te boven gaan.
NIEUW: DE KOLONIËN
ALS STRAF
Van Kol was niet
de enige Nederlandse politicus die in deze periode voor Indië een
nieuwe politiek bepleitte. De politieke partijen in Nederland waren het
er in grote lijnen over eens dat er een einde moest komen aan een exploitatie
van Indië waarvan alleen Nederland profijt trok. De antirevolutionairen,
de christelijk-historischen en de vrijzinnig-liberalen hadden zich al
eerder uitgesproken ten gunste van een onbaatzuchtige politiek ten aanzien
van Nederlands-Indië.
De ARP had de rij geopend. In haar partijprogramma van 1879 had zij zich
gekeerd tegen exploitatie van de koloniën ten bate van
de staatskas of van particuliere ondernemers en gekozen voor een 'staatkunde
van zedelijke verplichting'. In de ogen van ARP-voorman Abraham Kuyper
was de verhouding tussen moederland en kolonie te vergelijken met een
voogdijschap. Nederland had, als voogd, de verplichting Indië op
te voeden tot zelfstandigheid.
Zolang de antirevolutionairen geen regeringsverantwoordelijkheid droegen,
waren dit voornamelijk mooie woorden. Hetzelfde gold voor de Radicale
Bond, die zich in 1894 uitsprak voor de ontwik-
keling van Nederlands-Indië naar zelfbestuur, en voor de CHU. Volgens
de christelijk-historische voorman De Savornin Lohman was het koloniale
bezit voor Nederland een zware straf, een gevolg van de zonden der vaderen.
Hun kinderen van omstreeks 1900 konden van deze straf niet loskomen, want
loslaten van de koloniën zou een grotere zonde zijn dan het behoud
ervan. Dit laatste diende echter wel gepaard te gaan met een zo onbaatzuchtig
mogelijk beheer ten gunste van
de inlanders.
En ook bij de liberalen, die in de tweede helft van de 19e eeuw
de politieke macht in handen hadden, kon men dergelijke geluiden horen,
al werden ze in die kring theologisch natuurlijk niet zo fraai onderbouwd
als bij De Savornin Lohman.
Diepe indruk maakte
het artikel 'Een Eereschuld' dat de vrijzinnig-democraat C. van Deventer
in 1899 publiceerde in 'De Gids'.
De auteur, die in de Oost fortuin had gemaakt, schreef dat in Indië
allerlei hervormingen nodig waren, maar dat daartoe het geld ontbrak.
De Indische begroting vertoonde immers elk jaar een tekort van enige miljoenen.
Voor het financieren van de noodzakelijke veranderingen moest Nederland
naar de mening van Van Deventer dan maar een deel teruggeven van de reusachtige
bedragen die het in vroegere jaren als overschot op de begroting van de
kolonie had weggehaald.
Het kwijten van deze ereschuld kon worden afgewenteld op
de schouders van de welgestelde Nederlanders. In de harten van miljoenen
Indische onderdanen zouden deze daarmee een 'eerezuil' helpen oprichten.
De winst was dat Nederland daarmee het respect en de trouw van de inheemse
bevolking zou winnen en op die manier tussen beide landen een band zou
scheppen.
Van Deventer maande ook tot haast, want naar zijn mening groeide in Indië
de ontevredenheid, ondanks de spreekwoordelijke traagheid van het Indonesische
volk.
DE KURK EN HET
GELD
In de opvattingen
over het koloniale bezit had zich in het laatste kwart van de 19e eeuw
in Nederland een duidelijke kentering voorgedaan.
De ongebreidelde economische exploitatie van Nederlands-Indië en
zijn bevolking, onder het cultuurstelsel en ook nog enige tijd daarna
heel gewoon, was omstreeks 1900 niet langer voor iedereen aanvaardbaar.
Bescherming van de inheemsen tegen exploitatie door vorsten en Europese
ondernemingen werd lang-
zamerhand een vanzelfsprekendheid.
Oud-bestuursambtenaar Eduard Douwes Dekker (Multatuli) had in zijn roman
'Max Havelaar' het Nederlandse dilemma voor-
treffelijk in beeld gebracht: de aandeelhouder van de Nederlandse Handel-Maatschappij
kon tevreden zijn over het dividend, maar realiseerde zich niet hoe de
inheemse bevolking werd uitgeperst om het mogelijk te maken.
Om Indië tot
een modern land te maken waren grote investeringen nodig voor de aanleg
van spoorwegen, de verbetering van wegen, de aanleg van havens, onderwijs
aan de inlandse bevolking en bovenal: een redelijk bestaan voor de Indonesiërs
zelf.
Voor een deel waren die verbeteringen nodig om de verdere economische
ontwikkeling mogelijk te maken, voor een ander deel sloten ze aan bij
de in Europa gevoerde strijd tegen de slechte leefomstandigheden van de
arbeidende bevolking.
In de kern ging het inderdaad om een financieel probleem.
Tot de afschaffing van het cultuurstelsel had Indië steeds een overschot
op de begroting gehad dat Nederland ieder jaar prompt afroomde.
Na 1864 waren de winsten uit de tabak, koffie, rubber, olie en mijnbouw
echter niet langer in de staatskas gevloeid maar naar particuliere moederbedrijven
in Nederland gegaan. De inkomsten van het gouvernement waren, ook al door
de lage belastingen, te gering om de groeiende regeringstaken naar behoren
te vervullen.
Het bewustwordingsproces
leidde tot een mengeling van eigen-
belang en ethiek.
Nederland had baat bij een goede economische infrastructuur in Indië
en een tevreden bevolking die arbeid leverde. Want hoe hoogstaand de doelstellingen
van de ethische politiek na 1900 ook waren, voor het overgrote gedeelte
van de betrokken politici, bestuurders en ondernemers bleef Indië
de kurk waarop Neder-
land dreef. Na 1900 zou de ethische politiek steeds meer richt-
snoer voor de koloniale politiek van Nederland worden.
Maar van een volledige aanvaarding ervan is nooit sprake geweest.
Dat gold vooral voor het politieke aspect ervan, dat de zelfstandig-
heid van Indië als einddoel had. En dat, vond menigeen, stond gelijk
met de zelfmoord van het moederland.
|