HERMAN JOHAN ALOYSIUS MARIE SCHAEPMAN
(1844-1903)



 

 

 

 

 

 

 

 

Dr. Herman Schaepman in zijn werkkamer.


 

 



 

 

 

 

 


 

De PTT eerde Schaepman met een postzegel,
zij het wat aan de late kant.
In 1936, ruim dertig jaar na zijn dood,
verscheen zijn portret op een van de vier zomerzegels van dat jaar.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Als leider van de katholieken en als eerste priester in de Tweede Kamer was Schaepman een dankbaar onderwerp voor politieke tekenaars.
Deze karikatuur dateert uit 1899,
toen de Kamer debatteerde over de Wet op de leerplicht.

Schaepman was tegen, evenals de fractie van Abraham Kuyper.

  DE EENZAME EMANCIPATOR

 

 

'De doctor' droeg als rooms-katholiek priester zijn paus op handen - maar als strijdbaar staatsman zocht hij in eigen land vooral aansluiting bij de orthodoxe protestanten van Abraham Kuyper.

 

Schaepmans moeder was zijn muze als dichter, en waarschijnlijk
de enige vrouw die hii ooit heeft lief gehad.
De openheid en ruimheid van geest die hem als politicus kenmerkten,
had hij vooral van zijn vader, ook al deelde hij diens politieke opvat-
tingen niet.

Een groot geleerde was hij niet en boeken heeft hij nooit geschreven, voornamelijk omdat hem daarvoor de tijd ontbrak. Zijn betekenis ligt vooral in het feit dat hij de grondslag legde voor de politieke emancipatie van de Nederlandse rooms-katholieken.

De katholieke Nederlanders zijn eeuwenlang een 'niet-volk' geweest, schreef dr. Herman Schaepman in 1883 in zijn 'Proeve van een program' voor een katholieke partij.
Hij stelde zich daarom tot doel hun binnen de natie een eigen plaats te
geven 'die geen ander met hen kan delen en die zij aan geen anderen mogen afstaan'.

Aan dat streven, in feite pas na zijn dood bekroond, ontleent Schaepman zijn plaats in de Nederlandse politieke geschiedenis. Niet als persoonlijk-
heid was deze priester-staatsman van belang, noch als oorspronkelijk denker.

Hij dankt zijn betekenis vooral aan het emancipatieproces dat hij
vertegenwoordigde. Hij stimuleerde het zelfbewustzijn van het van
oudsher achtergestelde en onderontwikkelde katholieke volksdeel en
gaf het politieke macht door de samenwerking met de orthodoxe
protestanten van Abraham Kuyper.

'Door zijn strijd,' aldus de historicus J. Romein, 'zijn de katholieken in
de volle zin des woords deel gaan uitmaken van de Nederlandse natie.'

MOEDER ALS MUZE

Schaepman had een liberaal-katholieke achtergrond.
Hij was afkomstig uit Twente, de zuiverste katholieke enclave boven
de grote rivieren. Zijn vader, burgemeester van Tubbergen, behoorde
tot de zogenaamde 'papo-Thorbeckianen':
katholieken die toenadering zochten tot de liberalen omdat zij hun
belangen het beste gediend meenden met het liberale principe van
de godsdienstvrijheid.

Door zijn vader, via de lagere school in Tubbergen en door het lezen van protestantse en atheïstische auteurs kreeg hij een brede ontwikkeling. Zo verwierf hij de ruimheid van geest die later zo kenmerkend voor
hem zou zijn.
Zijn moeder was verantwoordelijk voor zijn diepe vroomheid.
Over zijn ouders schreef hij later:
'Haar teerheid hecht zo vast (...).
Ik heb geen andere Muze gekend dan mijn moeder, en mijn vader is mijn Apollo geweest.'

Toen hij eenmaal gekozen had voor het priesterschap bezocht hij
het groot-seminarie Rijsenburg te Driebergen. In 1867 werd hij tot priester gewijd, om vervolgens voor verdere studie naar Rome te vertrekken.
Twee jaar later behaalde hij daar de doctorstitel.

Het verblijf in Rome was een beslissende periode in zijn leven.
Als secretaris van de bisschop van Haarlem nam hij deel aan het Eerste
Vaticaanse Concilie (1869-1870).
Enerzijds beleefde hij op die bijeenkomst vol geestdrift de verhevenheid van de kerk toen de leer van de pauselijke onfeilbaarheid werd afgekondigd; anderzijds maakte hij in deze periode de vernedering van de kerk mee in de politieke twisten met de Italiaanse staat.

De innige toewijding aan het rooms-katholicisme leidde bij Schaepman overigens niet tot bekrompenheid. In zijn veelzijdige loopbaan als priester, dichter, leraar, publicist en politicus zocht hij steeds de dialoog met andersdenkenden, ging hij ook in de eigen kring de confrontatie niet uit de weg en maakte hij zelf een ingrijpende ontwikkeling tot christen-
democraat door.

Zijn grondslag veranderde echter niet: hij bleef ultra-montaans
(en stelde dus het gezag van het Vaticaan in geloof en politiek boven alles) en bestreed evenals Kuyper de denkbeelden van de Franse
Revolutie die hij belichaamd zag in het liberalisme en, later, in het socialisme.

HAND IN HAND MET KUYPER

"De doctor', zoals hij onder zijn zelden academisch geschoolde geloofs-
genoten vol ontzag werd genoemd, begon zijn ideeën te verspreiden
na zijn terugkeer uit Rome in 1870.
Aanvankelijk deed hij dat als docent kerkgeschiedenis aan het
seminarie van Rijsenbrug, later voor een breder publiek via het door hem opgerichte tijdschrift 'De Wachter'.

Een groot geleerde zou Schaepman nooit worden en aan het schrijven van boeken kwam hij niet toe. Maar dankzij geïmproviseerde actuele beschouwingen waren zijn lessen zeer inspirerend, en met zijn journalistieke activiteiten mengde hij zich in de politieke kwesties van zijn tijd.
Net als Kuyper begreep hij dat een volledige afwijzing van de moderne, liberale staat niet meer mogelijk was en koos ook hij daarom voor een eigen organisatie binnen het bestaande bestel.

In de schoolstrijd voor bijzonder onderwijs bepleitte hij samenwerking tussen katholieken en antirevolutionairen. Het gemeenschappelijk verzet van christelijke burgerij en volksmassa tegen het politieke overwicht van de liberale bourgeoisie dat Kuyper en hij op gang brachten, vormde de basis van de twee regeringscoalities van protestanten en katholieken omstreeks de eeuw-wisseling (1888-1891; 1901-1905).

Het bondgenootschap tussen de gezworen geloofsvijanden van weleer was vooral het werk van Schaepman die zich er, als eerste priester in
de Tweede Kamer, vanaf 1880 sterk voor inzette.
Als kamerlid kon Schaepman het vaak beter vinden met mensen als Kuyper en zelfs Goeman Borgesius dan met zijn eigen, overwegend conservatieve geloofsgenoten.

De meeste katholieke volksvertegenwoordigers waren van hun kamerzetel verzekerd door het volstrekte overwicht van de kerkelijke hiërarchie in bepaalde delen van het land: meneer pastoor liet op het geëigende moment wel weten op wie de katholieke kiezers hun stem moesten uitbrengen.
Als gevolg daarvan hoefden de katholieke kamerleden zich weinig aan te trekken van hun achterban en hadden ze ook geen behoefte aan een politieke organisatie.
Hun opstelling in het parlement was doorgaans terughoudend, conservatief-liberaal en in overeenstemming met de gevestigde belangen van de katholieke elite.

Schaepman daarentegen kreeg steeds meer democratische opvattingen. Zijn poging (in 1883) om een katholiek politiek programma te formuleren en een politieke massapartij te vormen werd door zijn geloofsgenoten aanvankelijk genegeerd.
Hij kreeg pas heel geleidelijk gehoor toen de katholieke kiesverenigingen in den lande in 1887 gingen samenwerken. Maar ook toen kwam hij herhaaldelijk alleen te staan door zijn radicale standpunten als voor-stander van kiesrechtuitbreiding, leerplicht, sociale wetgeving en andere hervormingen.

In 1900 balanceerde hij zelfs op het randje van een politieke uitbanning nadat de rooms-katholieke pers een hetze tegen hem was begonnen.
Schaepman was echter bepaald niet het type van de lijdzame martelaar. Zijn devies luidde Credo Pugno: 'Ik geloof. Ik strijd' en hij noemde zichzelf'een onverbeterlijke optimist'.
Gewapend met humor en het vermogen tot relativeren zette hij
de strijd voort — zeker nadat de paus in de encycliek Rerum Novarum (1891) de gelovigen had opgeroepen partij te kiezen voor de zwakkeren in de maatschappij.

Wat hem voor ogen stond heeft hij echter niét zelf meer mogen beleven. Pas na zijn dood in zijn geliefde Rome zouden de politieke en maatschap-pelijke invloed van de Nederlandse rooms-katholieken gestaag groeien langs de lijnen die hij had voorzien.

naar inhoud 1900 naar index