Kroegleven en Drankmisbruik -Drankwet -

 

 

 

 

 

 

 



Tekening van Albert Hahn uit 1913
voor de Nederlandsche Vereeniging tot
Afschaffing van Alcoholhoudende Dranken.

De organisatie pleitte voor sluiting van alle dranklokalen
in plaatsen waar de bevolking daartoe in meerderheid
de wens te kennen gaf.
Het is er niet van gekomen.



 

 

 



anti-alcoholprent uit ca.1900

De voorstelling laat er geen twijfel over bestaan
dat het niet alleen de arbeidersklasse was die zich laafde
aan wat in een onderschrift
'De Nederlandsche Gifboom' wordt genoemd.

 

 

 

 

 

 



Het koffiehuis van de Volksbond tegen Drankmisbruik
in de 3e Zwanegatstraat Rotterdam omstreeks 1900.

Sterke drank was taboe in zulke etablissementen,
de koffie was er goedkoop.


 


 

 

'Ach, vader. Niet meer '

 

Het wemelde in 19e-eeuws Nederland van de kroegen en herbergen en van de dronkaards die onmachtig over straat wankelden. Op den duur moest de overheid wel ingrijpen.

 

Koffiehuizen, kroegen, café's

Ze waren aan het begin van 1900 in vrijwel iedere straat te vinden, in de stad en op het platteland.
Er waren er meer dan nu en in allerlei soorten: herbergen, cafés, Duitse bierhuizen, het café chantant en nog een dozijn typen meer.

De koffiehuizen waren nette gelegenheden waar burgerheren hoed en stok neerlegden, koffie en vervolgens port bestelden en daarna bedaard de krant gingen lezen.

De kroegen en herbergen waren meer het domein van
jan-met-de-pet.
Het was er gezellig
en vaak rumoerig; bekenden ontmoetten elkaar aan de tap of zaten aan een tafeltje te kaarten.
Vrouwen kwamen er nauwelijks, of het moest zijn om hun aange-schoten man mee naar huis te sleuren.

 

Café: ook een sociale functie

Natuurlijk tapten de cafébazen tot hun klanten dronken raakten,
en in bepaalde kroegen werd regelmatig gevochten.
Maar in het algemeen hadden de cafés een sociale functie. Ze vorm-den een trefpunt voor mannen.
Lieden van eenvoudige komaf vaak, maar evengoed debatterende journalisten, dichters, en romanschrijvers.
Cafés dienden vaak als wacht- en praatlokalen voor reizigers die bij het veerhuis moesten wachten. Ze lagen ook bij het station en aan
de uitvalswegen.
Vroeger werden er postpaarden gewisseld en sloegen de koetsiers intussen snel een cognacje achterover: het nog altijd bekende 'koetsiertje'.

 

Café als verenigingslokaal en rustplaats

Niet alleen allerlei gezelligheidsverenigingen hielden hun bijeen-komsten in het café, maar begonnen er ook kiesverenigingen en vakbondsmensen te vergaderen.
Als ze de kans kregen althans; in katholieke streken kregen socialistische actievoerders vaak nul op het rekest omdat de pastoor verboden had zaalruimte te verhuren aan deze antiklerikale, revolutionaire raddraaiers.

In de dorpen liepen handelsreizigers even binnen om wat te drinken, marktkooplui verzamelden zich aan de tap als 's middags de zaken waren gedaan.
En tijdens kermis, carnaval en andere feesten zaten de lokaliteiten vol met volk van alle rang en stand.

Drankmisbruik

Gezellig, dat was het er. Keerzijde van de medaille was natuurlijk dat er in de meeste cafés onbeperkt getapt werd.
Dronken mannen en, zij het in mindere mate, vrouwen behoorden tot het vertrouwde straatbeeld.
Er werd in de cafés van 19e-eeuws Nederland onvoorstelbaar veel gedronken. Dat was een ernstig sociaal probleem; van het toch al karige loon dat eigenlijk in de knipbeurs van de huisvrouw hoorde, verdween een te groot deel in de geldla van de kroegbaas.

Omstreeks 1880 was de consumptie van sterke drank bijna 10 liter per hoofd van de bevolking.

Amsterdam spande omstreeks 1880 de kroon: een drankgebruik van 15 liter per hoofd van de bevolking, baby's en nonnetjes meegerekend.
Per 146 inwoners had de hoofdstad een kroeg of tapperij.
Tussen 1880 en 1914 daalde het gemiddelde gebruik van gedestil-leerd weliswaar van 10 naar 7 liter per jaar, maar ook dat was veel. Daar kwam dan nog het biergebruik bij: tussen de 35 en 42 liter per man per jaar.
Met de wijnconsumptie viel het wel mee; dat daalde in deze periode van 2 naar 1 liter.

Van het karige loon wat eigenlijk in de knipbeurs van de huisvrouw hoorde, verdween een te groot deel in de geldla van de kroegbaas. En dat alles werd voornamelijk opgedronken in de kroeg want thuis drinken deed je eigenlijk niet zoveel.

Ingrijpen:

Van twee kanten kwam er een reactie: van de overheid en van particulieren.
Lange tijd was de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Sterke Drank, opgericht in 1842 actief.

Haar activisten, artsen en predikanten voornamelijk, probeerden de overheid en de publieke opinie te beïnvloeden.
Op een wat naïeve manier werden de successen uitgebazuind.
Hier had een herbergier zijn zaak gesloten omdat hij inzag dat drank de mens in het verderf stort; daar lesten landarbeiders voortaan hun dorst met water en karnemelk in plaats van met bier en jenever.
Ook werden larmoyante prenten verspreid, zoals die met een huilende moeder en een kind dat haar ladderzatte vader aanklampt met de tekst:

‘Ach, vader! Niet meer’ waarbij het ‘Ach’ in de spotzieke volksmond al spoedig veranderde in ‘Acht’.

Ook de sociale priester Slphons Ariëns, zelf geheelonthouder (wat niet van alle priesters gezged kon worden), ondernam een kruistocht tegen het drankgebruik dat hij beschouwde als een volkskanker. Enig gevoel voor realiteit had hij overigens wel: 'volkskoffiehuizen' waar goedkope volksdranken werden geschonken, moester er naar zijn mening blijven. Want waar zouden anders de venters en colporteurs kunnen pauzeren die op straat hun brood verdienden? Ariëns wilde het land niet droogleggen, hij pleite slechts voor matiging.

Drankwetten

Ook de overheid kon het 'volkskwaad' niet langer negeren.

De eerste Drankwet dateert van 1881 en had tot doel de kleinhandel in sterke drank te reguleren, ter beteugeling van openbare dronkenschap.
De wet verbood voortaan het zonder vergunning schenken van sterke drank in openbare gelegenheden.


Er kwamen sarcastische reacties. Was het immers niet zo dat een kwart van de gemeente-besturen en verscheidene kantonrechters hun zittingen hielden in lokalen waar sterke drank werd verkocht?
In veel gemeenten rekende de herbergier voor zulke gelegenheden niet eens zaalhuur...!

De Drankwet van 1881 was spoedig aan herziening toe.
Maar het bleef een weerbarstige materie; onuitroeibare gewoonten en deelbelangen zaten de wetgever dwars.
Toch greep de overheid uiteindelijk in, 'ter bescherming van het gezin, van de maatschappij, van het vaderland der toekomst'.
Resultaat was op de duur dat de openbare dronkenschap inderdaad afnam. Maar alle wetten ten spijt bleven kroeg en café hun klandizie houden.
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index