|
Kroegleven en Drankmisbruik -Drankwet -
De
voorstelling laat er geen twijfel over bestaan
Het
koffiehuis van de Volksbond tegen Drankmisbruik
in de 3e Zwanegatstraat Rotterdam omstreeks 1900. Sterke
drank was taboe in zulke etablissementen,
|
'Ach, vader. Niet meer '
Het wemelde in 19e-eeuws Nederland van de kroegen en herbergen en van de dronkaards die onmachtig over straat wankelden. Op den duur moest de overheid wel ingrijpen.
Koffiehuizen, kroegen, café's Ze waren
aan het begin van 1900 in vrijwel iedere straat te vinden, in de stad
en op het platteland. De koffiehuizen waren nette gelegenheden waar burgerheren hoed en stok neerlegden, koffie en vervolgens port bestelden en daarna bedaard de krant gingen lezen. De kroegen
en herbergen waren meer het domein van
Café: ook een sociale functie Natuurlijk
tapten de cafébazen tot hun klanten dronken raakten,
Café als verenigingslokaal en rustplaats Niet
alleen allerlei gezelligheidsverenigingen hielden hun bijeen-komsten in
het café, maar begonnen er ook kiesverenigingen en vakbondsmensen
te vergaderen. In de
dorpen liepen handelsreizigers even binnen om wat te drinken, marktkooplui
verzamelden zich aan de tap als 's middags de zaken waren gedaan. Drankmisbruik Gezellig, dat was
het er. Keerzijde van de medaille was natuurlijk dat er in de meeste cafés
onbeperkt getapt werd. Omstreeks 1880 was de consumptie van sterke drank bijna 10 liter per hoofd van de bevolking. Per
146 inwoners had de hoofdstad een kroeg of tapperij.
Tussen
1880 en 1914 daalde het gemiddelde gebruik van gedestil-leerd weliswaar
van 10 naar 7 liter per jaar, maar ook dat was veel. Daar
kwam dan nog het biergebruik bij: tussen de 35 en 42 liter per man per jaar.
Met
de wijnconsumptie viel het wel mee; dat daalde in deze periode van 2 naar
1 liter.
Van
het karige loon wat eigenlijk in de knipbeurs van de huisvrouw hoorde, verdween
een te groot deel in de geldla van de kroegbaas. En dat alles werd voornamelijk
opgedronken in de kroeg want thuis drinken deed je eigenlijk niet zoveel.
Ingrijpen: Lange tijd was de Nederlandsche Vereeniging tot Afschaffing van Sterke Drank, opgericht in 1842 actief. Haar activisten, artsen en predikanten voornamelijk, probeerden de overheid en de publieke opinie te beïnvloeden. Op een wat naïeve manier werden de successen uitgebazuind. Hier had een herbergier zijn zaak gesloten omdat hij inzag dat drank de mens in het verderf stort; daar lesten landarbeiders voortaan hun dorst met water en karnemelk in plaats van met bier en jenever. Ook werden larmoyante prenten verspreid, zoals die met een huilende moeder en een kind dat haar ladderzatte vader aanklampt met de tekst: ‘Ach, vader! Niet meer’ waarbij het ‘Ach’ in de spotzieke volksmond al spoedig veranderde in ‘Acht’. Ook de sociale priester Slphons Ariëns, zelf geheelonthouder (wat niet van alle priesters gezged kon worden), ondernam een kruistocht tegen het drankgebruik dat hij beschouwde als een volkskanker. Enig gevoel voor realiteit had hij overigens wel: 'volkskoffiehuizen' waar goedkope volksdranken werden geschonken, moester er naar zijn mening blijven. Want waar zouden anders de venters en colporteurs kunnen pauzeren die op straat hun brood verdienden? Ariëns wilde het land niet droogleggen, hij pleite slechts voor matiging. Drankwetten Ook de overheid kon het 'volkskwaad' niet langer negeren. De
eerste Drankwet dateert van 1881 en had tot doel de kleinhandel in sterke
drank te reguleren, ter beteugeling van openbare dronkenschap. De
Drankwet van 1881 was spoedig aan herziening toe.
Maar het bleef een weerbarstige materie; onuitroeibare gewoonten en deelbelangen zaten de wetgever dwars. Toch greep de overheid uiteindelijk in, 'ter bescherming van het gezin, van de maatschappij, van het vaderland der toekomst'. Resultaat was op de duur dat de openbare dronkenschap inderdaad afnam. Maar alle wetten ten spijt bleven kroeg en café hun klandizie houden. |
|