Film en bioscoop

 



 

 

Al vrij vroeg werden ook in Nederland bioscoopfilms gemaakt,
al kwam het grootste gedeelte van het aanbod uit het buitenland.
In Arnhem bijvoorbeeld opereerde de firma Hollandia Films.

Op deze foto van een filmset geeft
de Britse regisseur Richardson aanwijzing aan de acteurs.

 

 



Affiche van het reizende zomertheater van gebroeders Alberts uit Breda

De 'koningen van de bioscopen' zoals ze zich bescheiden noemden.
Behalve een soort journaal vertoonde het theater
wisselende programma's voor het hele gezin.

 

 

 

Veel bioscoopexploitanten opereerden aanvankelijk in mobiele theaters
en reisden daarmee stad en land af.
één van deze rondtrekkende bioscopen
was het 'Drijvende Alhambra', gebouwd op een dekschuit.

 

 

 



De reizende bioscoop was inmiddels verleden tijd
en opgevolgd door vaste filmzalen die allengs fraaier en luxueuzer werden.
Van een soort kermisattractie was de film uitgegroeid
tot een gevestigde vorm van amusement
die hier en daar zelfs artistieke pretenties kreeg.

Interieur van een bioscoop uit 1912.

 

Het mirakel van
het bewegende beeld

De bioscoop was een wonder. Er waren beelden van mensen, dieren en machines te zien die echt bewogen, al gaven ze dan ook geen geluid.
Daar had je een kwartje voor over.

Parijs, Boulevard des Capucins, 28 december 1895

In het souterrain van het Grand Café wrijven de aanwezigen zich de ogen uit:
Op het scherm zien ze beelden van mensen die lopen en hun armen bewegen.
De vier korte filmpjes bevatten op zich weinig schokkends: arbeiders die een fabriek verlaten, de aankomst van een trein, dames en heren aan het strand en een jongen die de tuinman plaagt en prompt wordt natgespoten.
De grote sensatie is dat het fotografische beelden zijn die bewegen. Hoe dat kan begrijpt niemand.
Maar de eigenaar van een café-chantant ziet onmiddellijk
de mogelijkheden en koopt na de voorstelling de rechten van
de nieuwe vinding.

 

De eerste films

'Levende beelden' waren er al eerder.
Ze waren voor het eerst te zien via de 'kinotoscoop'.
Die was uitgevonden door een assistent van Edison:
een soort toverlantaarn, met bewegende beeldjes.
Eind 1894 al was het toestel te bewonderen in Amsterdam en in
het voorjaar 1895 maakten bewoners van Utrecht en Nijmegen
er kennis mee.

De Friese kermisexploitant C.Slieker trok er de boer mee op, onder de naam 'Grand Théâtre Edison'.
Omdat hij voorlopig de enige was, kon hij gepeperde prijzen berekenen: vijftig cent voor de eerste rang, een kwartje voor het schellinkje.

 

De opvolger van de kinotoscoop bood echte film, de 'kino-
matograph', met grotere beelden en een langere voorstelling.

In Amerika had men meer oog voor het nieuwe medium. Europa vergaste met de 'oerfilm' de toeschouwers voornamelijk op kluchtige situaties met koortsachtig dribbelende mannetjes en vrouwtjes.

In de Verenigde Staten werd al in 1903 de eerste Western gemaakt: 'De Grote Treinoverval'van Edwin Porter.

In Europa, en zelfs in Nederland, werden ook al vrij vroeg (speel)films gemaakt.
In 1905 ging 'Een heertje zonder pantalon te Zandvoort' van W.Mullens in première; in 1911 maakte het zoontje van een Nijmeegse fotohandelaar met spullen van zijn vader
'De Wigwam', een filmpje van vijf minuten, dat geïnspireerd was door de verhalen van Karl May.
De naam van het ondernemende jochie: Joris Ivens.

Met de komst van de eerste echte films, meest uit het buiten-
land, verschenen ook de eerste bioscopen.
De exploitanten ervan vertoonden naast speelfilms ook 'nieuws-
films', die erg populair waren, bv. over werkbezoeken van koningin-moeder Emma en koningin Wilhelmina, en fragmenten van befaamde passiespelen in Oberammergau.

De speelfilms waren naar de smaak van de tijd.
'De droom van een dronkaard' bijvoorbeeld, of een onvervalste draak als 'Una donna romantica' waarin de vrouw van
een beroemde arts haar man verlaat voor een adellijke oplichter
en uiteindelijk door deze nietsnut wordt vermoord.


De bioscoop als kindercrèche.

De genoemde soort films wekten kritiek.
Niet alleen bij de eerste filmrecensenten die de betekenis van
het nieuwe medium onderkenden en om betere rolprenten vroegen, maar vooral ook bij geestelijken en mensen uit het onderwijs.

Een Amsterdams comité 'ter bestrijding van het bioscoop-kwaad' deed in mei en juni van 1913 een onderzoek onder alle kinderen van de openbare school en in 23 bioscoop-theaters in Amsterdam.

Vraagstelling was:
Hoe vaak gaan de leerlingen naar de bioscoop, en gebeurt dat
's middags of 's avonds.

De uitslag was verbijsterend.
Van de bijna dertigduizend ondervraagde kinderen bleek slechts eenderde nog nooit in een bioscoop te zijn geweest.
Van de rest ging 23 procent 's avonds naar de film en 12 procent een of meer keer per week.
Bijna 2300 jeugdige bioscoopbezoekers waren jonger dan 9 jaar.
De kinderen gingen vooral op woensdag- en zaterdagmiddag, als een bioscoopkaartje slechts 6 cent kostte.
De trouwste bezoekers kwamen uit de lagere bevolkingsklasse.
Vooral moeders uit de volksbuurten bleken de bioscoop te gebruiken als een handige manier om op die vrije middagen
de kinderen even onder te brengen.

Een van de geliefdste bioscopen van Amsterdam was in het pand aan de Dapperstraat 84, vroeger een ruimte waarin de markt-
kooplieden hun handkarren stalden.
Het was er tijdens de voorstelling benauwd en propvol:
op banken met vier zitplaatsen zaten vaak wel zeven kinderen.
Kleintjes van 3 of 4 jaar hingen op de schoot van een oudere zus naar de 'nommers' op het witte doek te kijken.
Je vroeg je wel eens af of het nu een filmhuis was of een kinder-
bewaarplaats.

Na ieder 'nummer' riep de explicateur, de man die bij de stomme films de uitleg verzorgde:
'Wie het programma heeft gezien mot eruit!'
En als dat niet hielp maakte hij zelf zijn keuze:
'Jij, jij en jij; veruit nou!'

Leeg vermaak

Waarschuwingen tegen film en bioscoop kwamen het hardst van onderwijzers, artsen, dominees en pastoors:
Leeg vermaak en bovendien een gevaar voor de goede zeden en bioscoop- en filmexploitanten was het aan de andere kant om geld te doen.
Het waren de filmmakers die in het offensief gingen.
Willy Mullens, die niet alleen films maakte maar ze ook in het hele land vertoonde, hamerde er aan het adres van de dominees op dat de film ook 'onschuldig'vermaak kon bieden.
De anderen hield hij voor dat de speelfilm de mogelijkheid in zich had een dramatische kunstvorm te worden:
goed 'zoowel in artistieken als in moreelen zin'.
Hij had natuurlijk gelijk.maar het zou nog wel even duren voor iedereen het met hem eens was.

 
 
 
 
 
 
 

naar inhoud 1900 naar index