|
DE
JODEN

Het
koor dat in 1910
in de Portugees-Israëlitische synagoge te Amsterdam
de 'Hebreeuwse Cantate' uitvoerde.
In het midden dirigent Victor Schlesinger die de cantate ook componeerde.
Het grootste gedeelte van de joodse Nederlanders
woonde omstreeks de eeuwwisseling
in de grote steden Rotterdam, Den Haag en vooral Amsterdam.

Joodse
vrouwen en meisjes
gaan in 1913 in Amsterdam de straat op om bloemen te verkopen
ter gelegenheid van de joodse Nationale Bloemendag.

Minister
E. Regout van Justitie
kreeg in 1911 in de Tweede Kamer enige problemen
met de eedsaflegging door officieren.
Reden was dat hij, zonder daar melding van te maken,
de religieuze gevoelens van het joodse volksdeel wilde ontzien.

Orthodoxe
joodse voorgangers,
in 1910 gefotografeerd in Amsterdam.
De kloof tussen orthodoxe en vrijzinnige joden
was slechts één van de tegenstellingen
die de joodse gemeenschap
in Nederland onderling verdeeld hielden.
|
|
Vreemde
vogels
zonder problemen
Omstreeks de eeuwwisseling
maakte de joodse gemeenschap nagenoeg probleemloos deel uit van de Nederlandse
samenleving. Er was wel sprake van antisemitisme, maar geen jood die er
echt last van had.
Joodse Nederlanders
konden zich de luxe veroorloven waaraan ook de rest van de samenleving
zich overgaf: kissebissen over onderlinge verschillen zonder dat iemand
buiten de eigen kring zich daar druk over maakte. Vrijwel overal gingen
joden en christenen plezierig met elkaar om.
Minister E.H.R. Regout
van Justitie had het op 7 juni 1911 maar moeilijk in de Tweede Kamer.
Aan de orde was het wetsontwerp 'militair ceremonieel'.
Tot in de kleinste details was daarin onder andere geregeld hoe aanstaande
officieren de eed - of de belofte - van trouw dienden
af te leggen.
Maar één ding was toch schijnbaar vergeten. Terwijl bijvoorbeeld
precies was omschreven hoe de officier na het ontbloten van
de hand, doch vóór het opsteken van middel- en wijsvinger,
de handschoen in de broekzak moest stoppen, werd in het wets-
ontwerp met geen woord gerept over de eeuwenoude traditie dat de eed blootshoofds
werd afgelegd. Was er een reden voor die omissie, wilde de Kamer weten.
Hakkelend gaf de bewindsman toe 'dat wij mannen gewoon zijn ons in een
besloten localiteit te ontdekken' (d.w.z. hoed of pet af te zetten) maar
dat hij joodse militairen toch moeilijk kon verplichten dat voorbeeld
bij de eedsaflegging te volgen. Hun religie schreef hen bij zo'n gelegenheid
immers een bedekt hoofd voor.
Navraag bij verscheidene rabbi's had de minister en zijn ambte-
naren weliswaar geleerd dat het niet zeker was of het joodse geloof ook
werkelijk zo'n verplichting kende, maar hij had hoe dan ook de gevoelens
van joods Nederland willen ontzien.
Nu wilde de Kamer dat gelukkig ook, zodat ze er verder geen woorden aan
vuil maakte. Het voorval laat echter zien hoe respectvol men in Nederland
omging met zijn joodse landgenoten. Dit in tegenstelling tot elders -
van Rusland tot Frankrijk toe - waar juist een periode van fel oplaaiende
jodenhaat en -vervolging was aangebroken.
Hetgeen overigens niet wilde zeggen dat Nederland vrij was van antisemitisme.
Christelijke voormannen als Abraham Kuyper en J. Alberdingk Thijm lieten
zich wat dat betreft onbeschaamd gaan.
De Nederlandse letterkunde uit die dagen portretteerde maar al
te vaak het beeld van de onbetrouwbare, laffe en boosaardige jodenman.
De schrijver Herman Heijermans, die het in de joodse pers later zelf zwaar
te verduren kreeg wegens vermeend anti-
semitisme, moest zich in zijn jonge jaren heftig verdedigen tegen de wel
heel scherpe sociale discriminatie van joden in zijn geboortestad Rotterdam.
En wat te denken van de antirevolutionaire burgemeester Kemper van het
rechtzinnige Harderwijk die anno 1903 verkiezingen op zaterdag organiseerde
opdat de joodse ingezetenen er, in verband met hun sabbatverplichtingen,
niet aan zouden kunnen deel-
nemen?
'De Israëlieten hebben het in Nederland toch al bizonder goed,' was
zijn verweer. Dankzij de opperrabijn van Gelderland, die ver-
nuftig bedacht dat de Wet het stemmen op de sabbat niet verbood mits het
na de sjoel gebeurde, liep de affaire met een sisser af.
De verstandhouding tussen joden en de calvinistische meerderheid in Harderwijk
(de laatste had heel wat minder op met de rooms-katholieken) was overigens
buitengewoon gemoedelijk.
Joden hadden zitting in de gemeenteraad en in het bestuur van
de Oranjevereniging; men kwam bij elkaar op theevisite en woonde elkaars
huwelijken en begrafenissen bij en de kinderen speelden onbekommerd met
elkaar. Toch stond ook de joodse gemeenschap in Harderwijk onder druk.
Evenals uit de mediene elders in het land (waar overigens bij elkaar nooit
meer dan zo'n 30.000 joden hebben gewoond) trokken als gevolg van de voortschrijdende
urbanisatie steeds meer joodse Harderwijkers naar de grote stad, in het
bijzonder naar Amsterdam. Mokum was van oudsher al het centrum van het
joodse leven in Nederland geweest. In de hoofdstad, en in Rotter-dam en
Den Haag, was inderdaad de overgrote meerderheid van de joodse minderheid
gevestigd overigens nooit meer dan hooguit twee tot drie procent
van de totale Nederlandse bevolking.
VERDEELDHEID
Wat hield het 'joodse
leven' in Nederland in deze periode nu precies in? In de praktijk was
van een hechte of gesloten gemeen-
schap geen sprake. Tussen Mokum en de mediene gaapte een kloof; orthodoxe
joden onderscheidden zich van de vrijzinnigen; de sefardiem (de zgn. Portugese
joden) hielden afstand van de asjkenaziem (de zgn. Hoogduitse joden).
Het joodse proletariaat, dat in de tweede helft van de 19e eeuw nog altijd
voor tweederde van de bedeling leefde en uiteindelijk koos voor het socialisme,
stond in doffe vijandigheid tegenover
de rijke en machtige parnassijns, de Israëlitische kerkvoogden die
het in de joodse gemeenschap als onvervalste regenten voor het zeggen
hadden. En dan waren er nog de vele maatschappelijk geslaagde joden die,
als levend symbool van succesrijke assimilatie, waren geïntegreerd
in de wereld van de christenen en daarmee als het ware hun afkomst hadden
verloochend.
'Ze veranderden hun naam, maar niet hun neus,' spotte aan het einde van
de vorige eeuw de joodse bankier A.C. Wertheim die zelf, ondanks zijn
maatschappelijke succes, zijn geloofsgenoten trouw bleef. Zijn tegenpool
was in zekere zin de joodse minister M.H. Godefroi die al eerder geprotesteerd
had tegen het voorstel van de christelijke partijen voor een bijzonder
joods onderwijs; naar zijn mening konden de joodse Nederlanders het best
stellen met het gewone openbare onderwijs. Want terwijl de rooms-katholieken
via de organisatie van eigen krachten geleidelijk ook hun maatschappelijke
emancipatie afdwongen, en protestanten en socialisten eenzelfde weg bewandelden,
liet de joodse minderheid het afweten in de strijd om de verzuiling. Zo
hier en daar kwam het tot eigen kranten, eigen scholen en eigen ziekenhuizen
en ook het eigen kerkelijke leven bleef bewaard. Maar een eigen joodse
politieke partij kwam er niet. Dat lag minder aan de geringe omvang van
de joodse gemeenschap in het land dan aan de vele onderlinge verschillen
en tegenstellingen die haar verdeeld hielden. Wat dat betreft vormde ze
een afspiegeling van de Neder-
landse samenleving, die zich steeds verder opsplitste in klassen, groepen
en hokjes. Elk ervan kreeg een eigen, ongunstig stempel opgedrukt.
Katholieken maakten deel uit van de internationale samenzwering van Rome,
calvinisten somberden met stijve krenterigheid door het leven, liberalen
droegen als zelfvoldane burgerheren hun vette buiken voor zich uit en
socialisten waren kankeraars en luie uitvreters.
Het Nederlandse antisemitisme sloot door zijn aard aan bij dit soort stereotyperingen.
De Nederlandse joden
zelf tilden er niet te zwaar aan. Dat blijkt uit het zeer geringe ledental
van de Nederlandsche Zionistenbond die in 1899 werd opgericht.
Het 'Nieuw Israelitisch Weekblad' moest er zelfs niets van hebben: 'Dat
is perse niet zoo belangrijk,' schreef de redactie kort nadien. Het zionisme
was, naar de mening van het blad, meer iets voor het barbaarse Oost-Europa
waar geloofsgenoten in de ene na de ande-
re pogrom geslachtofferd werden. De orthodoxe joden in Neder-
land beschouwden het zionisme zelfs als onjoods misschien niet
eens zo vreemd omdat zich onder de eerste leden van de bond nogal wat
niet-joden bevonden, zoals de liberale oud-minister J.P.R. Tak van Poortvliet.
De meeste financiële steun voor de Nederlandsche Zionistenbond kwam
aanvankelijk trouwens uit christelijke kring, onder andere uit de evangelische
gemeenschap te Brussel.
Voor alle duidelijkheid: het geld werd opgebracht uit sympathie, niet
omdat men de joden zo snel mogelijk kwijt wilde.
|