|
DE
DAGBLADPERS

Krantenjongens
bij het Centraal Station in Amsterdam.
Op de bestelauto van 'De Echo' een voorbeeld van de wjze
waarop dag- en weekbladen lezers probeerden te werven met gratis verzekeringen.

Een
jeugdige krantenverkoper van het Algemeen Handelsblad.
De meeste Nederlanders abonneerden zich echter op een blad
en lieten het zich thuisbezorgen.

Een
gedeelte van de redactielokalen
van het socialistische dagblad 'Het Volk' in 1910.
Hoewel hun vak nog altijd in laag aanzien stond,
waren de meeste Nederlandse journalisten
inmiddels redelijk goed opgeleid
en had het beroep een professioneel karakter gekregen.

Voorpagina
van 'Het Nieuws van den Dag' van 19 januari 1903,
gebruikt als ansichtkaart voor groeten uit Amsterdam.
De inzet toont het Paleis van Volksvlijt aan het Frederiksplein,
op de plaats waar nu het gebouw van de Nederlandsche Bank staat.
|
|
Het
nieuws aan huis
Aan het begin van
de 20e eeuw was de krant uitgegroeid tot een bron van nieuws en verstrooiing
voor een breed publiek. Abonnees werden vaak op vindingrijke wijze geworven.
Krantenlopers en
krantenjochies brachten het dagblad
aan huis, desgewenst zelfs voor een paar uur.
En voor wie het echte nieuws niet boeiend genoeg was waren er
de zondagsbladen, met hun vracht aan ontspanning, sensatie en vooral veel
plaatjes.
De pers maakte eind
19e, begin 20e eeuw een bloeiperiode door waarin ze als goedkoop massamedium
doordrong tot alle lagen
van de bevolking. Vooral de krant ontwikkelde zich van een nieuwsorgaan
voor een beperkte bovenlaag tot brenger van nieuws en verstrooiing voor
een breed lezers-publiek.
In Nederland werd die groei vooral mogelijk gemaakt door
de afschaffing, in 1869, van het dagbladzegel: een uit de 17e eeuw stammende
belasting op het drukken van kranten die het uitgeven ervan lange tijd
financieel minder aantrekkelijk had gemaakt.
TECHNIEK EN JOURNALISTIEK
Het beroep van journalist
stond niet bepaald in aanzien. Journalisten waren naar veler mening lieden
die in eerdere carrières mislukt waren en nu in rokerige achterzaaltjes
de kranten vol schreven - met de drankfles onder handbereik.
Het was een onterecht beeld.
Want juist in deze periode ontwikkelde de journalistiek zich snel
en kreeg ze een professioneler karakter. Door de komst van
de telegraaf en de opkomst van internationale persbureaus als Reuter namen
bovendien omvang, snelheid en kwaliteit van
de nieuwsgaring toe.
Ook de technische produktie van de krant veranderde en onderging tal van
vernieuwingen.
Omstreeks 1900 werden de krantepagina's niet meer letter voor letter met
de hand samengesteld. De vroegere handzetter was in veel krantenbedrijven
vervangen door de machinezetter die
de loden regels vervaardigde achter het toetsenbord van een zetmachine.
Ook het drukken gebeurde machinaal. Bovendien werd de vlakke snelpers
(die minder snel was dan haar naam deed vermoeden) geleidelijk vervangen
door de wél snelle rotatiepers.
Hiermee konden tot 12.000 kranten per uur worden gedrukt, tienmaal zoveel
als met een dubbele vlakpers.
Die schaalvergroting ging gepaard met de opkomst van het merk-
artikel en de reclame daarvoor. Gaandeweg kwam er een koppe-
ling tot stand tussen lezers- en adverteerdersmarkt.
Uitgevers ontdekten de mogelijkheden van de commercialisering. Door het
toenemen van de advertentie-inkomsten kon de krant zowel dikker als goedkoper
worden, waardoor op haar beurt
de verkoop en daardoor de oplage steeg. Meer pagina's betekende ook dat
de krant veelzijdiger werd.
Naast het grote nieuws en het commentaar erop verschenen in
de kolommen ook gemengde berichten van minder belang, anekdotische wetenswaardigheden,
korte verhalen en feuilletons - de laatste vaak op de voorpagina.
Ook deden allerlei spelletjes en prijsraadsels hun intrede.
De aantrekkelijkheid van de krant werd kort na de eeuwwisseling verder
vergroot toen het mogelijk werd illustraties af te drukken.
Naast de krant mochten
ook de rijk geïllustreerde week- en zondagsbladen zich verheugen
in een stijgende populariteit. Ze boorden een geheel nieuw publiek aan
van lezers die zich weinig interesseerden voor politiek en maatschappij,
maar zich graag verdiepten in ontspanning, sensatie en vooral veel plaatjes.
Het succes ervan was zo groot dat ook veel kranten zondagse supplementen
met een vergelijkbare inhoud begonnen uit te brengen.
KRANT TE HUUR
Omstreeks 1890 was
het dagelijks lezen van de krant nog zeker geen gemeengoed. Niet iedereen
kon zich dat ook veroorloven.
Wie toch op de hoogte wilde blijven van het dagelijkse nieuws
nam daarom zijn toevlucht tot een opmerkelijk fenomeen:
het courantiersabonnement, een voorloper van de tegenwoordige leesportefeuille.
Bij zo'n abonnement huurde men voor een beperkte tijdsduur
de krant van een 'courantenverhuurder'.
De abonnee die het meeste kon of wilde betalen kreeg de krant als eerste.
Daarna werd het blad opgehaald en bezorgd bij de volgende lezer. Dat kon
al na een paar uur zijn.
Op die manier bleven de kosten voor de lezer laag, vooral als hij aan
het einde van de rit zat. Het verschijnsel vond vooral ingang in grote
steden als Amsterdam.
Om een krant als het 'Algemeen Handelsblad' onmiddellijk na verschijning
te kunnen inzien moest de lezer de courantier een kwartje per week betalen;
was hij tevreden met een krant van een dag oud dan kostte dat een dubbeltje
per week. Een krant kon zo wel drie dagen in betaalde circulatie blijven.
Aan deze situatie kwam pas in de eerste decennia van de 20e eeuw een einde.
Belangrijke oorzaken waren de toenemende welvaart en de opkomst van goedkope,
populaire volksdag-
bladen met abonnementsprijzen tussen 75 cent en f. 1,25 per kwartaal.
Veel mensen waren daardoor in staat een eigen abonnement te nemen.
Het zich abonneren op een krant was overigens al sinds het einde van de
19e eeuw een typisch Nederlands verschijnsel.
In het buitenland was het nauwelijks bekend; daar kocht men zijn krantje
in de losse verkoop.
Abonnees werden op vindingrijke wijze geworven, vaak door middel van een
aan het abonnement gekoppelde gratis verzekering (meestal tegen ongevallen).
Deze wijze van klantenbinding, overgenomen van populaire weekbladen in
Frankrijk en Engeland, werd in december 1891 voor het eerst toegepast
door het 'Rotterdamsch Nieuwsblad'
en niet voor abonnees maar voor lezers.
Dit subtiele verschil
leidde tot taferelen waarbij arbeiders die op het werk een ongeval was
overkomen door collega's nog snel een nummer van deze krant in de bebloede
hand werd gestopt en daarmee tot (verzekerde) lezer werden gebombardeerd.
BEZORGING
Ook toen al kreeg
de Nederlandse dagbladabonnee zijn krant graag thuisbezorgd. Het bezorgen
van de kranten uit een courantiersabonnement gebeurde meestal door kinderen;
de succesvolste verhuurders hadden zes tot acht van zulke krantenjochies
in dienst. De gewone abonnees werden doorgaans bediend door de eigen bezorgers
van een krant. Zo'n krantenloper had het niet gemakkelijk. Omdat de meeste
kranten ook op zondag verschenen (en soms twee keer per dag) speelde zijn
bestaan zich zeven dagen per week af op straat, van de vroege ochtend
tot
de late avond.
Voor zijn dagelijks brood was hij in hoge mate afhankelijk van
de goede betrekkingen met zijn afnemers.
Met Nieuwjaar en tijdens de kermis kwam hij aan de deur met zijn beste
wensen, mondeling of in de vorm van een gedrukt rijmpje, in de hoop op
een extra fooi.
Tevens trad hij vaak op als aanbrenger van kleine advertenties
en als een gezochte bron van buurtroddels die zelfs in het gemengde nieuws
van zijn krant ontbraken. Want zijn bestaan mocht dan zwaar zijn, hij
kwam wél overal!
|