BIERBROUWERIJEN

  Tussen ambacht
en industrie

 

 

 

 

 

 

 

 

Een van de zeldzame reclame-uitingen
waartoe de Heinekenbrouwerij zich
aan het begin van de 20e eeuw liet verleiden:
een wandplaat met onder andere
de drie industriële brouwerijen van het concern.

Straatbeeld van omstreeks de eeuwwisseling:
een vrachtauto van 'Beiersch-Bierbrouwerij De Amstel',
met hoogopgetast de lege houten biervaten
die iedere week in de
cafés werden opgehaald.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Publiciteitskar van de Koninklijke Brouwerij te Amsterdam
waarmee, in 1911, reclame werd gemaakt voor het nieuwe flessebier—
'isobarisch' gebotteld in, nog een nieuwtje,
flessen met een aluminium sluiting.

 

 

 

Nederland telde aan de vooravond van de 20e eeuw
een bijna onvoorstelbaar groot aantal bierbrouwers. Omstreeks de eeuwwisseling moesten ze een keuze maken tussen ambacht en grootbedrijf.

De ambachtelijke bieren uit Brabant en Limburg waren zeer afwisselend van smaak. Maar omdat ze 'dood' en bederfelijk waren kwamen ze zelden verder dan het plaatselijke café.
De toekomst was toch aan het industriële lagerbier naar Beiers model.

In december 1912 kwam bierbrouwer Mathieu Brand uit
het Limburgse Wylre in aanvaring met de katholieke politicus jhr. mr. Ch. Ruys de Beerenbrouck.

Op een verkiezingsbijeenkomst was deze latere minister-president fel van leer getrokken tegen het drankmisbruik
en had hij herbergiers en brouwers aangewezen als
de belangrijkste handlangers van volksvijand nr. l.
Brand was tegen deze eenzijdige beschuldiging in het geweer gekomen. Dat kwam hem te staan op een ernstige repri-mande in de 'Limburger Koerier':
met zijn optreden had hij eer en goede naam van de roomse jonkheer te grabbel gegooid.

Hoewel minder dan de socialisten lieten ook de leiders van het katholieke volksdeel zich in deze jaren niet onbetuigd in de strijd tegen het inderdaad zorgwekkende drankmisbruik. Zo stond de Bossche norbertijner pater J. van Roy op
de barricaden met 'Hannes de Duivelbanner', een anti-alcoholisch kluchtspel voor elf mannenrollen en een kind. Amateurgezelschappen konden het kopen voor 45 cent.

BROUWEN VOOR EIGEN DORP

Dat de botsing tussen drankbestrijder en drankfabrikant zich in Limburg afspeelde was in zekere zin symbolisch.
De Limburger wist van innemen, zeker als het om bier ging. Met 103 liter per hoofd per jaar dronk hij in 1913 ruim tweeëneenhalve keer zoveel als de gemiddelde Nederlander.

Vóór de Drankwet van 1881 de verkoop van alcoholische dranken aan een vergunning bond telde de provincie ruim vierduizend cafés.
Alleen al in Maastricht waren er 488.
Het aantal brouwerijen liep daar gelijk mee op.
Limburg telde er in 1900 op de kop af 132.
Alleen Noord-Brabant had er meer, namelijk 207 - maar
die provincie had dan ook twee keer zoveel inwoners.

Ter vergelijking: in Noord- en Zuid-Holland samen waren slechts 32 brouwerijen in bedrijf. Al moet eerlijkheidshalve worden gezegd dat dit voor een belangrijk deel groei-bedrijven waren.

In Brabant en Limburg overheerste nog het kleine, vaak primitieve lokale brouwerijtje dat de eigen dorpsmarkt bediende en hooguit die van de omringende plaatsen.
Slechts een enkele onderneming, zoals die van Brand uit 1871, had al de stap gezet naar moderne brouwmethoden op stoomkracht.
Maar zelfs dit bedrijf, dat geheel Limburg tot zijn domein rekende, kon niet buiten de nevenverdiensten uit de verkoop van wijn, likeur enjenever.

OPKOMST VAN HET BEIERSE BIER

De ambachtelijke brouwmethoden in het zuiden leverden
een grote verscheidenheid aan smaken op. Nadeel was echter dat deze biersoorten slecht houdbaar, troebel en 'dood'
(= koolzuurarm) waren.
Vooral die bederfelijkheid beperkte, in combinatie met
de slechte vervoersmogelijkheden, de afzet ervan.
De brouwerijen in Noord-Nederland waren daarentegen al vóór 1900 overgeschakeld op de beter houdbare, zgn. ondergistende bieren. Voor de produktie ervan was echter een kostbare technische outillage vereist. Ook de lange duur van deze uit Beieren overgewaaide produktiemethode maakte de bieren duurder dan die uit het zuiden.
Ze moesten geruime tijd worden 'gelagerd' (=opgeslagen) in kunstmatig gekoelde kelders.

Hoewel bierbrouwerij 'De Beyersche Kuip' te Groningen al in 1847 was begonnen met de produktie van dit moderne 'lagerbier' vond de vernieuwing aanvankelijk slechts mondjesmaat ingang.
Weinig brouwers beschikten over het benodigde kapitaal,
de koeling bleef een knelpunt en het voordeel van een langere houdbaarheid zette weinig zoden aan de dijk zolang de spoorwegverbindingen beperkt waren.
Zelfs 'De Hooijberg' van Heineken & Co., de eerste Amsterdamse brouwerij die was overgeschakeld op stoom-kracht, had in 1862 nog slechts veertien arbeiders in dienst.

HEINEKEN: GEEN RECLAME

De naam van Heineken blijf' steeds
In aller hart bewaard;

De naam, die om zijn werken toch
Een eerkrans voor zich gaart.
En bij het vieren van dit feest
Roept elke stemme blij:

'Zijn leven zij van langen duur,
Tot 't Heil der maatschappij'.

Dit gelegenheidslied zong het trouwe werkvolk van Heineken in 1867, bij het in gebruik nemen van een nieuwe fabriek die naar Engels recept de betere soorten bovengistend bier zou gaan produceren.
Hij en de Rotterdamse brouwerij 'd'Oranjeboom' richtten daartoe in 1873 Heineken's Bierbrouwerij Maatschappij N. V. op.

Omstreeks de eeuwwisseling had deze zich al ontwikkeld tot een van de grootste brouwerijen van het land, ook al waren Heineken en zijn Rotterdamse compaan inmiddels weer uit elkaar gegaan. Het succes was voor een belangrijk deel te danken aan de technische en wetenschappelijke vernieuwingen.
Het ontstaan van het grootbedrijf leidde tot een verscherping van de concurrentie in de bierbrouwerij. Terwijl de produktie tussen 1890 en 1916 met bijna 40 procent toenam daalde het aantal brouwerijen van 543 tot 383, voornamelijk door fusies, overnames en faillissementen.
De concentratie was het sterkste tussen 1906 en 1910 toen het bierverbruik sterk daalde, ondermeer door de grote werkloosheid onder bouwvakkers.

In die periode begon ook de jacht op de afnemer. ledere brouwer probeerde zich te verzekeren van een vaste afzet, onder andere door zelf bierhuizen te exploiteren en geld te steken in cafés en andere horecabedrijven.

Merkwaardig is dat een bedrijf als Heineken jarenlang wars bleef van reclame. Stelregel van de onderneming was dat
de kwaliteit van het produkt voor zich moest spreken.
Nog in 1914 wilde de brouwerij geen glazen of zonne-schermen met de eigen merknaam leveren en een slogan als 'Heineken's Bieren' moesten de caféhouders maar voor eigen rekening op hun ruiten laten schilderen.
Reclameplaten werden wel gemaakt maar die moesten de 'kalanten' zelf maar aanvragen.

De meeste brouwers probeerden afzetmoeilijkheden in eigen land te compenseren door een grotere export. Dat lukte. Terwijl het Nederlandse bierverbruik tussen 1890 en 1916 min of meer gelijk bleef steeg de uitvoer met liefst 130 procent.
Aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog was Nederland op de internationale biermarkt dan ook een factor van betekenis geworden.

naar inhoud 1900 naar index