DE MARGARINE INDUSTRIE

 

 

 

 

 

 

Albers'Creameries Ltd. in Dordrecht
maakte met deze reproduktie van een reclameschilderij promotie voor haar margarine - en gunt ons tevens een blik in de keukeninrichting van omstreeks de eeuwwisseling.

 

 

 

 

 


Een merkwaardige foto van een niet al te fris fabriekje
waarin omstreeks 1920 boter en margarine
werden vermengd tot een produkt
dat de goede eigenschappen
van beide produkten heette te combineren.



 

 

 

 

 

 

 


Voorbeeld van de wijze waarop de margarinefabrikanten
begin 20e eeuw
duidelijk maakten dat hun produkt
op uiterst moderne wijze werd vervaardigd.
Het fraaie fabriekscomplex moest
de tegenstelling duidelijk maken
met de doorgaans nog ambachtelijke bereidingswijze
van 'echte' boter.


 

Armeluisboter uit Oss

 


De margarine werd uitgevonden in Frankrijk maar groeide in Nederland uit tot een internationaal produkt.
Twee Brabantse boterhandelaars bouwden op 'kunstboter' een wereldconcern.

Fabrieksmatige produktie, slimme verkoopmethoden en uitgekiende reclame-campagnes maakten van de 'armeluis-
boter' uit de beginjaren spoedig een produkt dat, anders
dan echte boter, bijna synoniem was met zindelijkheid en zuiverheid.


Ook aan het einde van de 19e eeuw genoot Nederland al grote faam als zuivelproducent.

Boter en kaas uit Holland waren gewilde artikelen en verschenen overal in Europa op tafel - zij het voornamelijk op de tafel van de rijken.
Des te opmerkelijker daarom dat de opmars van de Euro-
pese margarine-industrie in dit land ontstond en wel in het Brabantse stadje Oss.

Overal in Europa was halverwege de 19e eeuw bezorgdheid gerezen over de geringe hoeveelheid vet in het volksvoedsel en de gevolgen daarvan voor de volksgezondheid.
Vooral voor het groeiende aantal fabrieksarbeiders was boter te duur en zelfs de goedkopere reuzel kon lang niet iedereen zich veroorloven.
De Franse regering stimuleerde daarom het onderzoek naar een vervangingsmiddel.
Ze subsidieerde onder andere het laboratorium van de schei-
kundige R.Mège-Mouriès, een man die al heel wat interes-
sante ontdekkingen op zijn naam had staan.
In 1870 vond hij inderdaad een bruikbaar surrogaat voor boter.
Door rundvet in een smeltingsproces te scheiden in stearine en oleomargarine en deze laatste te vermengen met magere melk verkreeg Mège-Mouriès een smakelijk en smeerbaar produkt.
Een echte concurrent voor boter was deze eerste margarine aanvankelijk niet. Maar ze had drie voordelen: ze was goedkoop, ze bevatte voldoende vet en het was een natuur-
produkt.
De margarine-fabrikanten benadrukten vooral dit laatste, uiteraard in een poging te verhullen dat de margarine uit die begintijd eigenlijk een soort afvalprodukt van de slachterij was.

 

VAN DEN BERGH EN JURGENS

De eerste Nederlander die mogelijkheden zag in het nieuwe produkt was Anton Jurgens, een boterhandelaar uit Oss.
Hij leidde een familiebedrijf dat al honderd jaar in de internationale boterhandel zat en kende de markt dus op zijn duimpje.
Vrijwel onmiddellijk nadat hij van de Franse vinding hoorde kocht hij het patent ervan en in 1871 begon hij in zijn woon-
plaats een margarinefabriek.
Door de verkoopervaring van haar stichter waren
de Jurgens' Margarinefabrieken vrijwel van start af een succes. Vooral in de Westeuropese industriesteden groeide de afzet met sprongen.
In 1910 had het bedrijf al kantoren en depots in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Groningen en Utrecht en fabrieken in Engeland, Duitsland en België.

In 1872 kreeg Oss er een tweede margarinefabrikant bij.
Samuel van den Bergh kwam uit het Brabantse dorp Geffen en handelde eigenlijk in manufacturen en koloniale waren.
Met de boterhandel was hij in contact gekomen omdat hij zijn waren meestal niet verkocht maar bij de boeren ruilde voor boter. Die verkocht hij weer of exporteerde ze naar Engeland.

Ook Van den Bergh boekte succes met de margarine-
fabricage.
Al heel gauw stichtte hij fabrieken in Kleef en Brussel.
Wegens de export naar Engeland verplaatste hij in 1891 zijn hoofdkantoor naar Rotterdam.
Door de verslechterende situatie op de boter- en margarine-
markt werden Van den Bergh en Jurgens in 1908 gedwongen tot samenwerking.

Deze kreeg de vorm van een poolovereenkomst, een belangengemeenschap waarin de winsten onderling werden verdeeld.
De afspraak bleef overigens aanvankelijk geheim; voor
de buitenwereld waren de twee nog altijd elkaars concur-
renten.
De wijze waarop Van den Bergh en Jurgens vervolgens hun bedrijven organiseerden en de produktie en afzet van margarine internationaliseerden was voor tijd hoogst modern: een van de eerste voorbeelden een industriële ontwikkeling op Europees niveau.
Na de Eerste Wereldoorlog zou hun samenwerking uitmonden in het Unileverconcern.

Kwaliteit als slogan

Modern was ook de wijze waarop beide ondernemingen reclame maakten voor hun produkt.
Van den Bergh was al in 1898 begonnen met reclame voor zijn Vitello-margarine, niet alleen in Nederland maar ook in Duitsland.
Het produkt werd onder andere aangeprezen op emaille borden op muren en aan winkelpuien en aan de Rotterdamse Coolsingel liet hij zelfs speciale vitrines plaatsen met reclame voor zijn kunstboter.

Befaamd was ook de slogan waarmee Jurgens zijn Solomar-
garine aan de man bracht:
'Solo, onovertroffen in kwaliteit'.

Bovendien gaf Jurgens de winkeliers gedetailleerde aanwij-
zingen hoe ze hun etalages moesten inrichten en de marga-
rine daarmee aantrekkelijk konden maken voor het publiek.
In reclame en promotie werd voortdurend de nadruk gelegd op de 'zindelijkheid en zuiverheid' die bij de bereiding van margarine in acht werden genomen.
Daarmee zetten de fabri-kanten zich af tegen het geknoei bij de boterbereiding die aan het begin van de 20e eeuw zelfs leidde tot een invoerverbod van Nederlandse boter in Frankrijk.

De bereiding van margarine, zo heette het, stond verre van deze bedenkelijke praktijken.
Het publiek kreeg keer op keer te horen dat de grote marga-
rinefabrieken werkten met moderne verpakkingsmachines die niet alleen voor een juist gewicht zorgden maar ook een uiterste hygiëne garandeerden.
Hoog werd ook opgegeven over de kartonverpakking waarin het produkt in de handel werd gebracht.
Eenmaal uit de fabriek werd de margarine daardoor niet meer blootgesteld aan de buitenlucht en was er geen sprake meer van het onhygiënische uitwegen met de hand zoals dat indertijd nog bij echte boter gebeurde.

Door dit soort campagnes begon margarine geleidelijk haar naam als 'armeluisboter' te verliezen, zelfs toen de dierlijke vetten erin na 1900 geleidelijk werden vervangen door plantaardige grondstoffen zoals palm-, kokos- en zonne-
bloemolie.

naar inhoud 1900 naar index