DE ATJEHOORLOG

 

 

 

Generaal Van Heutsz en zijn staf
slaan vanaf een heuvel de bestorming gade van Batoe Iliq,
in februari 1901.
De verovering van deze versterking
betekende in feite het einde van de Atjeh-oorlog.

 

 

 

klik voor een groter formaat

Een patrouille van het KNIL
trekt door een bergkloof van de Goenoeng Panjang.
De bloedige schermutselingen in het gebied
werden doorgaans uitgevochten met bajonet en klewang.

 

Inlandse dwangarbeiders
herstellen een door de opstandelingen verwoest baangedeelte
van de spoorlijn bij Kweng Pangwali.

 

 

 

Officieren van het KNIL en hun vrouwen,
in een vrachtwagen gefotografeerd bij Takengeun.
De man op de voorgrond is de toenmalige gouverneur van Atjeh, H. Swart.

 

 

links: Het KNIL streed in 1894
op Lombok tegen opstandige vorsten.
De militairen ontvingen later het Lombokkruis.

rechts: De Atjehmedaille 1873-1874,
uitgereikt aan leden van het KNIL
die hadden deelgenomen aan de gevechten
na het verraad van Teukoe Oemar.

 

 

DE HARDE HAND
VAN HET GEZAG

 

Het islamitische en tot het midden van de 19e eeuw zelfstandige Atjeh was jarenlang de luis in de pels van het Nederlandse gezag op Sumatra.
In 1896 ging de Atjehoorlog zijn laatste fase in.


Atjeh kostte duizenden KNIL-militairen en dwang-
arbeiders het leven.
J.B. van Heutsz, recalcitrant criticus van het militaire beleid, maakte aan de oorlog een einde — met harde hand, maar ook met een voor die tijd goed inzicht in
de mentaliteit van de tegenstander.


Begin april 1896 werd Nederland opgeschrikt door
het bericht dat de oorlog in Atjeh, op Sumatra, voor
de derde keer was opgelaaid - ditmaal door het verraad van de inheemse leider Teukoe Oemar.
Aan een korte periode van pacificatie, in 1884 begonnen, was een einde gekomen.

Kort vóór zijn 'verraad' had het KNIL Teukoe Oemar nota bene nog bevoorraad met moderne wapens en veel munitie die hij nodig zei te hebben voor zijn strijd aan Nederlandse zijde tegen de Atjehse vorsten. Vrijwel meteen daarop had hij zich echter aan de zijde van diezelfde vorsten geschaard om samen met hen
de oorlog tegen het KNIL te hervatten.
De 'verrader' had overigens wel een aanleiding voor zijn handelwijze. Zonder duidelijke aanleiding had het KNIL de patrouilles hervat binnen het Atjehse gebied dat sinds 1884 met een reeks versterkte buitenposten van de rest van het eiland was afgescheiden.

 

KONINKLIJKE OP DE ACHTERGROND

Batavia reageerde bliksemsnel.
Gouverneur-generaal C.H.A. van der Wijck ontsloeg
de militaire bevelhebber in Atjeh, gaf de verantwoor-
delijkheid voor rust en orde in het gebied in handen van de legercommandant van Nederlands-Indië en dirigeerde vanuit Oost-Sumatra onmiddellijk troepen naar het omstreden gebied. Bovendien vertrokken vanuit Java twee infanteriebataljons en een batterij veldgeschut naar Noord-Sumatra, enige weken later gevolgd door verdere versterkingen.

Die snelle reactie had waarschijnlijk alles te maken met de activiteiten van de Koninklijke Petroleum Maat-
schappij op Sumatra.
Het eiland was inmiddels een belangrijk oliewingebied geworden waar de Koninklijke verscheidene concessies had.
Tussen de top van het bedrijf, het Indische gouver-
nement en de regering in Den Haag bestonden goede contacten - en bovendien persoonlijke banden.
Het besluit van de Koninklijke om een concessie op Atjehs gebied in exploratie te nemen, viel nagenoeg samen met de hervatting van de patrouilles die Teukoe Oemar in het verkeerde keelgat was gescho-
ten. Toeval?

Op 7 april 1896 waren in Atjeh al tweeduizend man troepen en tweehonderd officieren gearriveerd.
Onder de laatsten bevond zich overste J.B. van Heutsz, wiens naam onlosmakelijk verbonden zou raken met de derde Atjehoorlog.
Al op 8 april stuurde legercommandant J.A. Vetter
de eerste versterkte colonne uit om de belegerde buitenposten te ontzetten. Over de situatie van die posten was niets bekend omdat de 'opstandelingen' alle verbindingen hadden verbroken; de telefoonlijnen waren doorgesneden, de wegen vernield.
Binnen enkele weken waren ze alle zestien ontzet en zo grondig mogelijk vernield om gebruik door de Atjehers onmogelijk te maken.
Zelfs de trots van de Atjehvallei, de ijzeren brug bij Anagaloeng, werd opgeblazen.
Het verzet van de Atjehers tegen deze acties was echter fel.
Tegen Anagaloeng, Lam Soet, Senelop en Lambarik moesten zelfs twee colonnes worden ingezet, met inbegrip van het enige KNIL-peloton ter plaatse dat over moderne repeteergeweren beschikte.
Het succes van deze laatste eenheid was zo groot, dat onmiddellijk alle repeteergeweren en -karabijnen uit Java naar Atjeh werden gezonden. Met de wapens werd een compagnie fuseliers voor speciale taken uitgerust.

Na de ontzetting en opheffing van de buitenposten ging de militaire expeditie verder met de pacificatie van
de vallei van Groot Atjeh. In mei werd Lampisang,
de woonplaats van Teukoe Oemar, grondig verwoest.
Aan Van Heutsz viel de eer te beurt deze pacificatie-actie te leiden. Met de toegepaste tactiek van de ver-
schroeide aarde was hij het overigens niet eens; hij vond ze te hard en geen bijdrage aan de vestiging van rust en orde.
Wel tevreden was hij eind 1896 over de instructie aan de nieuwe gouverneur van Atjeh. Deze moest door onafgebroken patrouilleren met mobiele colonnes orde en rust afdwingen in alle gebieden in Atjeh die weer aan het Nederlandse gezag onderworpen waren.

 

DURE STRIJD

Het 'verraad' van Teukoe Oemar leidde de derde fase in van een bloedige oorlog die in 1873 was begonnen met pogingen in het islamitische Atjeh het Neder-
landse gezag te vestigen.
Bloedig was de oorlog in elk geval: tot 1897 kostte hij aan Nederlandse zijde zeker 10.000 KNIL-militairen en 15.000 dwangarbeiders het leven; ze sneuvelden
of stierven door ziekte en ontbering. En kostbaar was
de strijd eveneens; op dat moment was er al minstens 500 miljoen gulden aan besteed.
Toch was er vóór 1897 in regeringskring nauwelijks over gedebatteerd. Daar leek ook weinig aanleiding toe. Door de politiek van concentratie binnen een beveiligd gebied waren sinds 1884 grote confrontaties vermeden en door de samenwerking met Teukoe Oemar lag de pacificatie van Atjeh binnen handbereik.
In 1896 hervatte Nederland de strijd met alle middelen, en op een wijze die vergelijkbaar was met die uit de periode 1873-1884. Het grootste gedeelte van het koloniale leger werd geconcentreerd in Atjeh; moderne wapens en uitrusting werden vooral op Sumatra ingezet en voor strafexpedities in het opstandige gebied werden speciale marechaussee-
brigades met veel vuurkracht geformeerd.
Wat in 1873 nog niet het geval was, bleek na 1896 geleerd: het KNIL kon inmiddels een koloniale oorlog voeren. Tot dat jaar was de operatie Atjeh geen succes. Tijdens de derde Atjeh-oorlog echter bleek dat anders te liggen.
Ook in politiek opzicht. Ditmaal geen zweem van twijfel over de juistheid van de Nederlandse aanspraken op het gebied dat tot het midden van de 19e eeuw zelf-
standig was geweest.
Atjeh moest onderworpen worden; het Nederlandse gezag kost wat kost gevestigd.

Batavia noch Den Haag kon de hernieuwde uitdaging aan zijn gezag over zijn kant laten gaan. Het debat ging dan ook niet over de vraag óf Atjeh op de knieën moest worden gedwongen, maar over de wijze waarop.
Van Heutsz had daarover al ten tijde van het verraad van Teukoe Oemar ideeën ontwikkeld die nauw aansloten bij de inzichten van C. Snouck Hurgronje,
de nog jeugdige adviseur voor islamitische zaken van de toenmalige gouverneur-generaal. Het Nederlands-Indische gouvernement moest door louter machts-
vertoon het respect afdwingen van de islamitische Atjehers. Met de eerder gevoerde isoleringspolitiek, die in feite een groot gedeelte van de Atjehvallei buiten het Nederlandse gezag liet, zou dat nooit lukken.
Toen Van Heutsz in 1898 gouverneur van Atjeh werd, kon hij die ideeën in praktijk brengen.
Na de verovering van de versterking Batoe Iliq op 3 februari 1901, in feite het einde van de oorlog, is Atjeh nooit meer een echte bedreiging geweest voor het Nederlandse gezag op Noord-Sumatra.

naar inhoud 1900 naar index