DE ANTITHESE



  Tussen christus en de rest


 

 

 

 

 

 

Het Beursplein in Rotterdam
in de vroege avond van 14 juni 1901.
Een grote menigte geïnteresseerden volgt de uitslagen
van de Tweede-Kamerverkiezingen
op de publikatieborden van het 'Rotterdamsch Nieuwsblad'.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Dit stond, naar de overtuiging van de verdeelde liberalen,
het land te wachten als de 'kerkelijken'
in het land aan de regering zouden komen:
einde van de vrijhandel en als gevolg ervan
de economische ineenstorting.

De dubbelprent verscheen tijdens de campagne van 1897,
toen de confessionelen de verkiezingen verloren.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Abraham Kuyper predikte in politiek opzicht de antithese:
de onverzoenlijke tegenstelling tussen christenen en andersdenkenden. Hij won er één keer de verkiezingen mee.

Zowel in 1901 als in 1905 verdrong de Nederlandse bevolking zich voor de borden waarop de dagbladen de verkiezings-uitslagen bekendmaakten. Beide keren spande het er dan ook om: wonnen de confessionelen of zouden de 'paganisten' aan
de macht komen?

 

In de platanen op het Beursplein kwetterden gewoonlijk grote troepen mussen als de Rotterdammers zich naar de Beurs spoedden of aan het einde van de dag de vele kantoren aan het plein verlieten.
Op de avond van de 14e juni 1901 was het beeld anders. Mannen met strohoeden, petten en een enkele bolhoed, vrouwen in lange jurken, dienstmeisjes met gesteven schorten, jongelui met het rijwiel aan de hand dromden samen voor
een groot bord van het 'Rotterdamsch Nieuwsblad'.
Ze lazen, ze praatten, ze gesticuleerden en af en toe juichte er een groepje als in een of ander district hun kandidaat gewonnen bleek te hebben.
Want het was de dag van de verkiezingen voor de Tweede Kamer en de meeste Nederlanders wilden zo spoedig mogelijk weten wat de uitslag was.

KUYPER EN DE MACHT

De verkiezingen van 1901 waren inderdaad buitengewoon spannend. Nu we, achteraf, de uitslag weten is ook wel duidelijk waarom.

De liberalen verloren voorgoed hun meerderheid, verdeeld als ze onderling waren en ook wel omdat ze langzamerhand waren uitgeregeerd nadat ze een halve eeuw eerder onder Thorbecke een begin hadden gemaakt met de geleidelijke democratisering van het politieke leven in het land.
Inmiddels waren de sociaal-democraten opgekomen maar zij zouden nog lange tijd in de oppositie blijven, deels uit eigen verkiezing.
Bij de verkiezingen van 1901 verloor hun leider Troelstra zelfs zijn kamerzetel. In zijn memoires schreef hij later:

'Oververmoeidheid had ten gevolge, dat ik op een beslissende vergadering in Franeker niet dien indruk maakte, die voor
het behalen van een overwinning noodzakelijk was.'
Het was echter niet alleen oververmoeidheid. Over de gehele linie waren in 1901 de confessionele partijen aan de winnende hand.

In zijn district, Tietjerksteradeel, verloor Troelstra dan ook van een antirevolutionaire politicus, ds. A. Talma.

Grote overwinnaar was echter dr. Abraham Kuyper, de man die met grote kracht en doorzettingsvermogen vorm had gegeven aan de Anti-Revolutionaire Partij.
Kuyper was de kampioen van de 'antithese': de onverzoenlijke tegenstelling tussen de christelijke partijen aan de ene kant
en de liberalen en socialisten aan de andere.

Als kamerlid had hij al in 1897 gezegd dat het kiezersvolk in feite uiteenviel in twee delen 'die principieel met eene strijdige levens- en wereldbeschouwing tegenover elkander staan'. Herhaaldelijk sprak hij over liberalen en socialisten als 'onze volksgenooten, die met den Christus, altoos in politieken zin, gebroken hebben'.

In zijn opvatting, die niet door ieder in zijn kring werd gedeeld, omvatte het christelijk volksdeel overigens ook de rooms-katholieken van mgr. Schaepman en de christelijk-historische groeperingen van jhr. De Savornin Lohman.
Met hen wilde hij een coalitie vormen om zijn politieke programma te verwezenlijken.

Na de verkiezingen van 1901 kreeg Kuyper inderdaad
de leiding van een coalitiekabinet van antirevolutionaire en
rooms-katholieke ministers.
De christelijk-historischen, die hem in feite het naast stonden maar met wie hij voortdurend overhoop lag over politieke kwesties, bleven buiten de nieuwe regering.

Het kabinet kwam met een zo uitvoerig regeringsprogramma dat wel duidelijk was dat Kuyper mikte op meer dan één zittingsperiode. Hij nam de teugels al meteen stevig in handen door het reglement van orde van de ministerraad zodanig te wijzigen dat hij als voorzitter en dus als minister-president kon optreden - een noviteit.

Het politieke bedrijf bleek echter danig af te wijken van Kuypers hooggestemde verwachtingen.
De problemen van de dag namen eindeloos veel tijd in beslag, en halverwege zijn regeringsperiode werd hij geconfronteerd met de spoorwegstakingen van 1903.
Door de nogal harde wijze waarop hij daartegen optrad verloor hij een groot deel van zijn populariteit. Bovendien provoceerde hij zonder noodzaak de oppositie door zijn gehamer op de 'onverzoenlijke tegenstelling' tussen gelovigen en 'paganisten' (letterlijk: heidenen, d.w.z. niet-christelijke Nederlanders).

Ook dat deed afbreuk aan zijn potentiële mogelijkheid uit te groeien tot een nationaal staatsman. Een liberale journalist beschreef hem als een 'Calvinistische roofvogel, die daar zweeft en loert boven de velden van Holland, boven de Openbare School, boven de Staatsbetrekkingen, boven Hoogeschool en Rechtszaal, boven heel het volksleven'.
En aan de vooravond van de verkiezingen van 1905 schreef
het socialistische dagblad 'Het Volk':
'Om Dr. Kuyper te weren, moet desnoods op den duivel worden gestemd.'

KUYPER EXIT

In dat jaar was de verkiezingsstrijd dan ook minder een strijd van links (in die tijd: liberalen en sociaal-democraten) tegen
de christelijke coalitie dan wel een bitter gevecht vóór of tegen Abraham de Geweldige.

Op 17 juni 1905 dromden opnieuw honderden mensen samen voor de bureaus van de dagbladen. De vele honderden belangstellenden kregen echter geen uitsluitsel:
de strijd eindigde die dag onbeslist omdat in veel districten geen van de kandidaten een absolute meerderheid had behaald. Anders dan tegenwoordig was immers niet de landelijke uitslag bepalend maar de uitkomst per Kiesdistrict.

Op 29 juni vond daarom in een groot aantal districten een tweede stemming plaats.
Op die dag beleefde Kuyper zijn Waterloo.
Troelstra, die de uitslagen volgde op de Amsterdamse Pijpen-markt (voor het gebouw van het 'Algemeen Handelsblad') schreef die avond:
'Het gejuich was niet van de lucht. Hier kwam duidelijk uit welk een afkeer, ja haat het Kuyper-regiem had opgewekt.'
De coalitie van christelijke partijen viel die avond terug van 58 op 48 zetels (in een Tweede Kamer die toen nog uit 100 leden bestond).

Het liberale kabinet-De Meester dat de regering-Kuvper opvolgde, was 'een kabinet van kraakporcelein' zoals men in
die dagen schreef. De liberalen konden geen meerderheid meer vormen en de sociaal-democraten waren de regering hoogstens tot steun zolang men ze te vriend hield.
Het kabinet zat zijn tijd uit, maar moest in 1909 opnieuw plaatsmaken voor een coalitie van antirevolutionairen, rooms-katholieken en een enkele partijloze bewindsman.
De christelijk-historische groeperingen, inmiddels verenigd in de CHU, bleven opnieuw buiten de regering. Opmerkelijk:

Abraham Kuyper keerde niet in de regering terug. Zijn plaats, als leider van de coalitie, werd overgenomen door
mr. Th. Heemskerk die als minister-president een geheel andere stijl van optreden had: minder provocerend en er ook minder van overtuigd dat achter iedere niet-christen de duivel schuilging.
Met zijn aantreden kwam er een einde aan Kuypers antithese die, alles bij elkaar, de christelijken weinig politieke winst had opgeleverd. Nederlanders hielden er kennelijk niet van tegen elkaar te worden opgezet.

naar inhoud 1900 naar index